Text Box: De M.T. Indië:

Veteranen van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene
1946  t/m  1950 vertellen hun verhaal


 


Gedenkboek van

de  mannen  v/h

Motortransport

4e Bataljon Garde Regiment

 

Prinses Irene

 

1946 - 1950

 

Samengesteld en geschreven door J. L. Baas

in samenwerking met makkers van de M. T.

en adviezen van Stef Klinge

 

 

Heerhugowaard 2001

 

 

 


Voorwoord       

 

 

Het is mede de bedoeling met dit boekwerk hen te herdenken die niet het geluk hebben kunnen beleven na hun diensttijd in voormalig Nederlands Indië terug te mogen komen in hun Vaderland. Zij hebben zich opgeofferd voor een strijd die eigenlijk voor het grootste deel overbodig was. De kameraden die het geluk hebben gehad wel terug te komen bij familie en vrienden, en dit boek tot stand hebben gebracht, zullen die achtergebleven makkers nimmer vergeten, en gedenken hun trouw eens per twee jaar bij het herdenkingsmonument dat is opgericht op het terrein van de Generaal - Majoor de Ruyter van Steveninckkazerne te Oirschot, maar ook ieder jaar op 7 September bij het Nationaal Indië monument in het park ‘’Hattem” in Roermond waar dan meer dan 6000 militairen worden herdacht die in Indië en Nieuw Guinea zijn omgekomen.

 

Helaas zijn er bij het schrijven van dit boek, na  terugkomst uit Indonesië in 1950, ook tien   makkers van de M. T. overleden, wij zullen hen ook nooit vergeten. Vele van de achtergebleven weduwen onderhouden nog steeds kontakt met deze M. T. groep, en zij worden ook vaak betrokken bij verschillende samenkomsten, zoals de reünie’ s.

Jan Baas heeft de plicht op zich genomen dit boek te schrijven, maar bijna alle M. T. makkers hebben hun eigen verhaal ingebracht die ook in dit boek zijn verwerkt en samen spreken zij de wens uit dat de lezer een goed beeld krijgt van de tijd dat zij in militaire dienst waren, als ook een klein overzicht voor- en na hun diensttijd.

Een woord van dank gaat naar een veteraan van een ander onderdeel, het is Stef Klinge in Harderwijk, hij was een geweldige steun bij het oplossen van de computer problemen.

 

                       

Voorwoord. 3

Inleiding. 7

Hoofdstuk 01. 10

Hoofdstuk 02. 16

Hier volgen de beschrijvingen in alfabetische volgorde van de M. T. manschappen tot het moment van inscheping. 20

Een apart verhaal over de uitzending van dienstplichtigen militairen naar Indië  52

Hoofdstuk 03. 56

Liefdesverdriet 73

Een overzicht van de soldijen bij de Koninklijke Landmacht in de jaren 1946 / 1950  82

Artikel I 83

Artikel II 83

Artikel III 84

Hoofdstuk 04. 86

Arnhemse chauffeur over een meerdaagse patrouille van het Prinses Irene Regiment 118

Een brief aan het thuisfront 120

Soerabaia. 128

Een verhaal van Wim Uitentuis o. a. over een verdronken Tjakra, 130

Loemadjang 28 - 12 - 1948. 133

Opmerkingen en wensen van een M.T. er 135

Hoofdstuk 05. 136

2e Politionele aktie, naar Malang, Kepandjan, Blitar, Toeloengagoeng  en  Gondanglegi 136

Tidak akan didjadikan tawanan, tapi boleh poelang keroemah dengan leloeasa. 139

Bekendmaking. 140

Over de ritten met die nieuwe trucks schrijft Wim Uitentuis het volgende: 150

Over de ritten met die nieuwe Ford trucks schrijft Wim tevens: 152

Hier volgt weer een stukje uit het dagboek van Vic van Schijndel: 157

Het M. T. Lichtaggregaat. 158

Maart 1949. 164

Jaap verteld verder: 168

Zaterdag 16 April 173

De M.T. werkplaats. 178

Opdracht voor chauffeur Broekhuizen D.  met truck 11 - 870. 191

Een legendarisch verhaal 192

Hoofdstuk 06. 193

Periode van overdracht aan de T. N. I. , thuisreis van O. V. W. ers, Afscheid van Malang, bootreis naar Jakarta en tijdelijk verblijf te Tjimahi. 193

Een korte taalles Maleis. 202

Oost - Java. 203

Hoofdstuk 07. 206

Thuisreis en aankomst in Holland, persoonlijke belevenissen en Demobilisatie  206

Hoofdstuk 08. 214

De terugkeer in de burgermaatschappij, en de jaren die volgen. 214

Hoofdstuk 09. 219

M. T. Reünies. 219

Hoofdstuk 10. 239

De M. T. busreizen. 239

Hoofdstuk 11. 246

Het terugzien van Indië, waar we nooit meer op hadden gerekend. 246

Terug naar Indië, dat nu Indonesië wordt genoemd. 258

Het 2e terugzien van Indonesië. 259

Hoofdstuk 12. 268

Bataljon reünies. 268

Het verhaal van - en over - Dick Broekhuizen. 273

65 e verjaardag van J. L. Baas, geschreven en voorgedragen door Dick Broekhuizen op 12 September 1992  274

Als herinnering aangeboden door je vrienden van de M. T. Garde Regiment Prinses Irene. 293

Hoofdstuk 13. 324

Ontmoetingen of belevenissen met personen van het 4e Bataljon die niet bij de M. T. hoorde maar zeker bekend zijn bij de M. T.  makkers. 324

Hoofdstuk 14. 327

Het Nationaal Indië Monument i / h Stadspark Hattem te Roermond. 327

De herdenking van de bevrijding in 1950 te Wageningen. 328

De Stichting Hulpverlening Veteranen. 329

Piet van Asten. 330

Hoofdstuk 15. 332

Overzicht der hoofdstukken. 332

Hoofdstuk 16. 334

De volgende M. T.  makkers zijn inmiddels overleden: 334

Hoofdstuk 17. 336

Epiloog. 336

Ruimte voor e.v. persoonlijke aanvullingen. 354

 


Inleiding

 

Selamat Siang, Apa Kabar, en ga zo maar door, dit was de taal die gesproken moest worden gedurende de tijd dat de Nederlandse troepen in voormalig Nederlands Indië verbleven, zo ook de kameraden waar dit boek over gaat, zij verbleven daar 3 jaar van hun jonge leven.

 

Thans op oudere leeftijd aanbeland komen al die herinneringen weer naar boven, dat is wel opvallend want wat gisteren gebeurde op deze leeftijd wordt soms vergeten.

In de jaren rond 2000 ontstaat onder de gelederen van deze M. T. groep van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene het idee een boek te schrijven waarin de opmerkelijke gebeurtenissen uit die Indië tijd gaan worden beschreven, vele van de kameraden die nog in leven zijn geven hun medewerking voor het tot stand brengen van dit boek, en alle persoonlijke ingebrachte verhalen worden daarin verwerkt.

 

Om een goed overzicht te krijgen van de M. T. kameraden is er een korte levensbeschrijving van de tijd voor de opkomst in militaire dienst, maar ook hoe zij in de burgermaatschappij zijn terug gekomen, en ook de ontmoetingen die onder elkaar hebben plaats gevonden, ook de reünies

in M. T. - en in Bataljons verband, herdenkingen en helaas het onontkoombare overlijden van een aantal.

 

De M. T. makkers spreken de wens uit dat dit boek er toe zal bijdragen dat hun kinderen, kleinkinderen en wat er verder mag volgen een idee krijgen welke vriendschap er is ontstaan in de drie moeilijke jaren dat zij in de tropen waren, dit mag wel uitzonderlijk worden genoemd.

 


Aan de lezer, zoals nabestaanden der Indië Veteranen der M.T.

 

Eens droegen zij de  wapenrok  der  Nederlandse  Strijdmacht,

En gingen voor drie jaar naar Indië  met een speciale opdracht

Deze  luidde:   Breng Orde - Rust - en  Vrede  in  dat  verre overzeese  land,

Maar met deze opdracht heeft de Nederlandse Regering zich de vingers gebrand.

Meer dan  120.000 jonge  kerels  kwamen  terecht  in  een  oneerlijke  strijd,

Het leven dat zij daar moesten doorbrengen kon ook stellig niet worden benijd.

Omtrent de vaak  erbarmelijke  jaren dat zij daar op elkaar waren aangewezen,

Heeft een deel van deze M.T. groep tot taak genomen U hierover te laten lezen.

Voordat  de  tijd  was  aangebroken van  de  zeereis, die een maand zou gaan duren,

Werden zij geschoold tot militair onder de krijgstucht, om ook een truck te besturen.

Deze training vond plaats in- en rond - Arnhem, bij barre winterse omstandigheden,

Bij vorst - sneeuw - en ijs, en er moest met strakke discipline worden aangetreden.

Mars oefeningen, bedienen van vuurwapens, en alles wat een soldaat dient te kennen,

Dat werd allemaal in 7 maanden geleerd, aan die omstandigheden moest men wennen.

Toen’ t moment was gekomen van afscheid der achterblijvers die hen dierbaar waren,

Vertrok het Bataljon vanuit Amsterdam, voor een lange zeereis over de woelige baren.

Het leven op die oude schuit met de naam Tabinta was dan ook bepaald geen pretje,

Na aankomst in Indië moest men op een veldbed slapen, onder een muskieten netje.

De taal en zeden waren in Nederland reeds voor een gedeelte aan hun bijgebracht,

Maar wat daar dan ook werd aangetroffen was lang niet wat men er had verwacht.

Zo was er helemaal geen tijd om aan acclimatiseren toe te komen,

Er moest  al  snel aan de eerste politionele aktie worden deelgenomen.

De oneerlijke strijd met de opstandelingen was vanaf die dag begonnen,

Maar kon onmogelijk  door  geen  van beide partijen worden gewonnen.

Na  de  eerste ervaringen  van  het  wapengekletter rond Semarang en De Mak,

Kwam de periode dat voor hun op Oost Java de tweede politionele aktie uitbrak

Dat werd een zware en moeilijke tijd van beschietingen, trekbommen en hinderlagen,

En men v/d  beveiliging bij transporten de Huzaren van Boreel hulp moest vragen.

De  inmiddels  volwassen  kerels,  geworden in  die  zware  en  oneerlijke  strijd,

Willen via dit boek hun verhaal vertellen over die spannende en onvergetelijke tijd.

Maar er  zijn  ook wel  goede en mooie restanten uit die zo bewogen jaren,

Dat is de hechte vriendschap die is overgebleven uit de tijd dat zij samen waren.                                                              

                    -o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-

 

 

Inhoud
Hoofdstuk 01

 

Als op 5 Mei 1940 de Duitsers op zeer brute wijze en met een grote strijdmacht Nederland binnen vallen is na een korte, maar hevige, strijd ons leger niet meer in staat weerstand te bieden en wordt er gecapituleerd op 14 Mei 1940.

Ook vele Europese landen worden door de Duitsers bezet en er volgen vijf verschrikkelijke bezettingsjaren, bijna alles heeft te maken met de oorlogsindustrie en vele mannen worden te werk gesteld in Duitsland en andere bezette landen, ook voeren velen strijd tegen de Duitsers, o a. via het ondergrondse verzet.

De jonge generatie mannen moeten zich op zestien jarige leeftijd melden voor de z.g. Arbeids-Dienst om in kampen, gekleed in uniform, te worden opgeleid tot semi militair, met deze generatie 16 jarigen krijgen ook de meeste jongens te maken die in dit boek worden beschreven, maar velen onttrekken zich aan deze plicht door onder te duiken.

 

In het vrije Engeland worden op 27 Mei 1940 de in het verenigd Koninkrijk wonende Nederlanders van 20 tot 35 jaar opgeroepen zich als vrijwilliger te laten inschrijven, op 8 Augustus 1940 volgt de dienstplicht voor alle Nederlanders van 19 tot 36 jaar, Februari 1940 wordt deze dienstplicht uitgebreid tot de rest van de vrije wereld, en Januari 1942 wordt de minimum leeftijd 18 jaar en maximum 42 jaar.

 

Inmiddels was in Engeland op 11 Januari 1941 de Koninklijke Nederlandse Brigade opgericht, deze Brigade krijgt op 22 Februari 1942 de naam Brigade Prinses Irene.

De wereldoorlog breid zich steeds verder uit en in December 1941 raakt Japan daar in betrokken, eind Mei 1942 wordt Nederlands Indië door de Jappen bezet. Een detachement van honderdvijftig man van de Prinses Irene Brigade was al vertrokken naar Indië maar kon daar niets meer uitrichten, er was reeds gecapituleerd bij aankomst.

In de jaren die volgden zijn er veel verschuivingen binnen deze Brigade maar uiteindelijk in Juli 1943 wordt deze ingedeeld bij de legergroep van Montgomery , die een invasie voorbereid van het Europese vasteland.

Op 6 Juni 1944 breekt D - Day aan en komen de eerste Geallieerde troepen aan in Normandië, en dan op 6 Augustus wordt de Prinses Irene Brigade, groot 1205 man, ontscheept in Normandië, de Brigade vecht zich een weg door Frankrijk en België en komt op 20 September 1944 over de Nederlandse grens. Op 27 Oktober volgt de bevrijding van Tilburg en eind April wordt Hedel ingenomen. Op 5 Mei 1945 capituleert Duitsland en wordt dat door de bevelhebbers ondertekend in Wageningen, de Prinses Irene Brigade wordt daarna ontbonden.

 

Er was echter nog geen einde gekomen aan de Tweede Wereldoorlog want Japan bezet nog steeds Nederlands Indië, daar komt in Augustus 1945 verandering in als Hiroshima en Nagasaki door atoombommen worden getroffen, en op 15 Augustus 1945 volgt de overgave van Japan. Britse troepen landen dan op delen van Nederlands Indië en er worden vele Nederlandse burgers en krijgsgevangenen bevrijd, de Indonesische vrijheid strijders leveren strijd en er sneuvelen vele Britse militairen.

 

In Nederland komt langzaam ‘n opbouw op gang, mede door hulp van het z.g. Marschall Plan, maar ook een opbouw van een Expeditionaire macht met de bedoeling deze militairen naar Nederlands Indië te sturen, in April 1946 komen de eerste onder de wapenen.

Het eerste Prinses Irene Bataljon was 3 - R. P. I. en vertrok 16 Oktober 1946 naar Nederlands Indië en kwam daar aan op 12 November 1946. zij leverden strijd met de T. N. I.

In Oktober 1946 wordt het 4e Bataljon Prinses Irene opgericht en in November 1946 wordt deze lichting in Arnhem ondergebracht in de Menno van Coehoorn- en Saksen Weimar kazerne, en hiermee begint ook het verhaal van deze M. T. veteranen.

Het deels in Engeland opgeleide kader, dat grotendeels bestaat uit vrijwilligers en reserve Officieren en Onderofficieren, is aanwezig in Arnhem en vangt de nieuwe lichtingen op, niet alle dienstplichtigen van dit Bataljon komen onder de wapenen op deze dag in Arnhem, er zijn er ook die eerst bij een ander onderdeel opkomen. Degene die in Arnhem opkomen worden voorlopig verdeeld over zes Compagnieën en zullen een eerste training krijgen van zes weken, dat gebeurt in November en December tijdens een flinke vorst periode en sneeuwval.

De dienstplichtigen manschappen die hierbij horen en later deel zullen uitmaken van de M. T. zijn als volgt.:

           

 

A. Abbink , J. L. Baas,             S. Beuving,      W. Boksem,    H. Bruggink,  D. Broekhuizen,  E. Dijkman, J. Frieszo,  J. de Goeijen,   J. Gravesteijn, J. H. Heijgen, O. Krist, H. Meinderts, L. Paardekooper, C. van Rij, V. Strack  van  Schijndel, G. Vermeulen, C. van Vliet, en  A. Weterings.

 

Dienstplichtigen die eerst in December 1946 bij een ander onderdeel, het Artillerie Meetregiment, worden opgeroepen zijn:

 

J. A. Baltus, J. Boekestijn, T. de Bont,   G. v.d. Hurk,    A. Jongenelen,   Th. Tol   en W. C. Uitentuis

                       

 

Na die eerste training wordt er verlof gegeven en daarna wordt het grootste deel ingedeeld bij de Staf Compagnie, waar de M. T. deel van uit maakt.

 

Het aanwezige kader bestaat uit de volgende personen:

Motor Transport Officier, 1e Luitenant A. v.d. Veen  ( reserve Off. )

Motor Transport Onderofficier, Sergeant  o. v. w.  -  H. Timmermans

Hoofd werkplaats,                     Sergeant  o. v. w.   - E. de Jager

Korporaal Rij Instructeur                        o. v. w.   - J. A. Derksen.

Korporaal                                           o. v. w.  - G. van Leeuwen

Korporaal B. O. S. (Benzine - Olie - Smering ) o. v. w. - J. v.d. Stelt

Korporaal Chauffeur                                  o. v. w. - C. v.d. Horst

Soldaat 1e klas Rij instructeur                 dpl.       - P. van Asten

Soldaat 1e klas   Chauffeur              o. v. w. -            A. Hagen

Soldaat 1e klas                                          o. v. w. - E. Scheerder

 

Bij de M. T. in Arnhem wordt aangevangen met auto rijinstructie, er wordt les gegeven door van Asten, Derksen en  v. d. Horst.

 

De personen die later waren ingedeeld bij dit peloton van de Stafcompagnie zijn :

 

            naam        woonplaats                  toekomstige functie

 

1          P. van Asten    Leende              Chauffeur instructeur

2          A. Abbink         Eibergen            Schrijver       

3          J. L. Baas        Amsterdam       Monteur / Chauffeur

4          J. A. Baltus      Castricum         Chauffeur

5          S. Beuving       Gem. Avenhorn                 ,,

6          J. Boekestijn    de Lier                   ,,

7          W. Boksem     Rotterdam             ,,               

8          M. de Bont       Den Bosch               ,,

9          H. Bruggink     Doetinchem          ,,

10        D. Broekhuizen           Zaandam              Monteur       sold. 1e Klas

11        J. A. Derksen Arnhem                Instr. Chauffeur Korporaal

12        Dijkman           Blokker                           Chauffeur    

13        J. Frieszo        Assen                     ,,                                

14        J. de Goeijen   Almelo                     ,,                

15        J. Gravesteijn Wormerveer             ,,

16        A. Hagen         Arnhem                              ,,

17        J. H. Heijgen    den Haag                  ,,

18        C. v. d. Horst   Amsterdam           Instr. Chauffeur Korporaal

19        G. v. d. Hurk    Heerhugowaard             Chauffeur                

20        E. de Jager      Ooster Nijkerk    Monteur  Sergeant

21        A. Jongenelen             Hoofddorp          Chauffeur

22        O. Krist                        Amsterdam                ,,

23        G. van Leeuwen Rotterdam       Chauffeur Korporaal

24        H. Meinderts    Warga                            Monteur

25        L. Paardekooper Arnhem           Chauffeur

26        C. van Rij        Arnhem                               ,,

27        E. Scheerder   Arnhem                               ,,

28        J. v.d. Stelt      Voorburg              B.O.S.      Korporaal

29        V. Strack v Schijndel  Rotterdam            Chauffeur

30        H. Timmermans          Den Haag            M. T.O. O.   Sergeant

31        Th. Tol                       Volendam          Chauffeur

32        W. C. Uitentuis                      Edam                Chauffeur    

33        A. v. d. Veen              Amsterdam          M. T. O. 1e Luitenant

34        G. Vermeulen           Huissen               Chauffeur

35        C. van Vliet                Utrecht                    ,,

36        A. Weterings             den Haag             Monteur  Korporaal

 

Zoals beschreven zijn bovenstaande personen niet allemaal direkt bij de M. T. ingedeeld in Arnhem 1948, enkele zijn eerst ondergebracht bij een Infanterie Compagnie en na de eerste 6 weken over gegaan naar hun eigenlijke bestemming om opgeleid te worden voor hun toekomstige functie. Ook zijn er personen die eerst zijn opgekomen bij een andere onderdeel, zo is het de bedoeling dat in dit herinneringswerk een ieder zo veel mogelijk zijn versie geeft over zijn voorgeschiedenis en zijn opleiding en op welke wijze hij tenslotte is ingedeeld bij de M. T. van bovengenoemd Bataljon. Daarna volgt, voor zover mogelijk, van een ieder het verloop tot aan het moment van uitzending naar Nederlands Indië en met welke taak en rang hij is ingedeeld.

Daarna het verloop in Nederlands Indië, zoals b. v. een detachering bij een andere Compagnie en zijn wetenswaardigheden. Tenslotte de thuisreis in 1950, de demobilisatie en terugkeer in het burger leven, en verdere levensloop.

Er zijn op het moment dat men is begonnen met het schrijven van dit werk al 10 personen overleden, het was soms moeilijk van hen  gegevens te vergaren, maar van het merendeel zijn wij redelijk op de hoogte van de periode tot aan hun overlijden.

 

Inhoud
Hoofdstuk 02

 

Het is 7 november 1946 als in Arnhem, zowel in de Menno van Coehoorn kazerne als in de Saksen Weimar kazerne de lichting dienstplichtigen binnen komt, die allen gehoor hebben gegeven aan hun oproep om daar te verschijnen. De meeste zijn met de trein gekomen waarvoor een vrijvervoerbewijs voor de Nederlandse spoorwegen was verstrekt.

 

Een deel van het latere M.T. peloton is niet aanwezig bij deze opkomst, zoals later word beschreven in dit boek moeten zij zich melden bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort.

 

De opdracht voor de eerst genoemde was om met de eerste reisgelegenheid te vertrekken na 07.00 uur. In de kazernes aangekomen moet iedereen zich melden bij de administratie en daar werd verteld bij welke compagnie men voorlopig was ingedeeld, en naar welk gebouw men zich moest begeven. Aangekomen bij het betreffende gebouw moest men de kamers opzoeken, waar men met mede recruten werd ondergebracht. Die kamers varieerden van zo’n 10 tot 20 personen, de meesten sliepen in een stapelbed, waarbij kasten waren geplaatst om de spullen op te bergen.

Het was al gauw duidelijk dat nadat men de kazernepoort was binnen gegaan er een grote verandering in het leven zou komen. Als norm werd aangenomen dat men de wapenen zou gaan dragen ter verdediging van het Vaderland, en ter handhaving van de vrijheid.

Het is de bedoeling om van burgers soldaten te maken, er moest rekening worden gehouden met de vele andere jonge mannen, die samen op één kamer waren gelegerd en die vaak andere opvattingen en ambities hadden, en mogelijk ook een andere godsdienstige overtuiging.

Vervolgens werd iedereen bijgebracht dat de eerste plicht van een militair is: Gehoorzaamheid aan zijn militaire meerderen.                            

Voorts moest men er van doordrongen zijn, dat zodra men zich in uniform ging vertonen in het openbaar, men in hem de vertegenwoordiger

ziet van het leger.

En zo zijn er pagina’s vol te schrijven over het nieuwe leven dat vanaf die dag was begonnen, waarbij ook vooral de kennis van de krijgstucht van groot belang was.

Op de betreffende kamer, waar men dan was ingedeeld, konden de eigendommen zoals de toilet spullen in de kast worden opgeborgen.                                                                                      

Zo word er ook geleerd op welke ordelijke wijze het bed moest worden opgemaakt. Aan het hoofdeinde hoort het z.g. “Wolletje” te worden geplaatst, iedereen moet exact op de zelfde voorgeschreven wijze zijn toegewezen dekens zo opvouwen dat het op een pakketje lijkt, en als bij inspectie blijkt dat het niet volgens de voorgeschreven regels gebeurd is, dan wordt het ogenschijnlijk goed opgemaakte “Wolletje” weer overhoop gehaald en kan men met opvouwen opnieuw beginnen. 

In ploegjes wordt men daarna bij de fourier gebracht die al naar gelang de maten een uniform verstrekt, dat uniform was toen het z.g. battledress met alles wat daarbij hoort. Het passen van de uniformen was lachwekkend, te klein, te groot, of niet bij elkaar passend omdat de voorraad uit Engelse en Canadese dumpen was gehaald, die afwijkend van kleur waren. Zo waren de baretten onwijs groot en werden “Vliegdekschepen” genoemd.

Later werd geleerd dat als er onder in de broekspijpen loodjes, die aan touwtjes waren geregen, werden geplaatst dat de pijpen strak kwamen te hangen, en werden zo in de enkelstukken gevouwen. Om de vouw mooi in die broekspijp te houden werd weer wat anders geleerd. Voordat men van de nachtrust ging genieten moest die vouw vochtig worden gemaakt, waarna de broek netjes opgevouwen onder de dekens werd gelegd en deze al slapende werd geperst, de volgende ochtend leek het wel of de broek zo uit de stomerij kwam, tenzij het opvouwen op de verkeerde wijze had plaats gevonden.

Zo verliepen de eerste dagen met een medische keuring, en informatie over wat er allemaal zal gaan gebeuren in de komende tijd. Er worden distinctieven uitgereikt, zoals stukjes stof waar het onderdeel Prinses Irene op staat, en de Nederlandse leeuw, en die moet men zelf op de mouwen van het uniform naaien, hetgeen voor velen ook de eerste keer is

dat zij  naald  en  garen  hanteren. Zo  moet  men  het  koper  dat  aan het uniform zit poetsen en de koppel en enkel stukken met blanco behandelen.

Waarschijnlijk om de discipline er in te stampen worden er eindeloze exercitie oefeningen gehouden.

Alle opgekomen dienstplichtigen waren dus recruut en waren de eerste tijd geconsigneerd en mochten het kazerne terrein niet verlaten, maar wel werd er geleerd hoe men in het gelid moest aantreden , b.v. op het appél dat enkele keren per dag werd gehouden.

Zo verlopen de eerste twee weken en er worden er vrijvervoersbewijzen en een verlofpas uitgereikt om het weekend naar huis te kunnen gaan.  De kraag moet gesloten worden gehouden, deze mag pas geopend worden na 6 weken want dan wordt aangenomen geen recruut meer te zijn. Om met verlof te gaan wordt er in groepsverband naar het N. S. station van Arnhem gelopen.

Als dan die eerste 6 weken erop zitten krijgen de meeste hun uiteindelijke bestemming, zo komen er 4 Compagnies infanterie, 1 compagnie Ondersteuning en een Staf Compagnie.

Zij die de functie krijgen van monteur bij de M.T. gaan voor scholing naar Utrecht, hierover schrijft Ton Weterings later zijn verhaal.

Inmiddels zijn de personen die eerst bij het Artillerie Meetregiment in Amersfoort waren opgeroepen nu ook overgeplaatst naar Arnhem en ingedeeld bij de M.T. dat een onderdeel is van de Staf Compagnie

De chauffeurs krijgen hun rijlessen en wat daarbij meer komt kijken aan theorie, ook daarover schrijven deze mannen hun verhaal in dit boek.

Men wordt eigenlijk gereed gestoomd om dienst te gaan doen in de tropen. De winter is erg koud en dat is niet altijd prettig omdat de gebouwen amper verwarmd zijn. De kazerne heeft namelijk nog al wat schade opgelopen in de tweede Wereldoorlog, toen de Duitse bezetter hun kwartier had in die gebouwen. 

 


Hier volgen de beschrijvingen in alfabetische volgorde van de M. T. manschappen tot het moment van inscheping.

 

Albert Abbink

 

Hij werd door ons aangesproken met Ab, en was dienstplichtig soldaat, hij werd geboren op 4 Oktober 1926 te Eibergen, op het moment dat hij in militaire dienst gaat woont hij aan de J.W. Hagemanstraat nr 10, zoals hij schrijft is hij daar geboren en getogen.

Na het behalen van zijn M. U. L. O. diploma werd hij kantoorbediende.

Zoals de meeste van ons kwam hij op 7 November 1946 onder de wapenen en werd gelegerd in de Menno van Coehoorn kazerne te Arnhem. Na de eerste militaire opleiding werd hij begin 1947 geplaatst als schrijver op het  “Materieelpark“ van het Administratie Bataljon. Het was de bedoeling dat hij, na een verdere opleiding, met de volgende lichting (dus het 5e Bataljon Prinses Irene) )naar Indië zou worden uitgezonden.

Ongeveer een goede week voor het vertrek naar de tropen van het 4e Bataljon werd hem echter medegedeeld dat hij alsnog met dit Bataljon mee moest, en werd toegevoegd, c.q. ingedeeld bij de M.T.

Pas in Indië heeft hij zijn militaire rijbewijs gekregen.

 

Jan Baas

 

Was dienstplichtig soldaat, hij is geboren op 12 september 1927 te Amsterdam, gezin met 2 kinderen, een 7 jaar oudere broer, opgegroeid in een volksbuurt, het beroep van vader was heier / waterwerken.

Op het moment dat hij in militaire dienst ging woont hij in de Zaanstraat nr 8  te  Amsterdam Centrum.

Opleiding: Lagere school 6 jaar, L. T. S. Smeden bankwerken 2 jaar.

Gewerkt bij: Artillerie Inrichtingen Hembrug, Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij, Stork Apparaten fabriek en in 1943 in dienst gekomen bij het Internationaal transportbedrijf D. P. de Rond te Amsterdam, aldaar o.a. veel geleerd van het vak automonteur en bekwaamheid in het besturen van trucks, waarvoor ook een rijbewijs gehaald. In de laatste oorlogsjaren heeft hij het erg moeilijk gehad, ten eerste wegens het voedsel tekort, ten tweede wegens het zich onttrekken aan de Duitse Arbeidsdienst, terwijl zijn vader in het buitenland verbleef en de laatste maanden van de oorlog zijn moeder in het ziekenhuis lag, terwijl ook al zijn distributiebonnen - en stamkaart waren gestolen. Na de oorlog komt er middels het Marschall plan de wederopbouw van Nederland op gang, dat zwaar te verduren heeft gehad door de Duitse bezetters, van de 20 trucks die het bedrijf rijk was, waar hij werkte waren er zo’n 17 gestolen door die bezetters. Het wagenpark wordt weer opgebouwd met de trucks die door onze bevrijders zijn achter gelaten, eerst met Ford, Dodge, G.M.C., en Studebaker, en later met International,  Diamond T en Mack. Het is een interessante en mooie tijd, al meteen komen er transporten naar o.a. Brabant waar de wegen en bruggen zijn vernield,  met militairen vaartuigen moet worden overgevaren, en langs de wegen staat het vol met vernield oorlogsmateriaal.

Al snel haalt Jan zijn rijbewijs en krijgt opdrachten voor zware transporten, maar neemt ook deel aan de opbouw van het wagenpark door de ex. militairen trucks geschikt te helpen maken voor het burgerwerk. Hij heeft ook een werkgever die hem veel vrijheid laat en dat is wel prettig. Als dan de oproep in de brievenbus wordt geworpen dat hij moet worden gekeurd voor de militaire dienst, en de wetenschap dat men bezig is troepen naar Nederlands Indië te sturen, ziet Jan de donkere wolken al hangen, als die keuring dan in 1946 is geschied komt de uitslag als U bent Buiten gewoon dienstplichtig. De donkere wolken zijn dan verdwenen en Jan wordt door iedereen gefeliciteerd, ook vooral door zijn werkgever omdat er eigenlijk geen mens kan worden gemist in die tijd. Maar dan komt er toch een brief van het Ministerie van Defensie om zich te melden in Arnhem, begrijpelijk is dat er wordt gedacht aan een vergissing en er wordt kontakt opgenomen bij Afdeling Militaire zaken in de Handboogstraat te Amsterdam, daar wordt verteld dat het niet mogelijk is direkt een antwoord op de klacht te geven want dat moet in den Haag worden uitgezocht. Met de belofte dat er spoedig antwoord zal worden gegeven gaat Jan weer naar zijn werk, maar als er geen antwoord komt wordt nogmaals een bezoek gebracht in de Handboogstraat maar ook dat levert geen bevestiging op dat er een fout is gemaakt, en tenslotte na hevige protesten wordt er gehoor gegeven aan de oproep waarna plaatsing in de Saksen Weimarkazerne te Arnhem, bij de 6e Compagnie 4e Peloton onder commando van 1e Luitenant Th. van Besouw. Uit protest tijdens marsoefeningen wordt er uitgevallen en wegens stukgelopen voeten komt er toestemming tot het dragen van lage schoenen, en het uitvoeren van lichte dienst, zoals werkzaamheden in het ketelhuis van de Centrale verwarming installatie. Daar werd nog een leuk zakcentje verdiend met het namaken van koperen clips voor de uniform riem. Wat betreft die stukgelopen voeten die waren wel kunstmatig beschadigd, d.w.z. met een ruw voorwerp behandeld. Na de eerste zes weken, door in het bezit hebben van burger rijbewijs, de mogelijkheid om te worden opgeleid tot Regiment Politie, hetgeen gebeurde met twee anderen van het Bataljon bij de Koninklijke Marechaussee te Apeldoorn in de Koning Willem III kazerne. Er wordt les gegeven in het begeleiden van militaire colonnes, het regelen en uitzetten van z.g. militaire marsroutes, het toezien op naleving van de militaire tucht zoals kleding, controleren van autopapieren zoals rijopdrachten, kaartlezen en het schrijven van model rapporten. Maar vooral wordt er op de aspirant Politie gelet dat zij zich correct kleden, en dat is niet altijd even leuk. Er heerst in die kazerne dan ook een flinke tucht.                                

 

Na deze opleiding word Jan geplaatst in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem waar Wachtmeester Bierhaalder de verdere opleiding verzorgt, waarbij ook een motorrijwiel wordt verstrekt. Er worden dan Politiediensten uitgevoerd, zoals het aanhouden van voertuigen van het Bataljon, en het controleren van o.a. Rijopdrachten. Het is niet altijd een leuk baantje en er wordt met een zekere minachting naar je gekeken.

Op de startbanen van het vliegveld Deelen wordt veel met de motorfiets geoefend, maar die dingen zijn zo versleten dat men elkaar terug moet slepen naar de kazerne.

 

Er wordt verteld dat Wachtmeester Bierhaalder niet mee gaat naar Indië, en in zijn plaats komt een andere Wachtmeester. De Regiment Politie zal de rang van korporaal krijgen, en als de diensttijd van de Wachtmeester erop zit en weer naar Holland terug keert zal één van die korporaals tot Wachtmeester worden bevorderd.

Jan Baas en zijn maatje Dirk Roggeband hebben al gauw opgemerkt dat de derde persoon, een zekere Jonker, er op uit is later die rang van Wachtmeester in de wacht te willen slepen, daar doet hij alle moeite voor en er is waakzaamheid geboden, niet in hoofdzaak voor die e.v. rang maar omdat die Jonker het achter zijn ellebogen heeft en alles wat zijn maatjes “verkeerd” doen over  brengt aan onze chef.                    

Er zijn in de tussenliggende periode nog wel bezoeken gebracht aan de Handboogstraat, door zowel Jan als zijn Vader, maar met een “schijnheilig” gezicht werd steeds beweert dat er nog niets bekend was.

Tegen de tijd dat het zover is om te worden ingescheept loopt Jan Baas met het plan rond zich aan de uitzending naar Indië te onttrekken omdat hij vind onrechtmatig te zijn opgeroepen als dienstplichtig militair, dat houd in het plegen van Desertie. Echter de vader van Jan had genoeg overredingskracht hem daarvan af te houden, want de gevolgen zouden desastreus zijn geweest.

 

 

Toon Baltus

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Mient nr 81 te Castricum.

In het burgerleven werkte hij als chauffeur bij het transportbedrijf 

de Stad  Alkmaar, waarvoor hij veel in Amsterdam was. Hij kwam in December 1946 onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort maar werd later, met een stel anderen, overgeplaatst naar de M. T. van de Staf Compagnie van het 4e Bataljon Regiment Prinses Irene te Arnhem

 

 

Simon Beuving

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging te Scharwoude nr 45 in de Gemeente Avenhorn, hij kwam uit een groot gezin, zijn vader was hoofd opzichter bij het Wegenbouw bedrijf Ooms. Uit het gezin kwamen later grote kopstukken voort, zo werd één broer Direkteur de Rijksbelastingen in Rotterdam, en een andere Hoofd - aannemer bij de Hollandse Beton Maatschappij.

 

 

Wim Boksem

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Strevelseweg nr 83 b te Rotterdam.

Zijn vader had een belangrijke baan bij de Holland - Amerikalijn te Rotterdam.

 

 

Henk Bruggink

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Yzevoorde nr 71 te Doetinchem, verdere gegevens ontbreken omdat Henk geen belangstelling toonde aan dit boek mee te willen werken.

 

 

Joh. Boekestijn

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde  op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Witte Poort nr 3 in de Lier, daar is hij geboren op 9 Maart 1926. Het gezin waar hij toe behoorde bestond uit ouders, twee zusters en een broer, Joh. was de jongste uit dit gezin.

Zijn schoolopleiding bestond uit de lagere school, later een cursus voor het Middenstands diploma, en een vakdiploma van de Brandstoffen handel. Na de lagere school ging hij op 12 - jarige leeftijd in de tuin werken, na het uitbreken van de oorlog werd dat afwisselend in de tuin - en bij zijn vader, samen met zijn broer in de brandstofhandel (kolenboer). Ook Joh. maakte tijdens die oorlogsjaren verschillende razzia’s mee, hij werd zelfs een keer tijdens een kerkdienst uit de kerk gehaald.

Een oproep voor de arbeidsdienst bleef hem ook niet bespaart, in dit geval kwam de plaatselijke politie hem zeggen dat hij de volgende dag zou worden opgehaald, zodat er een mogelijkheid was dit te voorkomen door elders aanwezig te zijn. Joh. werd echter wel gedwongen dijken te graven zodat het land onder water gezet kon worden. In ieder geval komt hij goed door de oorlog.

 

Als in 1945 de oorlog ten einde is, ontvangt hij ook de oproep om voor de militaire keuring te verschijnen, en daarna een oproep om zich op 3  December 1946 te melden bij het Artillerie Meet Regiment te Amersfoort. Daar heeft Joh. vele herinneringen aan, zoals tijdens Sint-Nicolaas avond, onder geleide gingen ze naar een gelegenheid ergens in Amersfoort, maar het feest werd vroegtijdig afgebroken omdat er een stel diaree kregen en met spoed terug naar de kazerne moesten worden gebracht, om daar zo snel mogelijk de toiletten op te zoeken. Niet iedereen kreeg de kans vroegtijdig in de kazerne terug te zijn en moesten aan de kant van de weg hun broek laten zakken. De oorzaak van dit alles was waarschijnlijk bedorven vlees dat was gegeten bij de maaltijd.

En dan die barre kou, ook op de kamers, als je ‘s morgens wakker werd lag het ijs op je deken, dat was afkomstig van het uitademen.

 

Na de periode van Amersfoort gaan ze naar de Saksen Weimar kazerne in Arnhem, en daar kan Joh. zich de Kapitein Kattekamp en sergeant Berens nog van herinneren, ook de vele sneeuw die er viel, hij heeft nog een keer op wacht gestaan samen met Toon Baltus, bij 17 graden vorst, zij ontdekte toen dat zij op de zelfde dag geboren waren. Normaal bestond het wachtlopen uit twee uur op en vier uur af, maar wegens de strenge kou was het toen één uur op en twee uur af.

 

Als de infanterie training is afgelopen wordt hij overgeplaatst naar de Menno van Coehoorn kazerne, waar hij één van de M.T. leden wordt, hij kan de naam van die S. M. I. niet meer herinneren maar weet nog goed hoe enorm die vent kon schreeuwen, en dan begint ook de chauffeurs opleiding, met de vooruitzichten ook te worden uitgezonden naar het toenmalige Nederlands Indië.

 

                                                                                               

Tiny de Bont

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Zuid Oosterfront nr 17 in den Bosch

Kwam ook eerst onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort en ging later over naar de M. T. van het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem.

 

 

Dick Broekhuizen

 

Hij woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat in de Rosmolenstraat 27 in Zaandam , was dienstplichtig soldaat en kreeg vóór het vertrek naar Indië de rang van soldaat 1e klas, in Indië werd hij korporaal toen de o.v.w. ers naar Holland terug gingen, hij was oorspronkelijk ook automonteur.

Hij verteld een moeilijke tijd te hebben gehad gedurende de jaren 1940 - 1945, de laatste jaren was  er  niet  half  genoeg  te  eten, met  het gevolg verzwakking,  thuis werden er voor tijdverdrijf veel spelletjes gedaan.

Dan komt de tijd dat hij ook in 1946 in dienst moet, en voor een monteurs opleiding in de Kromhoutkazerne naar Utrecht ging, daarna volgt zijn plaatsing in de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem, waar hij ook bij de M.T. wordt ingedeeld met de bedoeling ook te worden uitgezonden naar Indië, zoals hij zegt waren wij heel onschuldig en onwetend.

 

 

Jan Derksen   

 

Jan verteld als volgt zijn verhaal:

 

Ik woonde 3 minuten vanaf de Menno van Coehoornkazerne, medio 1939 als ik 12 jaar ben, heb ik diverse baantjes in de avonduren gedaan, en in de zomer- vakantietijd koperen brievenbussen- en bellen gepoetst, in de ochtenduren voor de schooltijd bracht ik de krant rond, s’ woensdags middags bracht ik voor de schoenmaker de gerepareerde schoenen naar de klanten en nam dan meteen de schoenen mee, die voor reparatie werden aangeboden. Het gebeurde ook regelmatig dat bij de aanvang van de lesuren  op  school  mij  werd  gevraagd  naar  de  kerk  te komen  om “ lucht te trappen “ voor het stemmen van het orgel, de reden dat ik daarvoor werd gevraagd zou kunnen zijn, dat ik tijdens de les vaak in slaap viel. Zo ging ik ook twee maal per week bij een longarts in Arnhem de sintels uit de oven halen. Dit is nog niet alles want ik had ook nog een baantje bij een poffertjes bakker uit Zandvoort die zomers bij een gerenommeerd hotel stond met zijn kraam en ik de bordjes en schoteltjes ging afwassen en tafels en stoelen opruimen.

Een leuke herinnering is dat ik met mijn broertje vlak voor de St. Nicolaas in 1939 met onze neuzen tegen de etalageramen van V & D stonden gedrukt om naar al dat mooie speelgoed te kijken, en een ( in onze ogen ) oude dame vroeg waar onze belangstelling naar uit ging, mijn broer zei dat hij die spoortrein die in die etalage rond reed zo mooi vond, en ik liet weten helemaal weg te zijn van de mooie stoommachine die daar stond. De dame verzocht ons toen met haar naar binnen te gaan in die zaak, wij moesten haar vast houden om haar in de drukte niet kwijt te raken, om  het  verhaal  kort  te  houden  we  zijn  daarna ook nog naar C & A gegaan en werden daar in geheel nieuwe kleren gestoken, incl. nieuwe schoenen, en wij gingen naar huis met ieder een grote zak waarin onze oude kleren als ook de spoortrein en de stoommachine, bij thuiskomst was de eerste vraag van onze moeder wat die dame met ons had gedaan, maar wij konden haar gerust stellen want er was niets bijzonders gebeurd.

 

Toen ik op veertien jarige leeftijd van school af ging ben ik eerst bij een Apotheker loopjongen geweest met een salaris van 50 cent per week, daarna ben ik bij een bakker gaan werken en daarna op vliegveld Deelen, daar moest ik helpen bij het repareren van barakken, naast dat terrein was een transportdienst van de Duitse Weermacht, waar ik mij vaker ophield , bij die vrachtwagens was ik niet weg te slaan.

 

Ik heb ook nog bij de rubberfabriek HEVEA gewerkt, eigenlijk in het belang van mijn 6 zusters, op aanraden van mijn oude heer moest ik naar mijn werk met veel te grote schoenen want dan kon ik ook nog een paar tennis schoenen mee naar huis nemen.

Toen Arnhem geëvacueerd werd, na de luchtlandingen van 17 September 1944, zijn mijn broer en ik gaan zwerven omdat er bijna niets meer te eten was, en onze moeder was blij met onze distributiekaarten, die wij hadden achtergelaten. Arnhem werd later via Westervoort bevrijd door de Canadezen.

Ik meld mij dan in April 1945 bij de Staf Hoofdkwartier van het Eerste Canadese Veldartillerie. Na circa 4 weken gaven de Duitsers zich over, toen zat ik in Nijkerkerveen en in Augustus vertrokken wij via Huis ter Heide naar Zwijndrecht, daar volgde de Demobilisatie bij dat onderdeel, toen meldde ik me als O. V. W. er bij de 14e Comp. A A T in de Cavalerie kazerne te Breda, daar volgt een opleiding voor kennis- en onderhoud van autotechniek, een autorij opleiding had ik reeds bij de Canadezen gevolgt, daarna is het diploma voor Instructeur Rijopleidingen gehaald in de Ribberdakazerne te Haarlem.            

 

Ik was 18 jaar en kwam in Zandvoort, waar ik voor het eerst de zee zag, en verbijsterd was hoe groot die Noordzee was. Na deze opleiding werd ik geplaatst in Arnhem bij het Regiment Prinses Irene, daar ging ik met de rang van korporaal de rij opleiding verzorgen voor de Prinses Irene mannen die naar Indië zullen worden gezonden, in het begin van 1947 werd mij gevraagd als o.v.w. er met het 4e Bataljon Prinses Irene mee te gaan naar Indië, met de bedoeling chauffeur te worden van de Bataljons commandant Overste Harkema, dat was mij verzocht door de M. T. O. 1e Luitenant v. d. Veen

 

Tijdens het lesgeven gingen iedere ochtend 4 dienstplichtigen mee in een dump auto met rechtse besturing en iedereen was altijd benieuwd waar de reis het eerste naar toe ging want de aspirant chauffeurs kregen om de beurt de kans naar hun ouderlijk huis te rijden en dat werd zeer op prijs gesteld, maar ook werd er op vliegveld Deelen vaak geoefend, daar werd o.a. met de truck een houten uitkijktoren omver getrokken, de kolen waren nog schaars en Jan Derksen kon dat hout thuis best gebruiken. Wat waren de jongens altijd trots als zij de truck bestuurde bij aankomst van hun thuisadres, zo zijn er heel wat boeren erven op - en - af gereden. Als de dienst ten einde liep werd de terugweg naar de Menno van Coehoorn - of Saksen Weimar kazerne aanvaard en zocht ieder weer zijn eigen onderkomen op. Al met al was het een gezellige tijd, alleen had de voormalige commandant, de Kapitein Kelderman, liever dat Jan  in Nederland  zou blijven, maar er was een belofte aangegaan met de

 M. T.O. - A. v. d. Veen dat hij zou mee gaan naar Indië, en een belofte maakt schuld, zodat Jan die ook heeft ingelost.

Op een keer had Jan bijna de Overste van Emden onder zijn truck zitten, volgens van Emden was het de fout van Jan, als het nog eens zou gebeuren zou hij niet mee naar Indië mogen.

Hier volgen nog herinneringen van Jan Derksen !

Medio Maart 1946 stond ik op wacht bij de Menno van Coehoorn- kazerne in een wachthuisje, een stel o.v.w. ers waren bezig met dat huisje heen en weer te duwen tot deze uiteindelijk uit balans raakte en voorover viel, ik had mijn duim steunend aan de trekker van het geweer dat geladen was met scherpe munitie en door de val van het huisje ging het geweer af, er volgde een knal; en een gat in het dak van het huisje, een gebroken vensterraam en ook een gat in de schoorsteen van de winkel die zich tegenover de kazerne bevond. Het leverde mij een hele week zwaar arrest op, hoofdzakelijk omdat de veiligheidspal niet stond zoals het hoorde. Ik woonde toen nog bij mijn ouders en omdat ik zo dicht bij het Militaire Hospitaal woonde werd mij gevraagd of ik genegen was om chauffeur op de ambulance te zijn in de weekenden, dat aanbod heb ik toen aanvaard. Ook in de weekenden werden de maaltijden in de Saksen Weimarkazerne verzorgd voor die militairen die aanwezig waren in de Menno van Coehoornkazerne, ik bracht die maaltijden dan weg “ Om mijn moeder een plezier te doen” want er was altijd teveel eten, vooral gehaktballen, want er waren nog kinderen thuis, en die waren blij met dit voordeel

 

Het was een strenge winter in 1945 / 1946 en er waren bijna geen kolen om de kazerne warm te stoken Wij kregen toen opdracht met 6 drietonners (dump model) naar Heerlen in Limburg te gaan voor het halen van die brandstof. Op de terugweg hadden wij veel pech, de een had een lekkende radiateur, de ander een defecte dynamo en met kunst en vliegwerk werd dat opgelost, in ieder geval hadden wij thuis kolen genoeg !

 

 

Jaap Gravesteijn

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Houtkade nr 5 in Wormerveer, omdat in de jaren 1995 het kontakt met Jaap verloren is gegaan was het niet mogelijk gegevens te achterhalen over de tijd voordat hij in Miltaire dienst kwam.

Jaap heeft wel altijd een dagboek bijgehouden en daarvan heeft hij zo nu en dan een stuk prijs gegeven, hij heeft ook zijn persoonlijke toestemming gegeven daar gebruik van te mogen maken voor dit boek. De breuk van het kontakt met zijn dienstmakkers is gekomen nadat Jaap kennis kreeg aan een nieuwe levenspartner.

Dat werd wel door iedereen betreurd want Jaap wist altijd nog veel te vertellen uit de tijd dat hij met zijn dienstmakkers optrok. Uit de verhalen in dit boek zal dat ook wel blijken.

 

 

Arie Hagen

 

Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de Oost Peterstraat nr 32 a in Arnhem, Arie kwam uit een gezin van 6 kinderen, t.w. drie meisjes en drie jongens, hij heeft nog al wat uitgehaald in de oorlogstijd, hij was vaak op pad om aan voedsel te komen voor het gezin waar ook de grootouders in huis waren, zo had hij ook een keer van een Duitse Militair op het N. S. station van Arnhem een koffer achterover gedrukt waar na het openen veel goud in bleek te zitten ( van de Joden geroofd ? ) hij heeft die koffer uit angst op de plaats waar die gestolen was terug gezet, maar kreeg later spijt de koffer niet ergens verborgen te hebben.

 

 

Cor v. d. Horst

 

Was korporaal oorlogsvrijwilliger en woonde in Amsterdam, omdat Cor is overleden voordat begonnen werd met het schrijven van dit boekwerk, en er ook geen kontakt meer mogelijk is met zijn nabestaanden, zijn er over hem geen gegevens te melden.

 

 

Gerard v. d. Hurk ( had de bijnaam Moppie )

 

Kwam oorspronkelijk uit Heerhugowaard, hij kwam ook als enkele anderen onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort maar ging later ook over naar het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem om daar te worden ingedeeld bij de M. T. van de Staf. Cie.

Moppie bleek al gauw een buitenbeentje te zijn, waarvoor hij door velen   op de vingers werd getikt, daar werd door Moppie om gelachen. De wijze waarop hij zijn uniform droeg was slordig, hij had een flinke bos haar en daar paste nauwelijks zijn baret op, en die droeg hij dan ook slechts als het niet anders kon zoals op het appél. Het was een bijzonder mens.

Wim Uitentuis verteld hierover het volgende: Alle soldaten hebben natuurlijk hun persoonlijke eigenschappen, maar twee van ons vielen wel bijzonder op en dat waren Gerard v.d. Hurk - met de bijnaam Moppie, en Arie Jongenelen ook wel Sarreltje genoemd.

Beide hadden als eigenschap een hekel te hebben aan het marcheren, iets wat in de eerste periode dikwijls gebeurde, vaak waren het afstanden van tien kilometer of langer. Als de twee genoemden er lucht van kregen dat er weer zo’n marsoefening zou plaats vinden dan melden zij zich vrijwillig voor een kamerwacht - dienst. Er was nl.. een regel dat er altijd iemand zo’n dienst kreeg, die dan de verantwoording had over de spullen op de kamer, terwijl de anderen mee gingen op een oefening, in dit geval dus een marsoefening. Maar het lukte beide niet altijd voor deze dienst in aanmerking te komen en als de heren dan moesten meelopen gebeurde het steevast dat zij het peloton niet konden bijhouden en langzaam achteraan kwamen te lopen en bij een moment dat het even mogelijk was plotseling uit het zicht verdwenen.

Het gebeurde bij een tamelijke lange mars, toen Moppie zich had weten te drukken, en het peloton bijna terug was bij de kazerne er een vrachtauto voorbij reed en wij achterop de klep van die wagen Moppie zagen zitten, iedereen brulde van het lachen tot ergernis van onze meerderen.

 

 

Egbert de Jager                                                                                                                               

Was Sergeant oorlogsvrijwilliger Hoofd werkplaats en kreeg na de 2e Wereldoorlog zijn opleiding in Engeland, tijdens de opkomst in Arnhem van het 4e Bataljon Prinses Irene was hij Sergeant en behoorde bij het kader dat de M. T. moest opleiden, en ging ook als zodanig mee naar Indië.

Hij werd geboren op 12 Mei 1925 te Nes in Friesland, en op het moment dat hij in militaire dienst gaat woonde hij in Ooster Nijkerk op het nr. J 172. Hij was een jongen in een gezin van tien kinderen, zijn vader was vaste arbeider bij een boer die een gemengd bedrijf had.

 

Na de lagere school ging Egbert als leerling knecht in een smederij in Nes werken, daar mocht hij het vak leren, dat inhield dat er de eerste tijd niets werd verdiend, later werd dat 50 cent per week. Twee avonden per week volgde hij ook nog een cursus op de Ambachtsschool in Dokkum.

In 1940 werd hij knecht bij smid Scherjon in Ee, hij bleef daar vijf jaar en was de laatste acht maanden van de 2e Wereldoorlog volledig inwonend, en als onderduiker kon hij ook gewoon aan het werk blijven.

 

Direkt na de bevrijding meldt Egbert zich als Oorlogs vrijwilliger en vertrekt op 30 Juni 1945, samen met andere vrijwilligers uit omliggende dorpen, uit Dokkum naar Mill.

Vandaar gaan ze naar Engeland voor hun opleiding, in Februari 1946 mag hij een week met verlof omdat zijn zuster gaat trouwen, en in November 1946 komt hij weer in Nederland en wordt ingedeeld bij de M.T. van het 4e Bataljon Prinses Irene, die gelegerd is in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem. Dit wordt voor Geertje, zijn toenmalige meisje, een mooie tijd ze hebben verkering en Egbert komt ieder weekend naar huis.

Na ruim een half jaar in Arnhem te zijn geweest volgt op 4 Juni 1947 de reis met het MS. Tabinta die hen naar het voormalig Nederlands Indië voert, wetenswaardigheden over die tijd zijn verloren gegaan want op het moment dat dit boek wordt geschreven is Egbert overleden.

Egbert komt na bijna drie jaar Indië weer behouden thuis, de vrijwilligers mochten namelijk eerder naar huis dan de rest van het Bataljon.

 

 

Arie Jongenelen

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Kruisweg nr 680 te Hoofddorp , Arie was de jongste uit het gezin, hij had 10 broers en 6 zusters.

De ouders hadden een tuinderij op het zelfde adres, waar later de kinderen  voor een deel in opgroeiden. Op die tuinderij werd eerst groenten geteeld die op de markt in Haarlem werd verkocht, zo werd er voor de handel ook groenten en tomaten op veilingen in Aalsmeer en Ter Aar ingekocht. Dré, zoals Arie thuis werd genoemd, beschikte al op jonge leeftijd over een handelsgeest, want hij had toen al een eigen huisje waar hij de groenten voor de verkoop gereed maakte, en door zijn vader werd verkocht. Aangaande het verdere verloop van dit gezin is te lezen in hoofdstuk 08.                                                                                            

 

Arie, kwam ook in dienst bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort, en werd later overgeplaatst naar het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem om daar te worden ingedeeld bij de M. T. van de Staf Compagnie.

Bij het stuk dat over Moppie werd beschreven kwam ook de naam Arie Jongenelen voor, zoals gezegd was het ook een bijzonder figuur, hij mocht ook graag iemand op de kast jagen.

Hij kon het doen met een ernstig gezicht zodat je dacht dat hij het meende. Hij kon ook goed slapen. Op een zekere dag vertelde Arie aan een korporaal dat als hij op een ruwe wijze gewekt zou worden dat de mogelijkheid bestond dat hij dan met een schok overeind zou komen, zijn hoge dienstschoen onder zijn bed zou pakken en daarmee om zich heen zou slaan.

De bewuste korporaal heeft Arie dan ook lange tijd zeer voorzichtig gewekt, en dan lag Arie met een schijnheilig gezicht te grinniken. Zoals gezegd kon hij ook erg goed slapen, zo vast dat hij bijna niet wakker was te krijgen. Vooral als hij s’ avonds een borrel had gedronken.

Wim Uitentuis kan zich nog herinneren dat zij Arie op een ochtend met een paar riemen hebben vastgebonden aan zijn bed, en Arie met bed en al overeind tegen de wand hebben geplaatst, terwijl Arie gewoon door bleef slapen.

Op een andere keer is hij door een man of vier met zijn bed en al buiten in de sneeuw gezet, en toen bleef Arie ook gewoon doorslapen.

 

 

Gerard van Leeuwen

 

Was  korporaal  oorlogsvrijwilliger  en  woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de J. Fransstraat nr. 83 B in Rotterdam, hij heeft later blijk gegeven geen interesse te hebben in dit boek, zoals hij liet weten zijn het zijn eigen memoires wat hij in voormalig Nederlands Indië heeft beleefd, en daar heeft een ander niets mee te maken.

 

 

Henk   Meinderts

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Kleine Buuren nr 126 teWarga -  Friesland.

 

 

Luc Paardekooper

 

Was dienstplichtig soldaat, Geboren 4 Juni 1926 a/d Apeldoornseweg. Op de Rozendaalse Golf Club woonde en werkten zijn ouders, ook de grootouders woonden daar, vader was o.a.. Caddy meester. Luc had alleen een vier jaar oudere broer, zij woonden nog al afgelegen van de stad onthouden van electriciteit, gas en waterleiding. Op jonge leeftijd moest Luc al helpen op de Golfbaan, en bij het verbouwen van een stukje land voor hun levensbehoefte, vandaar zal later wel de interesse zijn ontstaan voor een volkstuin.

De lagere school ging hem niet zo goed af, maar daaren tegen had hij twee rechtse handen.

Na het doorlopen van de school komt hij in dienst bij de Gemeente reiniging, daar heeft hij veertig jaar gewerkt tot aan zijn pensioen met een onderbreking voor zijn militaire dienstplicht.

Hij was één van de gelukkigen die na zijn diensttijd terug kon komen bij zijn werkgever.

Luc kwam op voor zijn dienstplicht in de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem, dat werd later de Saksen Weimarkazerne, zijn dienstmakkers hebben hem ervaren als een goed gehumeurde, eerlijke en fijne kameraad, hij is zijn dienstmakkers ook altijd trouw gebleven.

 

 

Eef Scheerder

 

Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de Daendelstraat nr 7 te Arnhem, hij was een jeugd / schoolvriend van Arie Hagen. Eef heeft na zijn Indië tijd te kennen gegeven niets meer te doen willen hebben met zijn dienstkameraden, later als er na het overlijden van Arie Hagen  kontakt ontstaat tussen Jan Baas en de dochter Corrie Hagen komt het zover dat Corrie een bezoek brengt aan Eef Scheerder en hij beloofd wat te zullen schrijven voor dit boek, helaas komt hij te overlijden in Augustus 2001 zonder dat hij de kans heeft gekregen nog iets aan dit boek toe te voegen.

 

 

Joop v. d. Stelt / korporaal beheerder van het B.O.S. depot (brandstof en smering)

 

Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat in de Emmastraat nr 21 te Voorburg, hij was in dienst bij het Staatsbedrijf der PTT toen hij zich aanmeldde voor vrijwillige dienstneming met de wetenschap dat de mogelijkheid bestond naar Indië te worden gestuurd, hij heeft wel gedurende hele militaire diensttijd zijn salaris bij de PTT doorbetaald gekregen, althans een groot gedeelte daarvan.

 

 

Victor Strack van Schijndel

 

Was dienstplichtig soldaat, geboren te Rotterdam op 10 Juli 1926 , op het moment dat hij in militaire dienst ging woonde hij aan de Centuurbaan nr 28 B, hij was het 6e kind uit een gezin met 7 kinderen. Groeide op in de Rotterdamse volkswijk Crooswijk, en had tot 1940  een onbezorgde jeugd, zijn wereld veranderde na de inval van de Duitsers. Hij maakte het bombardement van Rotterdam van zeer nabij mee, het ouderlijk huis ontsnapte aan de massale branden doordat op het laatste moment de wind draaide.

Door de oorlogsjaren veranderde het “spelen op straat” nog al drastisch, dat werd nu spelen in het puin en “ vlotjevaren ”  in de kelders van de verwoeste Amsterdamse bank aan de Coolsingel. Ook werd hier de term “ puinvoetbal “ geboren.

Tussen de bedrijven door werden de lagere en middelbare school doorlopen zonder al te veel problemen. Typisch was dat van de weinige gebouwen, die rond de Goudsesingel lagen en gespaard bleven, zijn school er één van was.

In 1944 kwamen de razzia’s op gang waardoor veel landgenoten aan de  “ Arbeitseinsatz “ ten offer vielen, maar met enig geluk wisten de ouders samen met Vic en zijn oudste broer daar aan te ontkomen en waren vanaf die tijd gedwongen onder te duiken. Daar kwam begin 1945 een einde aan toen Vic en zijn broer werden opgepakt en in het concentratiekamp Amersfoort belandden. Ondanks dit onfortuin hadden zij weer geluk want toen de trein hen naar het concentratiekamp Neuengamme zou vervoeren werden zij gebombardeerd, daardoor bleven zij de ellende van het concentratieleven bespaard en konden tot de bevrijding in Nederland blijven.

Na de oorlog volgde Vic nog enkele administratieve cursussen en werkte als boekhouder bij een Rotterdams transportbedrijf, en behaalde daar ook zijn rijbewijs. Op 7 November 1945 meldde ook hij zich in de Menno van Coehoornkazerne in de wijk Klarendal te Arnhem, en daar begon zijn militaire loopbaan.

Vic kwam terecht bij het 4e Bataljon Prinses Irene, en werd ingedeeld bij Ondersteunings compagnie, en wel bij het Infanterie pionierspeloton onder het commando de 1e Luitenant Kerssemakers. Na diverse opleidingen komt het Inschepingsverlof, en daarna inscheping op het m.s. Tabinta                                              

 

Harry Timmermans

 

Geboren op 24-03-1921, was Sergeant oorlogsvrijwilliger, m.t.o.o. Plaatsvervanger van 1e Luitenant A. v.d. Veen, op het moment dat hij in militaire dienst gaat woont hij in de Fuchsiastraat 154 in den Haag. Tijdens de 2e Wereldoorlog heeft hij deelgenomen aan het “verzet”.

Al in een vroeg stadium weet hij in Engeland te komen en meldt zich als O.V.W. er ( Oorlogsvrijwilliger ) in 1945 wordt hij ingedeeld bij de D.N.V.N. in Keseick alwaar een chauffeurs opleiding wordt gevolgd.

Daarna krijgt hij een technische opleiding voor alle militaire voertuigen, incl. rupsvoertuigen.

Terug in Nederland krijgt hij de rang van Sergeant en wordt in de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem instructeur bij de M.T. van het 4e Bataljon Prinses Irene.

Met de rang van Sergeant gaat hij mee op de Tabinta naar voormalig Nederlands Indië, voor de M.T. manschappen is vanaf die tijd zijn roepnaam  Timmy, en wordt in het algemeen ervaren als iemand die niet op zijn strepen staat                                                                        

 

Tommy Tol

 

Was dienstplichtig soldaat, geboren op 1 Januari 1926 te Volendam, alwaar hij op het moment dat hij in militaire dienst ging woont in de Haringstraat nr 8. Het was ook een echt Volendam’ s gezin waar Tom deel vanuit maakte en bestond uit 9 personen, twee zussen, en twee broers liepen in de traditionele Volendamse klederdracht. De mannen van dit huishouden werkten allemaal in de vis.

Toen Tom een jochie van 12 jaar was ging hij als fietsjongen naar Amsterdam om daar de visbestellingen rond te brengen, dat gebeurde met een transportfiets met een grote mand voorop. Om bij de trappers te kunnen komen had men houten klossen aan de trappers gemaakt. Voor zo’n jochie viel dat niet mee, vooral in de winters die toen streng waren. Natuurlijk was het niet zo druk in die tijd.

De laatste jaren van de 2e Wereldoorlog werkte Tom in de visrokerij van Volendam. Ook zijn oudere broers werkten daar, maar bij een razia sliepen zij in de rokerij, maar soms ook wel in de eenden hokken even buiten Volendam, het stonk daar vreselijk, het slapen in de rokerij was dan toch even prettiger. Toen de oorlog was afgelopen kon Tom dus weer zijn oude werk in Amsterdam oppakken, maar zoals bij alle andere jeugdige personen was die tijd voorbij gegaan zonder daar enige vreugde aan te beleven.

 

Toen kwam de brief waarmee te kennen werd gegeven dat Tom gekeurd moest worden voor de militaire dienst, en later moest opkomen in Amersfoort bij het Artillerie Meetregiment, zoals de andere waarmee Tom later werd overgeplaatst naar Arnhem om te worden ingedeeld bij de Staf Compagnie van het 4e Bataljon Prinses Irene en bij de M.T. kreeg hij zijn chauffeurs opleiding.

 

 

Wim Uitentuis

 

Was dienstplichtig en woonde in Edam aan de Graaf Willemstraat Nr. 15 , toen hij in militaire dienst kwam. Zijn ouders waren veehouders en Wim werd daar op acht jarige leeftijd al ingezet om het melken te leren en toen hij die kunst onder de knie had moest hij voor- en na schooltijd helpen op de boerderij bij het melken. Dat betekende s’ morgens vroeg opstaan en s’ avonds bijtijds naar bed. De veestapel was niet groot, de twaalf koeien brachten amper genoeg op voor een gezin van vijf personen, daarom was vader Uitentuis begonnen met een kleine melkwijk onder de buren. Maar de melk was soms zo vers dat de vrouw van de bakker er zich soms over beklaagde en vroeg of de melk soms “Opgewarmd” was.

Wim en zijn drie jaar oudere broer Arian moesten om de beurt s’ avonds de melk bij de buren bezorgen, het was goed leven op de boerderij, s’ winters was het altijd lekker warm in de koeien stal en zomers waren zij vaak op het land, in de buitenlucht. De boerderij was echter gelegen midden in de stad Edam, daarom moesten ze op de fiets naar het land om te melken, het was maar tien minuten fietsen maar toch altijd bezwaarlijk met het oog op het slepen van de emmers en dergelijken. Over slepen gesproken, zomers moest het hooi van het land worden gehaald en naar Edam worden gebracht, dat ging met paard en wagen maar soms gebeurde dat ook wel eens met een z. g. koeboot, ook dat was een hele sleperij.

Zo ook als de koeien in de winter op stal stonden, dan moest de mest en de gier naar het land worden gebracht per paard en wagen, of soms per boot, als het ijs sterk genoeg was werd gebruik gemaakt van een grote slee met daarom een grote kist van ongeveer drie kub. inhoud . Wim en zijn oudste broer stonden dan op scherp door middel van een paar schaatsen, het is wel eens gebeurd dat het totaal gewicht van de slee te groot was en door het ijs zakte, dat gebeurde ook wel eens als de boot met teveel mest beladen was, die koeboot lekte ook een beetje waardoor deze al gauw te diep kwam te liggen. Ook werd het hooi soms met die boot binnen gehaald, dat was altijd een erg warme tijd, die begon in midden Juni en duurde in de regel tot half Juli. Het hooioogsten werd hoofdzakelijk met de hand gedaan, eerst het gras maaien, daarna keren en schudden, dan inharken en hopen maken. Wim kreeg samen met mijn broer Arian speciaal vrij van school om mee te helpen bij dit werk, de bezigheden die verband houden met dit werk, daarvoor is een speciale handigheid vereist, die hadden wij van jongs af aan geleerd en zij konden dan ook tegen een volwassen persoon op. Het thuis rijden van het hooi was altijd leuk, wij mochten dan boven op het hooi meerijden. Als het hooi wat vroeg in het jaar was binnen gehaald begon het wel eens te broeien en dat was een prettige aroma. Als het te heet werd moest er iemand bij komen met een speciale temperatuur meter, dan werd de temperatuur in het midden van de hooiberg opgemeten, en als deze te hoog was werd “Spitten” aangeraden om een e.v.  brand tegen te gaan. Er werd dan een gat gegraven midden in de hooiberg met behulp van een graaf, dat is een soort spade die in een punt uitliep en erg scherp was. Hoewel op jonge leeftijd moest worden bijgesprongen met al deze werkzaamheden ging Wim en zijn broer toch ieder jaar logeren bij een oom en tante, Wim ging dan een paar weken naar Alkmaar, en de broer naar Halfweg.

Maar voordat zij weggingen moest altijd het land worden geslecht, dat wil zeggen : De stront moest op hopen worden gebracht door middel van een “ Slechtvork ”, maar ook moesten wij nog “ Stekelen prikken “ dat hield in dat alle stekels uit de grond moesten worden getrokken.

De jongste zoon van het gezin was Cees, hij werd geboren in 1930, ondanks dat hij het melken ook op jeugdige leeftijd had geleerd werd hij niet zo vaak bij werkzaamheden op de boerderij aan het werk gezet, hij ging later naar de ULO en kreeg daardoor een baan op een kantoor.

Wim en zijn broer Arian verlieten de Openbare Lagere School op 14 jarige leeftijd en gingen toen full time op de boerderij werken. Ondertussen had vader Uitentuis zijn melkwijk uitgebreid tot een zaak in zuivelprodukten en had er zelfs een klein winkeltje bij, hij was niet meer nodig op de boerderij, want dat konden zijn twee zoons wel af. Wim was  na het verlaten van de lagere school een vier jarige cursus gaan volgen op de Landbouw winter school te Purmerend en slaagde voor zijn diploma. De boerderij was eigenlijk te klein voor een volledige dagtaak en daarom werd er ook gewerkt op omliggende boerderijen. Wim werkte ook als stoker op het Stoomgemaal waar het water op pijl werd gehouden. Dat was niet zo makkelijk met de spertijden die was ingevoerd tijdens de bezettingstijd. Het gebeurde wel eens dat het 14 dagen achter elkaar had geregend en dan moest er 24 uur per dag worden gemalen. Het probleem was dat er maar twee ploegen waren die om beurten 8 uur werkten, maar dat liep in de war door die sper tijd. Er werd toen overgegaan op 12 uur achtereen werken en dan 12 uur vrij, maar toen dat gebeurde was het alleen maar werken en slapen, en was iedereen blij toen er een regen vrije tijd kwam. Het werd later ook te gevaarlijk vér van huis te werken want als er onverwachts razzia’s kwamen werd het te link, thuis was er een geheime schuilplaats in het midden van de hooiberg en daar was het veiliger. Arian was in het bezit van een Ausweis, maar het was toch raadzaam uit de buurt van die Moffen te blijven.

Edam ligt midden in Waterland, dat betekend dat het land van de boerderij Uitentuis omringd was door grachten en sloten en er s’ winters volop gelegenheid was om te schaatsen. Na een paar goede nachtvorsten waren de gebroeders Uitentuis in de regel als eersten op het ijs te vinden. In de jaren 1940 - 1945 was Wim zo goed vertrouwd op de schaats dat hij de vijf dorpen tocht afreed, met afstanden van 60 - tot 120 km. De tocht van 120 km op 18-01-1942 was wel de zwaarste , het was gruwelijk bij zes tot acht graden vorst bij een felle Oosten wind.

Het was dan ook voor menig rijder niet haalbaar. De start was om 8 uur in de ochtend te Purmerend, het was nog donker, via Monnickendam ging het naar Edam en Hoorn, dan voor de wind Westwaarts naar Alkmaar, vervolgens naar het Alkmaardermeer in zuidelijke richting naar de Zaanstreek en tenslotte in het donker, tegen de wind in naar Purmerend.

Het bracht een medaille op maar die tocht zal men niet gauw vergeten. De gebroeders Uitentuis waren geen vreemden op sportgebied, zij waren ook lid van het Keurkorps Purmerend en omstreken dat in die dagen een hele eer was. Wim is dankbaar dat hij de sportactiviteiten altijd heeft blijven bijhouden, het heeft hem ook altijd goed gedaan.

Dat leven op de boerderij ging gedurende de Tweede Wereldoorlog gewoon door, hoe groot de problemen op het laatst ook werden, maar toen Wim zo 18 a 19 jaar werd zag hij eigenlijk weinig toekomst op die boerderij, hij zag er dan ook helemaal niet tegenop toen hij als dienstplichtig militair werd opgeroepen.  

 

Het zelfde verhaal als enkele voorgangers, ook hij kwam in dienst bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort om later te worden ingedeeld bij het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem waar hij een chauffeursopleiding kreeg bij de M. T. van de Staf Compagnie.

 

Zoals bekend waren er in Arnhem weinig drie tonners ter beschikking voor de opleiding van de chauffeurs, een deel van de manschappen van de M. T. hadden al een burgerrijbewijs, voor die personen werd instructie gegeven hoe met militaire voertuigen moest worden omgegaan, in het algemeen golden ook andere gebruiksnormen dan in het burgerleven.”

Zo kreeg ik al gauw te maken met de rijinstructeur korporaal Derksen die mij in zijn Arnhems dialekt kwam vertellen dat we een stukje gingen Rije.  Er stond een ¾ tonner gereed en daar zou hij me het schakelen mee laten oefenen, want zoals hij zei was dat mijn zwakke kant.

Er werd begonnen op het exercitie terrein, daar moest ik op - en terug schakelen waarbij gebruik werd gemaakt van “ Dubbel clutschen en tussengas geven “, dat terugschakelen was het moeilijkst maar na een tijdje kreeg ik het aardig onder de knie en vond de instructeur het goed dat wij het kazerneterrein verlieten en richting Amsterdamsestraat op gingen, het ging verder zonder enig probleem, waarvoor nog bedankt Jan Derksen !

 

Het was in de winter van 1947 toen het verlof van Wim ten einde was en hij met het Boemeltje vanaf Edam naar Amsterdam zou gaan, Tommy Tol stapte in Volendam op en Wim uiteraard te Edam. Het had de laatste dag flink gesneeuwd en onderweg kwam er veel stuifsneeuw dat zich zo ophoopte dat de tram vast kwam te zitten. Lopend hebben ze toen het laatste stuk naar Amsterdam afgelegd, het was inmiddels nacht geworden en het was alleen nog mogelijk met een trein tot Utrecht te komen en daar in een kazerne te overnachten.

De volgende morgen schreef de Officier van Piket van de kazerne een bewijsje uit waarmee kon worden aangetoond dat die overnachting daar noodgedwongen had plaats gevonden, de conducteur van het tram had een bewijsje uitgeschreven. Bij aankomst in de kazerne te Arnhem werd er dan ook wel naar die bewijsstukken gevraagd.

 

Wim verteld verder:

Zo werd er ook in groepsverband geoefend, kort voor ons inschepings verlof kreeg Toon Baltus een rijopdracht om met Tommy Tol en mijn persoontje naar Groningen te gaan en daar te overnachten om daarna de volgende dag via Friesland, afsluitdijk, Noord Holland en Utrecht weer naar Arnhem terug te rijden. Dit moest een rijles worden vooral voor Tommy en mij, want Toon was immers al een geoefend chauffeur vanuit het burgerleven. Toon was dus ook verantwoordelijk. Het was echt een opdracht naar onze zin, het was de strenge winter van 1947 en mooi voorjaarsweer, er was in die tijd ook weinig verkeer op de weg, en om beurten zaten wij achter het stuur. Aangekomen in Groningen zochten wij de aangewezen kazerne op en gingen daar overnachten, dit leverde ook geen enkel bezwaar op. De volgende dag waren wij al vroeg op pad, wij hadden lunchpakketten mee gekregen voor onderweg. De rit verliep voorspoedig en op de afsluitdijk kwam het idee eerst maar naar Castricum te gaan, en daarna via Volendam en Edam naar Amsterdam, maar omdat dit teveel tijd in beslag zou nemen werd er maar besloten Castricum te vergeten en naar Volendam te rijden en thuis bij Tommy op de koffie te gaan, natuurlijk wist Tommy goed de weg en parkeerde de drie tonner vlak voor de deur van zijn ouderlijk huis, en dat versperde bijna de hele rijbaan. Bijna alle buren in de straat kwamen naar buiten om ons te begroeten, de koffie bij moeder Tol smaakte goed, er moest op z’n Volendams ook nog een koekie bij, dat betekend daar niet één koekie maar een hand vol !

Wij gingen eigenlijk veel te gauw weer weg maar moesten op onze tijd letten, nu moest ik achter het stuur en wij reden door de nauwe straten van Edam naar de Graaf Willemstraat, en ook hier hadden wij veel bekijks, want sinds de bevrijding had men hier zoiets niet meer gezien.

Vader Uitentuis was zo trots als een pauw en kon er bijna niet bij dat zijn zoon met zo, n kolossale wagen kwam aanzetten, hij was zelf vroeger ook in militaire dienst geweest en was daar ingedeeld bij de afdeling wielrijders, en was daarom trots dat zijn zoon het zover geschopt had. Ook hier werd weer spoedig afscheid genomen en het was Toon die ons naar Amsterdam bracht, dat was hem wel toevertrouwd ons door Amsterdam te rijden want in zijn burgerleven kwam hij daar dikwijls met de vrachtwagen. We reden langs de grachten en er was zeker markt geweest want men was de stalletjes aan het afbreken, hier en daar lagen dozen en kisten en overal stonden handkarren en bakfietsen zodat daar met moeite tussendoor was te komen. Ik merkte ineens dat er iets werd geraakt en zei : Toon je hebt iets aangereden en keek achterom. Niet omkijken zei Toon, doe maar net of je neus bloed, we rijden gewoon door en zo kwamen wij zonder verdere akkefietjes in Arnhem. Wij hadden een pracht rit gehad, alleen dat geval op die gracht in Amsterdam, maar misschien zouden wij daar niets meer van horen ? Echter een week later moest Toon op het matje komen bij onze M. T. O.  en die zei tegen Toon dat er een klacht uit Amsterdam was gekomen, en vroeg of hij daar ook was geweest want de klacht betrof het beschadigen van een handkar.

Ikke zegt Toon, wij zijn wel in Amsterdam geweest maar als dat zo zou zijn dan hadden wij het toch wel gehoord, dat heeft die vent uit zijn duim gezogen, die handkar was natuurlijk al beschadigd en die vent dacht ik neem gauw het registratienummer op en probeer de Regering voor de kosten te laten opdraaien. Wij hebben er nooit meer iets van gehoord, maar natuurlijk was er wel iemand gedupeerd !

 

 

Albert v.d. Veen

 

Was Reserve Officier / 1e Luitenant M. T. O.  geboren 18 Januari 1918 te Amsterdam / Buiksloot, tijdens zijn Indië periode is zijn huisadres in de Korte Mijdrechtstraat te Amsterdam.  Hij kwam in 1936 in militaire dienst en was Sergeant bij de Infanterie. Kreeg daarna zijn opleiding bij de K. M. A. en werd Vaandrig. Tijdens de 2e Wereldoorlog heeft hij ook in het verzet gezeten, daarover is nog een anekdote te vertellen. Tijdens één van die verzetsdaden had men voor het transport een vrachtauto nodig, er werd daarvoor in Amsterdam uit de garage van de firma D. P. de Rond een verhuiswagen ontvreemd en nadat de klus was geklaard plaatste men die wagen in de Staatsliedenbuurt, dat bedrijf waar die verhuiswagen toe behoorde was het zelfde bedrijf waar Jan Baas in dienst was en hij kan zich nog herinneren dat die bewuste wagen verdwenen was en na twee dagen terug werd gevonden in die buurt zoals beschreven. Na de oorlog, toen wij bevrijd waren, kwam v.d. Veen als reserve Officier in militaire dienst en kreeg zijn verdere opleiding in Engeland, waarna hij in 1946 geplaatst werd als M. T. O. bij het 4e Bataljon Prinses Irene en zoals alle anderen van deze groep in 1947 vertrok naar het voormalig Nederlands Indië                                                                                                    

Gijs Vermeulen

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde in Huissen ( Gld.) op een boerderij, gelegen aan de G 77, hij is opgegroeid in de agrarische sector, zoals hij laat weten met veel plezier. Samen met ouders, zusters en broers waren zij dagelijks bezig met de hoofdtak van een gemengd bedrijf.

Zoals alle kameraden die in dit boek beschreven zijn moet ook hij er aan geloven en opkomen voor zijn militaire dienstplicht in November 1946, eerst wordt hij geplaatst in de Saksen Weimar kazerne voor een opleiding bij de infanterie, daarna komt ook hij bij de Staf Compagnie en wordt ingedeeld bij de M.T. waar een chauffeursopleiding volgt.

 

 

Ton Weterings

 

Was dienstplichtig korporaal automonteur en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de Rochussenstraat nr 107 in Den Haag, zat ook al tijdens zijn burgerleven in het automobielvak, kreeg in Indië de tijdelijke rang van Sergeant toen Sergeant de Jager naar Holland terug ging. Ton verteld over zijn levensbeschrijving, voor hij in militaire dienst kwam, het volgende:

Als jongste telg uit een gezin van 6 personen, t.w. twee oudere broers, en oudere zuster, groeide ik vanaf 1926 op in een Haagse volkswijk, Mijn vader was in dienst bij de Nederlandse Spoorwegen als rangeerder, en mijn moeder bestuurde het gezin. De jonge kinderjaren bracht ik door van 1930 t/m 1932 bij de zusters op de bewaarschool, zoals dat toen werd genoemd. Daarna kwam ik op een Katholieke lagere school, die ik weer verliet in 1939. Tijdens die schooljaren vroeg mijn moeder wel eens wat ik later wilde worden, en omdat in die tijd de auto’s en fietsen mij aantrokken, en vrachtwagens die onder anderen kettingaandrijving hadden, alsmede fietsen maar ook stoomwalsen die werden gebruikt voor de wegenbouw, was mijn keuze in die richting. Tijdens de vakantie op de lagere school reed ik vaak mee met een expediteur / bode dienst waarvoor ik s’ morgens rond half acht met mijn pakje brood al op het betreffende voertuig stapte en richting Lisse, IJmuiden, Beverwijk en Zaandam reed om ook bij alle tussenliggende plaatsen goederen te bezorgen. Ook hielp ik vaak bij het bezorgen van de Katholieke illustratie, bladen van Sjors en Frederik Fluweel. Daarna ben ik lid geworden van een voetbal vereniging, eerst speelde ik op de zaterdag maar in de hogere klassen ook op Zondag, maar pas na 12.00 uur want eerst was er de plicht om naar de kerk te gaan.

In mijn schoolrapporten stond vermeld dat ik graag voetbalde, dat kwam ook omdat ik vanaf de 5e klas tijdens de pauze van een kwartier altijd ging voetballen en dat gebeurde op het voet bal speelpleintje waar ik dan heen vluchtte, na dat speelkwartier kregen wij handenarbeid, maar het voetballen vond ik veel belangrijker. Op de route van school naar huis kwam ik langs mijn oom die schoenmaker was, die hielp ik dan met het poetsen van de schoenen, en ging die ook bezorgen, ik poetste ook altijd mijn eigen kaal getrapte schoenen zodat ik keurig thuis kwam. Bij dat voetballen trapte je ook wel eens een bal in een dakgoot, ik klom dan langs de regenpijp naar boven en ben ook wel eens door een politie agent gesnapt die mij met zijn Harley Davidson mee naar het bureau nam, want voetballen op de openbare weg was verboden. Mijn moeder die dan op dat moment meestal in de keuken bezig was met de maaltijd moest mij dan komen ophalen, en dat werd niet in dank afgenomen en leverde dan ook een pak slaag op, ik moest op de volgende vrije woensdagmiddag dan ook thuis blijven.

Na de lagere school te hebben doorlopen ging ik naar de Ambachtsschool, dat was in September 1939. Daarna brak ook de oorlog uit. De afstand van huis naar die school was zo ongeveer 3 km, en omdat ik tussen de middag naar huis ging maakte ik de wandeling 4 keer per dag, want een fiets hadden wij toen niet, dat was een luxe. Ik had dus gekozen voor het vak Automonteur / Rijwielhersteller waarbij ook het smid vak werd geleerd, daarvoor moest je tijdens je smeedbeurt op de pedaal van een aanjager trappen om zodoende het vuur aan te wakkeren. Je moest wel opletten dat het ijzer niet verbrande want dan kreeg je een oplawaai van de leraar, die ook bokser was. Toen ik mijn diploma had gekregen kwam ik in dienst bij de firma Beers in Rijswijk, dat was de dealer van de Diamond T. trucks en de JAWA motorrijwielen, tijdens de eerste periode kreeg ik de beschikking over een fiets, want na het werk moest ik ook nog naar de avondschool. Het werk in die garage bestond toen hoofdzakelijk uit het monteren, c.q. plaatsen van gasgeneratoren die gestookt werden met hout en antraciet. Daarvoor moesten ook de nodige filters en andere apparatuur worden aangebracht, ook werden er met de hand asbest pakkingen vervaardigd. Als er tijdens werktijd de sirenes gingen loeien ten teken dat het luchtalarm was dan moesten wij uit die omgeving weg vluchten omdat naast ons bedrijf de vliegtuig fabriek was van Pander, en dat kon altijd een doel zijn om daar te bombarderen. Er reden enkele trucks voor de voedsel voorziening, de overige werden in de loop van de tijd door de bezetter in beslag genomen. Wij kregen middag eten in het bedrijf en dat werd gehaald bij de gaarkeuken, dat gebeurde met de bakfiets hetgeen wij om beurten moesten doen. Na etenstijd moesten de gamellen worden schoongemaakt en terug gebracht naar die gaarkeuken, ook moest het bestek en de borden worden schoongemaakt en netjes opgeborgen, ieder kreeg eens in de vier weken een beurt. Een bijzonder detail wil ik nog vermelden, als je b.v. een boortje brak tijdens het boren werden de kosten van je loon afgehouden, dat was zo ongeveer 35 cent. Op Dolle Dinsdag, dat was op 5 September 1944, werden de voertuigen die in de garage stonden door het personeel onklaar gemaakt en toen begon een tijd van onderduiken, dat was een slechte periode, velen moesten zich schuil houden tot na de bevrijding.

 

In aanvulling op dit verhaal wil Jan Baas nog even het volgende kwijt, zoals hij eerder heeft beschreven was hij in dienst bij een Internationaal Transport bedrijf, dat bedrijf had in het begin van de oorlog al een Diamond T truck gekocht bij Beers, en na de oorlog gebeurde dat nog vijf keer, toen Beers ook de dealer van de Scania Vabis werd leverde zij ook een serie van dit merk, later werd het merk veranderd in Scania, dit bedrijf was dus het zelfde bedrijf waar Ton zojuist over heeft geschreven, en nu wil het geval dat Jan Baas daar ook vele dagen heeft doorgebracht om de aangekochte nieuwe trucks gereed te maken, en aan te passen voor het Transportbedrijf waar hij werkte, daarna bracht hij de chassis naar carrosserie bedrijven voor de opbouw, maar dit alles gebeurde natuurlijk nadat Ton daar niet meer in dienst was.

 

In die oorlogsjaren hadden de Nederlandse militairen veel indruk op Ton gemaakt, ook zijn ooms werden als buitengewoon dienstplichtigen opgeroepen om het land te verdedigen, zij moesten nabij de Moerdijk in stelling gaan. Na de bevrijding kregen wij te maken met onze bevrijders, daar had Ton veel aandacht voor, ze werden ook met veel gejuich binnen gehaald.

Ton schrijft verder: In Augustus 1945 ben ik van werkgever gaan veranderen en kwam bij de firma Blansjaar, die later ook de eerste Nederlandse D.A.F. dealer werd. Mijn loon was toen f.27.50 per week, het waren 6 werkdagen, tegen de tijd dat ik werd opgeroepen voor de militaire dienstplicht was mijn loon f.32,50. Er werden in dat bedrijf alle merken gerepareerd, zowel luxe als vrachtwagens. Ongeveer in September 1945 kreeg ik kennis aan mijn meisje, dat later mijn echtgenote werd. Ik was op dansles en na vele dansmiddagen kreeg ik veel aandacht van haar, zij was altijd vergezeld van haar zus en van enkele vriendinnen. Op de vervolg cursus in December 1945 kreeg de vriendschap die wij hadden gekregen meer betekenis en heb haar toen voor het eerst alleen thuis gebracht, die avond zal ik nooit meer vergeten.

Ik had nl.. op die avond mijn lesgeld betaald en dat was mijn hele rijkdom zodat ik zogezegd blut was. Ik was dat vergeten en toen ik terug naar huis ging en bij de tramhalte kwam ontdekte ik dat, zodat ik geen tramkaartje kon kopen en in de nachtelijke uren een wandeling van een uur moest maken. Maar Antoon was verliefd, en wat was hij nog een groentje !

Tijdens die verkering heb ik haar nog dikwijls naar huis gebracht met de tram, maar had toen wel altijd geld op zak.                                    

En zo werd het 7 November 1946, er was een oproep gekomen met een treinkaartje om met de eerste reisgelegenheid na 07.00 uur naar Arnhem te gaan en me daar te melden in de Menno van Coehoorn kazerne. Rond half elf ging ik langs de administratie en daar werd mij verteld waar ik bij was ingedeeld. Je kwam op een kamer waar je je eigen spullen kon opbergen, er werd je een uniform verstrekt met schoenen enz. Je moest nog een medische keuring ondergaan, en er werden bepaalde orders gegeven, zo dat we voorlopig geconsigneerd waren, en dus binnen de kazerne moesten blijven. Zo verstreken de eerste weken, het was exerceren, uitleg over de grondbeginselen van de krijgstucht, en niet te vergeten marsoefeningen. In het tweede week end met een vrij vervoer op zak na 12.oo uur in groepsverband, met gesloten boord, naar het N.S. station, wat een gedril en geschreeuw.

Na 6 weken kwam de overplaatsing naar Utrecht waar we in de Kromhoutkazerne een cursus volgde voor automonteur, echter de opvang was in Fort de Bilt. dat was een oud Fort dat voor de oorlog had gediend voor de Cavalerie , beneden de paarden en boven de hooizolder

Na de bevrijding had het gediend als opvang van de N.S.B ers, en er was nog de prikkeldraad afzetting te zien. Er was geen electriciteit, en ik kreeg op de hooizolder, met nog een man of vijftig, een plaatsje in een stapelbed aangewezen. In het midden stond een grote potkachel, deze was roodgloeiend en het enigste lichtpuntje. We kregen van de fourier een strozak die wij zelf moesten vullen. Nadat dit alles was gebeurd heb ik een praatje gemaakt met een Sergeant die buiten gewoon dienstplichtig was en afgesproken dat ik naar huis zou gaan en mij de volgende ochtend weer zou melden vóór tien uur, de prijs van de rit naar den Haag was voor half geld f.1.= Dit heeft zich enige dagen voor gedaan, daarna begon de Kerstvakantie en begon de dienst pas weer in Januari 1947, er volgde een zware winter, het vroor s’ nachts 17 graden, en alle waterleidingen waren bevroren. We moesten vanaf dat Fort lopende naar de Kromhout kazerne, ongewassen en dik onder de sneeuw, en daar kregen wij ons eten. Het was een waardeloze organisatie en we werden daarna op een zaal geplaatst waar je je kuchie kreeg aangereikt met de thee in je messing (drinken en etensbakje) Je moest lopend over het midden van de tafel een plaatsje zoeken om in de kou van je ontbijt genieten.

Deze opleiding heeft ongeveer 6 weken geduurd en na terug komst in Arnhem werden wij in het nieuwe gedeelte van de Menno van Coehoorn kazerne geplaatst, daar kregen wij andere lessen zoals in het Maleis en wapen kunde, ik werd toen ook bevorderd tot soldaat eerste klas.

Er volgde toen een periode met vele inentingen, ik werd twee weken voor het inscheping verlof ook nog bevorderd tot korporaal waar ik financieel beter van werd, en toen kwam de dag dat wij naar het goederen station in Arnhem gingen en de treinreis gingen maken naar Amsterdam. Daar werden wij ingescheept op het M. S. Tabinta, daarover verteld Ton Weterings later meer

 

 

 

Een apart verhaal over de uitzending van dienstplichtigen militairen naar Indië

 

In die tijd was dat het gesprek van de dag en de kranten stonden er vol van.  Zo ook de tekst:  Er   waren er   die Niet gingen !

In alle aandacht die in de zomer van 1947 is geschonken aan de politionele actie, is een aspect buiten beeld gebleven:  Het verzet van dienstplichtigen en burgers tegen deze actie. Vele dienstplichtigen wilden niet gaan. Zo’n vierduizend van hen voegden de daad bij het woord.

Furieus was de legerleiding, toen op 17 September 1946 slechts 62 procent van de dienstplichtigen van het eerste contingent van de Zeven December - divisie, na het inscheping verlof terugkeerde bij zijn onderdeel. Hele slaapzalen in kazernes in het noorden van het land bleven leeg. Een “Desertie” van die omvang had men ins ons land nog nooit meegemaakt. De toenmalige Luitenant - Generaal H. J. Kruls richtte zich via een radio uitzending tot het Nederlandse volk met een ernstige waarschuwing die luidde als volgt:

 

De wegblijvers hangt de hoogste straf die op “Desertie” staat boven het hoofd, Zeven en een half jaar gevangenisstraf !

 

Kruls liet weten dat de dienstplichtigen die onverwijld naar hun onderdeel zouden terugkeren die heel ernstige straf, die hun leven zou verwoesten, zouden ontlopen, zo ook:

 

Begrijp mij goed mannen, dit geldt slechts voor één keer, slechts voor die groep wier inscheping verlof deze week eindigt.

 

De Generaal eindigde zijn boodschap met de woorden:

 

De wrekende arm der gerechtigheid zal u zeker grijpen, is het vandaag niet dan is het morgen.

 

In deze periode begon ook meteen de Militaire Politie een klopjacht, soms ook geholpen door de plaatselijke politie. Zo gebeurde het dat toen op 22 September het inderhaast voor troepen transport ingerichte passagiersschip de “ Boisevain” van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij naar Indië vertrok er 15 procent ontbrak van de dienstplichtigen soldaten.

Het gebeurde ook dat op 22 September tienduizenden Amsterdammers mee deden aan een protestdemonstratie, de politie, waaronder agenten van de in de Duitse tijd opgeleide Schalkhaar Brigade, trad hard op en schoot zelfs met scherp, waarbij een demonstrant werd gedood. Er werd op de dag van 22 September, toen er een afvaart was van een troepentransportschip, massaal gestaakt in Amsterdam, op twee na bleven alle trams en bussen in de remises, ook andere gemeente bedrijven volgde dit voorbeeld, zo lag ook het werk stil in de havens, bij metaalbedrijven en op scheepswerven.

Ondanks de dreigende taal van de Minister van Overzeese Gebiedsdelen ontbraken er bij het tweede transport van de Zeven December Divisie weer 22 procent van de dienstplichtigen.

Nog een ander verhaal dat weinigen hebben geweten was dat toen in 1947 het m.s. Sloterdijk onderweg was naar Sumatra ergens in de Indische Oceaan een opstandige groep van dertig a veertig dienstplichtigen de Kapitein dwongen het roer om te gooien en terug te stomen naar Nederland, die groep is toen overmeesterd.

Uit dit hele verhaal blijkt wel hoe velen negatief stonden tegenover het uitzenden van dienst- plichtigen militairen, het ging in hoofdzaak ook niet tegen de Dienstplicht, maar tegen een Koloniale Oorlog. Maar al het verzet heeft niets geholpen, de toenmalige Minister President Beel was het eens met het sein dat de Eerste Politionele Actie was aangebroken, dat was in de nacht van 20 op 21 Juli 1947, Java tijd. Die actie had de toepasselijke naam: Operatie Product, hetgeen inhield, het terugwinnen van economisch belangrijke gebieden, waar de koffie, olie en suiker werd gewonnen.

Later is ook bekend geworden dat er van de circa vier duizend Indië weigeraars er in de loop der jaren 2600 zijn gearresteerd, zij zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen die varieerden van twee maanden tot vijf jaar. Zelfs de ouders die thuis hun zoon lieten onderduiken moesten na ontdekking bij de rechter verschijnen. Nog veel erger is te moeten vernemen dat oud S. S. ers gratie kregen door naar Indië te gaan, en deze figuren in Indië in ons midden hebben gezeten zonder het te weten !

De vervolging van de Indië weigeraars is gestopt in 1958.

 

           

 

Inhoud   


Hoofdstuk 03

 

Inscheping, Bootreis en aankomst te Semarang

 

Bij het krieken van de dag op 4 Juni 1947 marcheert het 4e Bataljon Garderegiment Prinses Irene door de Arnhemse straten op weg naar het N. S. Goederenstation, met twee afzonderlijke treinen wordt de reis gemaakt naar Amsterdam, elke plaats waar voorbij wordt gereden en waar één of meer militairen wonen die zich in de trein bevinden daar staan familieleden en vrienden te zwaaien, zo ook aan de Javakade waar iedereen uit de trein stapt en via de grote loods wordt geleid en waar notities worden gemaakt om zich daarna te gaan inschepen op het m.s. Tabinta die daar aan de kade ligt afgemeerd, het is een vrachtschip van 10.000 Brt. dat is omgebouwd tot troepen transportschip, het bouwjaar is 1930

 

Het is wel even goed om stil te staan bij het hetgeen hier gaat gebeuren, in de tijd dat we dit schrijven is het de normaalste zaak van de wereld dat er reizen worden gemaakt naar de andere kant van de aarde, maar in 1947 beleven deze jonge kerels het zomaar uit hun eigen omgeving te verdwijnen om een reis te gaan maken naar het onbekende, velen van deze jongens waren voor zij in militaire dienst gingen nog nooit buiten hun eigen woonomgeving geweest.

 

Een militair muziekkorps brengt marsmuziek ten gehore tot het moment van vertrek is aangebroken, dan wordt het Wilhelmus gespeeld. Op de kade waren verscheidene hoge Officieren aanwezig, waaronder ook de Chef Gen. Staf, de Luitenant Generaal Kruls.

 

Als op 16.05 uur de trossen zijn losgegooid en het schip zich los maakt van de kade is de lange reis begonnen, omringd door vele bootjes met familieleden en vrienden aan boord gaat de reis over het IJ naar het Noordzeekanaal, halverwege IJmuiden bij Buitenhuizen wordt nog een ligplaats ingenomen om daar s’ avonds de munitie in te nemen die meegaat naar Indië. Op de wal stonden veel uitzwaaiers, en dat gebeurde nog eens in de sluizen van IJmuiden. Daarna volgt het schutten in de sluis van IJmuiden en daarna begint de zeereis van ruim 8600 zeemijlen, hetgeen neerkomt op ongeveer 16.000 kilometers. Op de Noordzee varend kan nog een laatste blik op het vaderland worden geworpen, en niemand van het Bataljon weet hoe lang het duurt voordat de terugreis wordt gemaakt, en ook de vraag of zij terug komen ?

 

Ton Weterings schrijft hierover het volgende:

Wij van de Staf Compagnie kregen op de Tabinta een plaats aangewezen in het voorste ruim van het schip, en helemaal in het onderste gedeelte van dit oorspronkelijke vrachtschip dat was omgebouwd tot troepencarrier. We sliepen in een soort hangmatten met drie personen boven elkaar, mijn maatje Dick Broekhuizen was mijn slapie. Veel ruimte hadden wij niet want als iemand onder je zich omdraaide dan was dit goed te merken. Het vertrek staat mij nog goed bij, marsmuziek, de stoomfluit en een kade vol uitzwaaiers. Zo voeren wij het IJ van Amsterdam op, zijdelings voeren allerlei bootjes mee met aan boord uitzwaaiers, en zo kwamen wij in de avond aan in Buitenhuizen waar in het Noord Zeekanaal werd aangemeerd om daar nog munitie in te nemen. Daar stond het op de wal ook vol met uitzwaaiers, en dat gebeurde daarna nog eens in de sluizen van IJmuiden, toen de sluisdeuren weer open gingen was de weg vrij naar de Noordzee en was de zeereis begonnen, maar van slapen kwam die eerste nacht niet veel, deels door de bewegingen van de golfslag, de ongewone slaapplaatsen en de emotie van de afgelopen dagen, zoals het afscheid. Van zeeziekte kreeg ik weinig last, twee neven hadden gevaren op de Holland - Amerika lijn en hadden mij de raad gegeven om te trachten zoveel mogelijk in de buitenlucht te blijven, en ondanks het katterige gevoel toch goed te blijven eten, ik heb dan ook niet hoeven overgeven. De sanitaire voorzieningen waren slecht, en bij hoge golfslag spoelde alles over de vloer. Aangaande het eten daar viel niets op aan te merken, dat smaakte goed. De bemanning bestond grotendeels uit Laskaren en die kon je onmogelijk verstaan, zij hadden ook een eigen keuken en de geur die daar vandaan kwam was prima. Dagelijks verscheen er een Scheepskrant waarmee o.a. de temperatuur, afgelegde mijlen van die dag en meer van die gegevens bekend werden gemaakt. Er werd in groepen gegeten in een eetzaal want het aantal opvarende was te groot om tegelijk aan tafel te gaan.

Wij moesten ons s’ morgens op het dek verzamelen voor het ochtend appél en dan werden ook de mededelingen gedaan wat er zoal op die dag zou worden gedaan. Voorlopig zal er af en toe een kust te zien zijn, eerst de krijtrotsen van Engeland, en in de Golf van Biskaje staat een flinke golfslag en dan ontstaat voor vele de beroerde zeeziekte.

Het verdere verloop van de reis staat beschreven in het volgende verhaal van Jan Baas over zijn persoonlijke belevenissen, maar ook anderen zullen daar zeker op terug komen, zoals het nu volgende van Victor Strack van Schijndel, die met Vic wordt aangesproken. Hij behoorde toen nog niet bij de Staf Comp. maar bij de Ost. Cie, zoals reeds eerder is beschreven.

Vic heeft n.l. een dagboek bij gehouden tijdens zijn militaire leven en kan hierdoor veel herinneringen ophalen, waarbij ook datums een grote rol spelen, daar hebben wij dan ook dankbaar gebruik van gemaakt.

Zo laat hij weten dat de Ost. Cie. gedeeltelijk op de Tabinta is ondergebracht in het onderste tussendek dat was gelegen in het voorschip, naar zijn mening waren de bedden, die hij Standies noemt, niet slecht en lagen zij met drie man boven elkaar. Hij beschrijft het vertrek als een trieste bedoening, zo mochten er geen burgers op de kade komen om hun geliefden uit te zwaaien, dat werd wel gedaan middels vele kleine bootjes die rondom de Tabinta meevoeren. Hij vond de stemming aan boord niet slecht, maar er mag toch wel vermeld worden dat daar ook anders over werd gedacht, althans dat is de mening van Jan Baas.

Vic beschrijft dat er op volle zee een ontmoeting was met de Karel Doorman, die aan ons een goede reis en beste wensen doorseint, zo helpt Vic ook nog in de eetzaal omdat het eigenlijke personeel onvindbaar is, hij heeft ook tijdens de avonduren vaak naar de sterren zitten kijken, het was verbazingwekkend hoe helder de Poolster, Grote - en Kleine Beer aan de hemel stonden.

 

Aan boord van het m.s. Tabinta zal ook militaire politie zijn taak moeten uitoefenen, zoals in de nacht patrouilleren door de ruimen waar al die militairen liggen te slapen. Er is een detachement M. P. van de Koninklijke Marechaussee aan boord die deze taak moet uitvoeren en zij worden bijgestaan door de Regimentspolitie van het 4e Bataljon Prinses Irene, waarover reeds eerder is geschreven. Deze scheepspolitie is vier dagen eerder aan boord gegaan om het schip te leren kennen, maar ergens is er weinig gedaan om die kennis bij te brengen, tijdens deze vier dagen was Jan Baas meer thuis dan op het m. s. Tabinta. Hij heeft het dan nog steeds erg moeilijk met de wijze waarop hij onder de wapenen is gekomen, en is zelfs nog naar Militairen zaken in de Handboogstraat te Amsterdam geweest ter informatie of er nog iets bekend was geworden aangaande zijn z.g. staat van dienst als Buitengewoon Dienstplichtig, maar men beweerde dat er bij naspeuringen nog niets was gevonden, met een schijnheilig gezicht werd gezegd, althans in woorden van gelijke strekking :  Als inderdaad mocht blijken dat U onrechtmatig naar Indië bent gezonden dan krijgt U onmiddellijk bericht en zullen wij er voor zorgen dat U direkt weer naar Holland komt.

 

Als dan het m. s. Tabinta zijn reis over het IJ begint staat de vader van Jan Baas aan het Stenen Hoofd te zwaaien, hij ziet in de verte ook het bedrijf waar hij in dienst was, de woorden die worden geroepen door zijn vader zijn onverstaanbaar. Jan gaat daarna aangeslagen naar zijn slaapplaats maar weet niet dat zijn vader nog naar Buitenhuizen gaat, waar wij later afmeren. Pas als het schip door de sluizen is en de Politiedienst begint komt Jan weer op het dek en heeft lange tijd op het voordek gestaan waar hij de Nederlandse kust zag verdwijnen. Dan beginnen de ellendige nachtdiensten waarbij door al die ruimen moest worden gelopen als bewaking, maar ook uit brandbeveiliging. Je liep dan tussen die slapende militairen die met drie , en soms met vier, boven elkaar lagen in een soort hangmatten.

De stank was ondraaglijk en je was opgelucht weer op het dek te staan en frisse lucht kon inademen. Vooral in het voorste deel van het tot troepencarrier omgebouwde vrachtschip, waar ook de toiletten waren, dreef het vuil over de vloer.                                                              

De volgende dag krijgen we een deel van Engeland te zien, en het eiland Wight met de witte krijtrotsen.

Wij waren gewaarschuwd voor zeeziekte, de beste remedie was de maag vol zien te houden met droge en vetvrije kost, en daar zorgde wij wel voor als wij in de kombuis kwamen, ik heb ook geen hinder gehad van die ziekte. Het was geen pretje als dat je overkwam, dat gebeurde al in de Golf van Biskaje.

De reis gaat daarna langs de Spaanse en Portugese kust en als Kaap St. Vincent voorbij wordt gevaren staat de hele meute aan dek om die mooie witte vuurtoren te zien. Daarna komt Gibraltar in zicht, er wordt geattendeerd op de Apenrots, en aan stuurboord blijft voortdurend de Noord Afrikaanse kust in het zicht. Het klimaat wordt milder en ook de Middellandse zee is redelijk rustig. Dan wordt Port Said aangedaan voor het innemen van proviand en brandstof, het grote standbeeld van Ferdinand de Lesseps komt in het zicht, kooplui in kleine bootjes proberen allerhande spullen aan ons te slijten, dat gebeurt via een omhoog geworpen lijntje waaraan de koopwaar wordt bevestigd.                                                                                           

Ton Weterings verteld hierover nog het volgende, die kleine bootjes van de kooplui die rondom de Tabinta lagen hadden allerlei snuisterijen bij zich, alle gesprekken vonden plaats in de Engelse taal die slecht door ons werden verstaan, maar als er begrepen werd om welk artikel en welke prijs het ging dan werd er een lange lijn naar boven geworpen waarmee de transaktie zou kunnen plaats vinden.

Grote hilariteit ontstond er als men niet tot zaken doen kwam omdat de prijs te hoog was of het artikel toch tegen viel, en de omhoog geworpen lijn aan de railing werd vastgebonden. Er werd ook beweerd dat er horloges zijn gekocht waarvan achteraf bleek dat er geen uurwerk in zat.

 

Vic van Schijndel heeft ook zo’n verhaal over Port- Said, hij weet dat die kooplui in hun kleine bootjes de hele nacht door zijn gegaan om van hun koopwaar af te komen, de artikelen die eerst met veel te hoge prijzen werden aangeboden dat waren: dadels, sugarpindah, olienoten, meloenen. tassen, portefeuilles, schoenen, polshorloges en veel andere rommel.

Voor een langwerpige doos dadels werd eerst drie gulden gevraagd, maar dank zij de geweldige handelsgeest van de Hollanders zakte die prijs uiteindelijk naar vijftig cent, zo kocht Vic een geweldig grote meloen van wel 35 centimeter doorsnede, en ook vier dozen dadels.

Hij kocht die meloen samen met Wim Leijten, die op de Tabinta onder hem lag, maar toen ze amper met hun handel op het voordek waren aangeland wilde iedereen een schijf meloen kopen voor á raison van twee dubbeltjes, zodat de onkosten snel waren gedekt.

 

Om even een voorbeeld te geven wat er dagelijks aan voedsel op deze schuit soldaat werd gemaakt komen hier de volgende cijfers: 1500 kg aardappels, 500 kg bloem voor het bakken van brood, 400 kg blikgroenten, 350 kg vlees en vleeswaren, 200 kg suiker, 100 kg boter, 50 kg koffie, en 500 kg ingeblikt melk, aangaande deze producten werd daar later in de rimboe met heimwee op terug gekeken. Uiteraard was het er dagelijkse corveedienst voor het schillen van de piepers, het was toch ook een goed tijdverdrijf want de verveling slaat gauw toe tijdens zo’n lange bootreis, de geest van onderlinge verdraagzaamheid en aanpassing heeft ook veel te lijden aan deze omstandigheden. Het was dan ook een goede oefening voor de komende jaren dat wij op elkaar waren aangewezen

 

De reis gaat daarna verder door het Suez kanaal dat vooral bij de ingang vrij smal was, er lagen ook nog schepen die tijdens de 2e Wereldoorlog tot zinken waren gebracht, en als langs de Bittermeren wordt gevaren zien wij Duitse krijgsgevangenen die door Engelse militairen worden bewaakt. Omdat er in het kanaal twee schepen elkaar niet kunnen passeren zijn er op geregelde afstanden uitwijkplaatsen. Dan komen wij op de Rode zee en het kwik begint al aardig te stijgen.

In het scheepsjournaal wordt vermeld dat de temperatuur 110 graden Fahrenheit is, maar eenmaal op de Indische Oceaan wordt het weer aangenamer, er is dan dagen lang niets anders te zien dan de Oceaan, de zon, de sterrenhemel en zo nu en dan een passerend schip, ook wel troepentransportschepen met lotgenoten aan boord die de andere kant opgaan, dus richting Holland. Uiteraard zijn dat ook veel burgers die veel al in concentratiekampen hebben gezeten tijdens de Japanse bezetting van Nederlands Indië, en weer terugkeren naar hun Vaderland. Voor de boeg van het schip zijn vaak potvissen te zien en het lijkt wel of zij ons de weg willen wijzen. Er is ook een dagelijkse controle op de slaapruimte enz. door de dienstdoende Officier. Ook wordt er regelmatig appél gehouden want het zou natuurlijk altijd mogelijk zijn dat er iemand over boord is komen te vallen.               

Op de Indische Oceaan krijgen we nog te maken met een motorstoring. Er moet een nieuwe zuiger in de hoofdmotor worden geplaatst, door de te intensieve vaart die er met de troepenschepen wordt uitgevoerd zou die schade zijn ontstaan, het was erg interessant die reparatie bij te wonen Het was ook niet een zuigertje zoals in onze automotoren wordt gebruikt maar het ding moest worden getakeld, uiteraard kon niet iedereen even in die machinekamer gaan kijken.

 

Als de motor weer in orde is wordt de zeereis vervolgt en krijgen we weer te maken met een andere belevenis, nl.. het passeren van de Evenaar. En volgens goed zeemansgebruik moeten de landrotten dan gedoopt worden, hetgeen met veel ceremonieel zal plaats vinden.

 

In die periode raakt de zoetwatervoorraad op en moest men zich wassen met het zoute zeewater, daarvoor werden er stukken speciale zeep verstrekt, je kon niet zeggen opgefrist te zijn na zo’n wasbeurt.

 

Via de scheepskrant is iedereen al een beetje in kennis gesteld aangaande het passeren van de Evenaar, zo zou de dag voor het doopfeest Davy Jones en zijn piraten om 16.00 uur aan boord komen, deze Davy Jones is de vertrouweling van Z.M. Neptunus  en  is  verloofd  met  Z. M.            ’s lieftallige dochter Atlanta, zij bevoer een wonderlijk schip, nl.. de “Piratenvreugd en bloedfestijn” Een half uur voordat Atlanta aan boord komt moet het hele voorschip vrij zijn van de “Stinkende landrotten”, en dat waren wij natuurlijk. Als Davy Jones met zijn Piraten aan boord zijn gekomen worden zij plechtig ontvangen door de gezagvoerder van het m.s. Tabinta, waar ook bij is de eerste Officier van het troepentransport, en alle detachement - commandanten.

De volgende dag moet dan de officiële doopplechtigheid plaats vinden.

 

Om het verhaal van deze plechtigheid even te onderbreken het volgende, enkele leden van de Scheepspolitie hadden in geuren en kleuren al vernomen wat er zich ging afspelen. Zo stonden er nabij de kombuis vele vaten van 200 liter inhoud klaar die waren gevuld met “stinkende etensresten” en die waren opgespaard voor die doopplechtigheid, de lichamen van die stinkende landrotten zouden daarmee besmeurd worden

 

 

en dat leek geen aangenaam vooruitzicht. Er is toen tijdens de nachtdienst besloten een stel van die vaten overboord te gooien, dat viel niet eens mee maar tot ieders verbazing stonden er tijdens de ochtenduren al weer nieuwe gevulde vaten klaar, misschien iets minder stinkend maar toch smerig genoeg.

 

Om nu verder te gaan, rond 08.00 uur komt Z.M. Neptunus persoonlijk aan boord en dan kan de plechtigheid beginnen, alle landrotten worden dan gedoopt met een mengsel van rotte kaas, bedorven melk en eieren, havermout, stroop, aangemaakt met zout water. Er is op het dek een groot zeil gespannen en daar moest onder door worden gekropen, onderwijl werd daar met stokken op losgeslagen, daarna werd iedereen met zeewater via de brandslangen weer af gespoten.

Die avond wordt het Diploma uitgereikt aan hen die deze doping heeft ondergaan en is men  gerechtigd het rijk van Z.M. Neptunus binnen te varen. Omdat een stel leden van de Scheepspolitie die nacht dienst hadden gedaan, ook Jan Baas, waren zij vrij en ontkwamen aan het grote spektakel.

 

Op 28 Juni 1948, na 23 dagen varen, komen we aan te Sabang, een eiland nabij Sumatra. In de baai wordt afgemeerd en onder bepaalde voorwaarde mogen wij aan wal en maken voor het eerst kennis met de tropen. Op dit eiland is een krijgsgevangen kamp waar bewaking is van de Koninklijke Marechaussee, en zij sturen enkele voertuigen om de leden van hun eigen korps, maar ook van Scheepspolitie, op te halen voor het bezoeken van hun kamp.                                                 

 

Het was toen nog steeds niet bekend wat onze eindbestemming was, maar eigenlijk waren wij een beetje op de hoogte want er werd verteld dat wij in de omgeving van Bandung zouden komen, maar later kwam er weer een ander verhaal, het zou Semarang worden, en dat bleek ook waar te zijn. Daar is geen haven en moest voor anker worden gegaan op de rede.

Met landingsvaartuigen werden wij aan land gebracht, dat was geen pretje want het was bloedheet.

 

Zo laat Joh. Boekestijn nog weten het een verschrikking te hebben gevonden op de landingsboten waarvan het staal gloeiend heet was door de brandende zon, het was wel meteen de vuurdop in de tropen.

 

Met muziek werden wij verwelkomt als onderdeel van de 2e Palmboom Divisie, en  er  werd  ons  limonade met een sinaasappel  aangeboden. De Staf Compagnie gaat op A. A. T. trucks naar de Djoernatan kazerne. Ton Weterings kan zich die rit nog goed herinneren hetgeen hij zag van de kampongs waar langs werd gereden, hij zag de armoede die was ontstaan door de Japanse bezetting.

 

Aangekomen bij de Djoernatan kazerne, waar onze kwartiermakers in een korte periode zo veel mogelijk hadden gedaan ( want zij waren eerst naar West Java gezonden ) zagen wij daar vele mensen gekleed in jute zakken die stonden te bedelen voor het eten dat was overgebleven van de aanwezige militairen, en dat werd alleen maar erger toen wij daar met velen gelegerd werden. Die mensen waren ook volkomen vervuild en vooral de kinderen zaten vol met hoofdluis. Het waren onmenselijke gewaarwordingen waar wij het allemaal zeer moeilijk mee hadden.

Zoals juist beschreven, was er voor de kwartiermakers maar een korte tijd geweest om die kazerne bruikbaar te maken, alles was schoongeveegd maar het gebouw met één verdieping was zo goed als leeg. Er kwam al snel een handige Chinees die misbruik maakte van onze onervarenheid in dit deel van de wereld en zijn hulp aanbood om het vuile wasgoed te verzorgen, uiteraard tegen een afgesproken prijs. Alles werd keurig per compagnie gesorteerd meegegeven, maar het kwam nog vuiler en volkomen ongesorteerd terug, bovendien was er ook veel verdwenen.

Er werd nog een “ Mobiele wasserij “ ingeschakeld maar dat had tot gevolg dat er bij terugkomst tal van kledingstukken van een ander onderdeel aanwezig waren, zoals van de A.A.T. en de Stoottroepen. Maar toen bleek al snel dat er niets boven een Baboe ging, en voorzover het de Stafcompagnie betrof hield Kapitein de Paauw daar strenge controle op. Het is ook tijdens ons hele verblijf in Indië gebleken dat de Baboes voor de persoonlijke verzorging onmisbaar waren.

De Ost. Cie. is vanaf de haven met nieuwe Fargo trucks naar het Veda gebouwencomplex gebracht, dat was gelegen tussen de beneden - en bovenstad van Semarang, dat was gunstiger dan de plaats waar de rest van het Bataljon terecht kwam, ook qua hitte en de kans om malaria op te lopen. Zo beleefde Vic het in dat Veda gebouw te worden opgewacht door de kwartiermakers.

 

Er was ons gezegd dat wij daar eerst zouden acclimatiseren, want het was toch wel een hele overgang om in het klimaat van dit werelddeel te kunnen wennen.

Door de fourier van de Staf Cie. waren wij na aankomst al voorzien van een “tampatje” en een klamboe, dat zou gedurende het verblijf in Indië onze slaapplaats zijn.

Het eerste klusje dat Ton Weterings werd opgedragen was het repareren van een kleine benzinemotor van een waterpomp, die op de binnenplaats stond. Als noodoplossing werd tijdelijk het water met emmertjes aan een lang touw uit een put opgehaald. Er moesten ook twee fietsen, die in delen waren aangevoerd, tot bruikbare vervoersmiddelen worden samengesteld., het is ook iedereen van de Staf Compagnie bekend dat één van die rijwielen in het bezit kwam van onze Compagniescommandant B.A.M. de Paauw.

 

In deze eerste periode krijgen de monteurs van de M.T. de opdracht van Luitenant v.d. Veen samen met hem en enkele chauffeurs naar een dump te gaan op de Bodjong.                                                               

Het Bataljon was reeds voorzien van enkele Jeeps en motorrijwielen maar nog niet van trucks, het vervoer werd nog door de A.A.T. uitgevoerd.

Op die dump stonden voertuigen die waren achtergelaten door het Engelse leger, want zij waren hier als eerste gekomen na de capitulatie van de Japanners. Het was een puinhoop die daar werd aangetroffen, er mankeerde vele onderdelen aan die voertuigen en om die weer mobiel te krijgen moesten er van andere voertuigen onderdelen worden afgehaald.

Zo kwam ons Bataljon in het bezit van de eerste bruikbare trucks, die onze chauffeurs gingen besturen. Een deel van de A.A.T. trucks kon toen weer terug naar hun eigen onderdeel.

Het bleek toen al gauw dat dit een leger was waar hobbyisten hun hart konden ophalen, zoals het verbouwen van trucks dat later nog aan de orde komt.

 

De M.T. moest toen ook verhuizen en kwam terecht in het Slachthuis, dat even buiten Semarang was gelegen. De M. T. veteranen kunnen ongetwijfeld vele verhalen vertellen over hun eerste kennismaking met deze omgeving, wij zullen beginnen met hetgeen Dick Broekhuizen weet te vertellen.

 

Het vertier in Semarang bestond hoofdzakelijk uit het bezoeken van de “ Tigerclub “, maar ook de bioscoop. Soms werd het barretje “Auchien Qui Fume “ bezocht dat zich op de Bodjong bevond niet ver van de haven, daar kwamen ook veel Officieren maar ook burgers.

Op een keer was ik daar met Wim Boksem en Arie Jongenelen toen enkele burgers die arme soldaten op een paar borreltjes trakteerden, wij hadden al een flinke pijp bier genuttigd en gingen dus met een flink stuk in de kraag terug naar het Slachthuis, waar wij gelegerd waren.

Tijdens die rit zaten wij op de vloer van de laadbak v/d drietonner, die ons had opgehaald. Echter de volgende ochtend zag ik dat mijn kloffie onder de olie vlekken zat, dat was natuurlijk gekomen van die smerige laadbak. Geen nood, ik haalde een paar liter benzine bij de korporaal Joop v.d. Stelt, hij beheerde het benzine en olie depot, en met die benzine waste ik de vlekken uit mijn smerige kleren.

Tegenover mij lag Toon Baltus onder zijn klamboe te tidoeren (slapen) Toen de baboe een mestin (etensblikje ) met hete thee op de grond bij zijn veldbed neer zette kreeg ik trek in een sigaret, maar toen ik die wilde aansteken en de aansteker te dicht bij het in benzine gedrenkte uniform hield kwam er een meter hoge vlam. Toon werd met een schreeuw wakker en sprong onder zijn klamboe vandaan, met zijn voet in de hete thee.

De brand was snel geblust, maar het enigste dat ik van mijn uniform overhield waren de knopen. Toon moest naar de hospik omdat zijn voet verbrand was.

 

 

Op een andere dag kreeg Moppie ( Gerard v. d. Hurk ) een rijopdracht met bestemming het centrum van Semarang, ik ging met Gerard mee als hulpchauffeur. Zoals iedere M.T. makker weet was Moppie een nogal lollige vent en had op die bewuste dag een bijzonder vrolijke bui, wij zaten beiden in de cabine van de Dodge luid te zingen. De snelheid was ongeveer 60 km / uur en wij reden op de Bodjong richting Tigerclub. Moppie hield de maat bij door met zijn voet op het gaspedaal te tikken hetgeen een schokkend tempo betekende. Plotseling reed er een M. P. met zijn Harley Davidson naast ons en gaf ons het stopteken, toen wij stilstonden kwam die M. P. naar ons toe en zei: “ Chauffeur waarom rijd je zo mal, wat betekent dat gekke gehup van die truck ? “ Het antwoord van Moppie was “ Ik weet het niet, maar ik denk dat er water in de benzine zit “ Waarop de M. P. zei : Ik laat je deze keer vrij met een waarschuwing, maar je moet de benzinetank laten reinigen, en dat blote lichaam is ook niet in overeenstemming met de militaire regels, de volgende keer ga je op de bon, en nou weg wezen !

 

Nu we het toch over water in de benzine hebben, het volgende verhaal : Jaap Gravesteijn had in Semarang een keer water in de benzinetank, de motor stotterde zo erg dat Jaap na het verlaten van het Slachthuis op de weg naar Mrangen de carburateur ging nakijken en een deel van de benzine ging aftappen, met de bedoeling van het water af te komen. Toen Jaap de motor weer startte sloeg met een paar grote knallen de motor weer aan, met het gevolg dat de benzine die op de weg was gekomen in de fik vloog. Als Jaap dan weg rijdt komt er juist een Javaan voorbij die op zijn schouder een 5 a 6 meter lange bamboestok heeft liggen.

Die Javaan zal waarschijnlijk van die brand geschrokken zijn en kijkt daardoor achterom met het gevolg dat die lange bamboestok de achterkant van de truck raakte en die vent met zijn stok 2 a 3 keer rond werd geslingerd, die arme man wist niet wat hem overkwam. Het probleem met het water in de benzine was wel opgelost. 

 

Wim Uitentuis verteld het volgende:

 

Ik kreeg in de Semarang periode een Dodge truck toegewezen, en had nooit achter het stuur van een Dodge gezeten en moest in het donker  met verduisterde koplampen rijden, van de Djoernatan kazerne naar het gebied waar zich de 1e Politionele aktie afspeelde, en dat was bepaald geen pretje.

Later moest ik die Dodge afgeven en werd Piet van Asten de chauffeur op die truck, ik kreeg toen een z.g. Sahara Ford, ook wel Woestijnrat  genoemd, dat waren trucks zonder cabine en die hadden dienst gedaan bij het Engelse leger in Afrika, tijdens de 2e Wereldoorlog.

Ik weet nog goed dat ik tijdens een rit plotseling ergens midden in een kampong stond, wat ik daar te zoeken had kan ik me nu niet meer herinneren, maar het is niet iets wat jullie denken.!

Ik kon de motor niet meer aan de gang krijgen, en heb een stel kinderen met kretek sigaretten weten om te kopen, zij hebben de wagen weer op de begaanbare weg geduwd, en daar kreeg ik later de hulp van onze monteurs.

 

Ton Weterings ondervind al deze omstandigheden als een zware opgave in zijn jonge leven, en zegt ook dat je ontzettend veel op elkaar raakt aangewezen onder deze omstandigheden.

Hij krijgt in het slachthuis samen met zijn slapie Dick Broekhuizen een kamertje tot hun beschikking. Hij weet nog goed dat zij samen op een zondagavond met een paar chauffeurs uit Arnhem via de eigen busdienst naar Semarang gingen om daar enkele bars te bezoeken, daar werden o.a. alcoholdranken verkocht per halve liter, korporaal Cor v.d. Horst was bij Dick en mijn persoontje komen aanschuiven en met ons drieën verorberde wij een halve liter Whisky, waarna werd besloten nog een halve liter te nemen.

Onder het genot van mooie Indische muziek en een sigaretje werd er ook nog een dansje gemaakt, en toen het echt gezellig begon te worden ging Cor v.d. Horst er vandoor en heb ik met Dick de rest van die halve liter Whisky opgemaakt. Vooral de warmte ging toen een rol spelen en flink aangeschoten hebben wij de reis terug gemaakt naar het Slachthuis, van die rit kan ik me eigenlijk weinig herinneren.

Bij aankomst in het Slachthuis heeft de wachtpost ons door enkele kameraden naar de kamer laten brengen met de opdracht ons uit te kleden en in bed te stoppen, de kamer werd toen afgesloten. Ik heb die nacht moeten overgeven waardoor ik mijn bed de volgende dag moest schoonmaken, het was allemaal een ontlading van hetgeen wij in korte tijd hadden beleefd.

 

 

                   Liefdesverdriet

                       

Het is allemaal vreemd wat mij nu in dit land is overkomen,

Want de baboe heeft de taak van mijn moeder overgenomen.

Zij maakt mijn bed op, en ook mijn kamer schoon,

Het is allemaal anders in deze omgeving waar ik woon.

Ze noemen het mandiën, dat is je wassen bij een bak koud water,

Wat ik daarbij denk als de baboe langs komt vertel ik je later.

Maar het is wel even schrikken omdat allemaal te ervaren,

Ik schrijf dan ook liever niet naar huis over alle gevaren      

Die er zijn om als jonge kerel dit zomaar te moeten beleven,

Ondanks ik ook genoeg ben voorgelicht mij daaraan over te geven

Ik bedoel de kontakten met het vrouwelijk schoon in dit land,

Maar heb wel genoeg aan jouw foto, die hier hangt aan de wand.

Eens hoop ik het weer te mogen beleven in ons Vaderland,

Om dan te worden aangeraakt door jouw lieve en zachte hand.

 

 

Jan Baas verteld over deze tijd het volgende:

 

Ik was helaas toen nog niet bij die M. T. en zal dus mijn verhaal vertellen over het verloop bij die Regiment Politie. Wij kregen al gauw een motorfiets, Jan werd een B. S. A. 500 toebedeeld en wij moesten nu deelnemen aan het linkse verkeer dat daar overwegend uit militair transport bestond. Men had hun in Holland de linkse verkeersregels trachten bij te brengen maar ondanks dit reed Jan bij de eerste keer de poort van de kazerne uit en ging rechts rijden. Er kwam hem een Indonesiër op een fiets tegemoet en hij kon hem niet meer ontwijken en schepte de vent waardoor zijn voorwiel werd dubbel gevouwen, en voor hij de zaak kon overzien had hij de fiets op zijn schouder gehangen en vluchtte de nabij gelegen kampong in. Jan heeft vanaf dat moment altijd links gehouden, voor zover dat mogelijk en nodig was. Jan raakt al snel vertrouwd met de omgeving in de stad, en er worden hem verschillende taken opgelegd, zoals op straat voor de kazerne patrouilleren want daar moet de bedelende bevolking worden weg gehouden bij de openstaande ramen. Deze zijn met tralies  beveiligd, en deze mensen hebben honger en proberen wat etensresten te vergaren,  het is een trieste zaak dat die R.P. opdracht krijgt dit te verhinderen, je moet dan soms ook dit tafereel de rug toe keren.

Er is nog een taak voor de R.P.  weggelegd, achter de Djoernatan kazerne bevind zich een kampong waar zich veel publieke vrouwen ophouden, en bekend is dat het percentage geslachts ziekte hoog is, er staan bij de ingangen van de kampong dan ook grote borden met de tekst:

Verboden voor militairen. Maar omdat dit verbod genegeerd wordt moet de R.P. er op toezien dat dit verbod wordt nageleefd, zij moeten dat doen in de namiddag en avonduren als de militairen vrij van dienst zijn.  Het is verbazingwekkend hoeveel Nederlandse militairen toch die kampong trachten te bezoeken, mogelijk alleen maar uit pure nieuwsgierigheid ?

Meestal tegen het eind van de dienst komt de Compagnies Commandant Kapitein de Paauw en vraagt dan of er nog bijzonderheden zijn, en als er niets bijzonders te melden is krijgen zij toestemming naar de kazerne terug te keren, waarna de Paauw nog even alles gaat controleren. Zo is er nog een taak, nl. om beurten samen met militairen van de Koninklijke Marechaussee het verkeer regelen op het aloon aloon, dat verkeer stelde in feite weinig voor, zij stonden dan op een verhoging en onder een afdak tegen de felle zon.

 

Als je achteraf alles overziet waren wij slecht toegerust op onze taak in Indië, zoals de M.T. begon met gammele voertuigen uit een dump.

Zo waren de geweren van het merk Lee - Enfield uit de 1e Wereld oorlog, en de Sten Gun was maar een goedkoop stukje schiettuig waar je niet altijd op kon vertrouwen, als je zo’n apparaat mee nam op de motorfiets dan kwamen de patronen zodanig in het magazijn te liggen dat het wapen zijn dienst weigerde als het gebruikt moest worden, het gebeurde ook dat het magazijn er tijdens het rijden uitviel.

Zo is het ook wel eens voorgekomen dat passagiers vanuit de laadbak van de truck sprongen met zo’n Sten Gun in de hand en door de schok het wapen spontaan zijn kogels afvuurde, het was dan ook veiliger het magazijn uit het wapen te halen.

Zo was ook de kleding uitrusting voor de motorfiets niet in overeenstemming met de tropen. De Regiment Politie kreeg nl.. na aankomst in Semarang een leren rijbroek en bijbehorende rijlaarzen uitgereikt, waarbij een leren vest dat dermate gevoerd was dat het meer geschikt was voor Siberië. Zo werd ons verzocht de groene motorhelm zelf wit te schilderen. Begrijpelijk is dat wij het leren pak nooit hebben gedragen. Er was wel een z.g. niergordel verstrekt en die had men ook absoluut nodig op die wegen met slecht geveerde en oude motoren.

Jan krijgt dan ook last van “Wandelende nieren” en om van deze kwaal af te komen moest heel veel worden gedronken, zo’n 5 liter per dag, hetgeen in hoofdzaak koude thee was.

Om nog even terug te komen op onze uitrusting, in Nederland waren wij reeds in het bezit gesteld van een helm, deze was van het type zoals ook de Engelsen waren uitgerust, in tegenstelling tot dit model hadden de Amerikanen een ander model dat toch wel een betere bescherming aan het hoofd gaf,  en bovendien bestond deze helm uit twee delen, d.w.z. de buitenhelm was van staal, terwijl de binnen helm van een soort fiber was, die binnen helm was zeer praktisch voor gebruik in gebieden waar geen gevaar aanwezig was, zoals b.v. bij een parade tijdens warm weer. Een dergelijke helm was ook in gebruik bij de Mariniers, en dat was vooral gunstig in de tropen.

 

De eerste politionele aktie is inmiddels op 22 Juli 1947 begonnen en het Bataljon levert op vele voorposten strijd, en van acclimatiseren is weinig terecht gekomen.

Vic schrijft hierover het volgende: Gisteren begon de politionele actie, en vandaag was er alarm voor de Pioniers, we moesten mijnen gaan ruimen. Tot tien uur hebben we gewacht op een sein van de KNIL - compagnie, die als dekkings - eenheid aan ons was toegevoegd. De omgeving was grondig vernield door de T.R.I. De huizen lagen óf plat óf waren leeggeplunderd, telefoondraden waren overal doorgeknipt en lagen hier en daar over de weg. Op veel gebouwen waren extremistische leuzen te zien en ook troffen we nog bedorven rijst rantsoenen van de T. R. I. aan.

In het traject bevonden zich drie bruggen, de laatste brug bleek ondermijnd met twee vliegtuig bommen van elk 50 kg. In totaal vonden we zes van die dingen, die allemaal werden geruimd.

Voorbij de derde brug was een flinke tankval verborgen. Tussen de bedrijven door was er nu en dan een vuurwisseling tussen T.R.I. en de KNIL compagnie. Ook op ons werd gevuurd, doch de kogels vlogen laag over. Het KNIL antwoordde met geweer- en 2 inch mortiervuur.

De extremisten waren behoorlijk dichtbij, we hoorden herhaaldelijk Merdeka geroep. Alles verliep zonder ongelukken, althans voor ons, later op de dag pakte een KNIL soldaat een granaat op en was zo dom de veiligheidspen er uit te trekken, het was afgelopen met hem. Wij hadden s’ morgens nog met hem staan praten. Ik kan me nog herinneren dat Tom van den Berge één van de bommen naar de truck bracht, hij moest over de derde brug, onbeschermd, naar ons toekomen. Gebukt onder de last van 50 kg. legde hij onder snipervuur, en bij het slaken van ijselijke kreten, de laatste meters af. Er is moed voor nodig om dán zo’n bom nog vast te houden !

 

Jan  weet nog goed toen hij op 26 Juli 1947 bij de poort van de kazerne stond er een truck stopte waar in de laadbak het stoffelijk overschot lag van Luitenant Janssen Schmidt. Hij was de eerste van ons Bataljon die sneuvelde. Het was tijdens een mortier aanval te Plamongan gebeurd, het stoffelijk overschot is met de fouragewagen, die juist was aangekomen, naar Semarang vervoerd.                                                                               

Kort hierna kreeg de Staf Comp. opdracht hun spullen in te pakken want zij zouden de post Mrangen overnemen. De R.P. moest voor begeleiding zorgen van de Jeep waarin Luitenant Kolonel Harkema zat, bestuurd door Jan Derksen. Jan  weet nog goed dat hij achter de Jeep reed met zijn B. S. A. en het magazijn verloor van de Sten Gun. Hij is gestopt en terug gereden en heeft haastig dat magazijn weer opgeraapt en heeft zich snel weer weten aan te sluiten bij dat konvooi, je zag achter iedere boom of struik het gevaar van de vijand, maar in feite was er nog niets aan de hand, en hier moet je langzaam aan wennen.

 

Het R. P. team krijgt de beschikking over een huisje in het kamp waar de Staf Comp. wordt ondergebracht, het huisje ligt enigszins verscholen tussen het groen een eind van de kleine verkeersweg. De hospikken (ziekenverplegers) krijgen het druk, want al gauw komen er grote drommen vluchtelingen die veelal onder allerlei zweren zitten, veel zijn gehuld in een schamele jutezak en als jonge vent wordt je daar ineens mee geconfronteerd, naakte vrouwen die hun lichaam met zweren enz. tonen. Er staan dagelijks rijen van deze mensen te wachten die bijna allemaal met zalf worden behandeld, waar mogelijk is geven wij hun ook nog wat te eten.

De wegen zitten op het laatst vol met vluchtelingen die vanuit het vijandelijke gebied komen, maar daar zitten ook personen tussen die bij de vijand thuis horen en in hun bagage wapens meedragen, er komen dan doorlaatposten waar onze jongens de zaak controleren.

 

Het kamp moet natuurlijk ook worden beveiligd en daarvoor zijn er posten geplaatst die rondom beveiligd zijn met zakken zand, en een afdak van golfplaten, er is ook een veldtelefoon. Deze posten worden s’ nachts door twee personen bemand en om beurten wordt er wacht gehouden, zo overkomt het Jan Baas tijdens de beurt samen met ene Steenbergen dat er voor hun in het terrein een geluid hoorbaar is, zij zitten aandachtig te turen met het wapen in aanslag maar zien alleen de vuurvliegjes (daar moest je ook aan wennen) Als er dan opeens een harde bons wordt waargenomen springt Steenbergen overeind en gaat hollend in de richting van het kamp, Jan zit nu alleen en neemt via de veldtelefoon kontakt op met de dienstdoende wachtcommandant en laat weten wat er is voorgevallen, dan wordt er een ander maatje gestuurd. Die geluiden blijven hoorbaar maar er gebeurt die nacht niets bijzonders. Als ze bij daglicht in het veld gaan kijken zien ze wel een paar kokosnoten liggen, maar stel je eens voor je bent 19 jaar en zit daar in een vreemd land, je bent zo voor de leeuwen geworpen en je moet het maar zien op te lossen.

 

Jaap Gravesteijn verteld:   

 

Mranggen September 1947.

Vanmiddag kwamen en stel inlanders uit de achter ons liggende kampong ons bivak in Mranggen binnen, een van hen was buiten bewustzijn, het was ook voor hen een vreemde, hij had geprobeerd te rampokken (hetgeen stelen betekent ) maar was gepakt en driekwart dood geslagen, maar waar laat je zo iemand, natuurlijk bij de Hollanders die zoeken het verder maar uit en dus zei Majoor Hellemons:  Gravesteijn neem vier man mee en breng die vent naar het Burger ziekenhuis in Semarang, dat is zo’ n 13 km rijden, en daar gingen wij, een simpel klusje maar ik had de pé in want de inlander gaf geen teken van leven meer en zou naar mijn mening zeker niet de rit in de open laadbak van een driekwart-tonner overleven, de weg Mranggen - Semarang bestond uit gaten en kuilen, mijn driekwart-tonner had een slechte motor, geen licht, en geen remmen, zelfs geen handrem, ( zoals Luitenant v. d. Veen ooit eens zei, alle begin is moeilijk ) en binnen een uur zou het donker zijn, Indisch donker en zonder maan, alles zwart dus. In het donker arriveerden wij bij het Burgers ziekenhuis, de inlander leefde nog maar men wilde hem niet toelaten, we kregen het advies hem naar het Elizabeth ziekenhuis op de Gompel te brengen, bij de nonnetjes dus, wij weer verder de lange Bodjong af, langs de Tijgerclub de Gompel op, dat was een berg waar de weg omheen liep, al gauw klom de wagen in z’n tweede versnelling

(gebrek aan trekkracht en aarde donker) doch ook dat ging niet meer dus naar z’n eerste versnelling, doch voor dat dit lukte reed de wagen achteruit en was schakelen niet meer mogelijk, wat nu? Achteruit de berg af betekende binnen een minuut verongelukken, dus het stuur om en de achterkant van de wagen tegen de berg op zetten, goed gedacht maar de greppel van een meter diep tussen weg en berg was niet te zien, zelfs niet toen we er in lagen, de bak was in één keer leeg, de jongens kon je horen vloeken, de half dode Inlander zei niets, we moesten hem zoeken, na een uurtje kwam er een wagen met Stoottroepers langs en met vereende krachten en in z’n eerste versnelling kwamen we weer op de weg en bij het ziekenhuis. Komt U maar binnen zei het nonnetje, de Dokter komt zo, en de Dokter kwam ook vlug en begon onmiddellijk aan het opknappen van onze Inlander, hij lichte hem de schedel en bleef steeds tegen hem praten, wij stonden er omheen en keken de Inlander in z’n kop, de Dokter zei deze vent is ook nog van Adel, dat kwam ons vreemd voor. Nadat alle kwetsuren behandeld waren zei de Dokter hij kan hier niet blijven, ik zal jullie een briefje voor het het Burger

 

 

Situatiekaart Midden Java

 

ziekenhuis meegeven, de Inlander met een geheel in, t verband zittend hoofd, met de jongens weer achter in de laadbak, kruipend naar het Burger ziekenhuis, het briefje bleek voldoende voor opname, en na middernacht waren wij weer in Mranggen, geradbraakt doch heel, toen ik na een week ging informeren naar de Inlander ( uit nieuwsgierigheid ) bleek de man reeds als genezen te zijn ontslagen !

 

                           

 


Als de pioniers, waar Vic toe behoort, op een ochtend bericht krijgt dat er vóór de stad Goeboeg een brug is opgeblazen die over een grote snel stromende kali ligt wordt er direct begonnen met het vermoeiende laden van spoorbiels en boomstammen, dan volgt er een snelle rit van ongeveer 25 km. ten zuiden van Semarang.  In enkele uren is de brug dan weer redelijk berijdbaar, dank zij de inspanningen van iedereen, want ook de bevolking heeft een steentje bijgedragen. Overste Harkema heeft de brug “ Officieel “  geopend, hij knipte plechtig een draad door met het nagelschaartje dat hem op een tamelijk schone zakdoek door Vic was aangeboden. Hij noemde de brug de Luitenant Kerssemakers - brug. Een beetje humor in deze benarde tijden kon geen kwaad !

De wapenstilstand is nu een feit, en nu maar hopen dat het vrede blijft !

In deze periode hebben de Pioniers wel talloze bruggen gerepareerd, sommige daarvan wel een keer of vijf, er werden ook veel bommen geruimd en opgeblazen, volgens Jan Jansen had je twee keuzen bij het opblazen, óf je ging er een paar honderd meter vandaan in dekking, óf je bleef er vlakbij liggen achter een verhoging, dan vlogen de scherven over je heen. Dat was ook wel zo, maar je voelde je toch wel een beetje zenuwachtig !

De Ost.Cie heeft op 3 September nog een rijtest, de theorie verliep uitstekend, maar de praktijk was minder best, Vic slaagt wel, en van de tien is er één gezakt.

 

Door  het 4e Bataljon Prinses Irene  zijn  inmiddels  o.a.  de  volgende plaatsen bezet: Mrangen, Goeboeg, Demak, Kedoengdjati, Brambeng en Plomongan.                              

 

De R.P. krijgt zo nu en dan een melding waarvoor zij per motorfiets naar een bepaalde voorpost moeten rijden, zo ook een keer naar Demak. Dat gebied is bezet door onze 2e Compagnie en daar zou een bank zijn beroofd, als ze daar aankomen liggen de straten vol met bankbiljetten, maar het geld blijkt te zijn uit de Japanse bezettingstijd en dus is het waardeloos papier. Ze hebben wat van die biljetten meegenomen als souvenir, maar vinden daar ook een Harley Davidson 1250 c. c. met zijspan, dat voertuig was achtergelaten door de vijand, op het zijspan staat het embleem van de Marine. De motor wil niet meer aanslaan maar ze zien er wel brood in en nemen het geval mee op sleeptouw achter de B. S. A., het is een hele hijs. Dit vervoermiddel zou hun goed van pas kunnen komen en  daarvoor  brengen  zij  het  naar  de LTD. werkplaats op de Bodjong in Semarang. Men belooft het ding rijdende te maken. Zo heeft men ook een bruikbare 3 tonner buit gemaakt en die wordt intensief gebruikt door ons Bataljon.

 

Een overzicht van de soldijen bij de Koninklijke Landmacht in de jaren 1946 / 1950

 

Soldijen enz. van dienstplichtigen bij uitzending naar Indië zoals beschreven is in militaire termen op 1946.

Ten aanzien van de soldij - genietende militairen, die worden uitgezonden voor de dienst Nederlands - Oost Indië, blijft het bepaalde in L.O. 1946, nr.. 121 (gewijzigd bij L.O. 1946 Nr. 244 ) van kracht, met dien verstande dat hun van en met de dag van vertrek uit Nederland tot en met die van terugkeer in Nederland een verhoogde soldij en een oorlogstoelage wordt toegekend.

           

            De verhoogde soldij bedraagt:

            Voor een

            Ongeoefend soldaat       ...........…          fl. 1.08    per dag

            Soldaat                         ...........…          ,   1.40     ,    ,

            Soldaat eerste klasse     ...........…          ,   1.75     ,    ,

            Korporaal                      ...........…          ,   2.10     ,    ,

            Sergeant titulair             ...........…          ,   2.45     ,    ,

 

 

 

De oorlogstoelage bedraagt fl. 0.30 per dag, degenen op wie ingevolge het bepaalde aan het slot L.O. 1946 Nr. 121 mijn beschikking van 26 Maart 1946 Afd. A.I. Bur. 4 Nr.. 383 van toepassing is ontvangen, instede van een oorlogs- toelage van fl. 0.30 per dag, de oorlogstoelagen welke zijn vastgesteld bij mijn beschikking van 3 October 1945, III afd. A. Bur. Nr.. 119, te weten:

 

·         voor een gehuwde Sergeant - titulair  fl. 0.75    per dag

·         voor een gehuwde Korporaal, soldaat 1e Klasse    of soldaat ,  fl. 0,40 per dag

·         voor een ongehuwde Sergeant - titulair, korporaal, soldaat 1e klasse of soldaat  fl. 0.30

 

Boven en behalve de verhoogde soldij en de oorlogstoelage wordt aan de  vorenbedoelde militairen over de dagen, waarop zij na hun vertrek uit Nederland en voor hun aankomst in Nederlands - Indië in de gelegenheid worden gesteld het schip te verlaten, een “verblijfstoelage buitenland” toegekend ten bedrage van 2 Shilling, of een daarmee overeenkomend bedrag per dag.

Bovengenoemde L.O. No. 121 luidt als volgt:

Ministeriële Beschikking van 24 April 1946, afd. A. I, Bur 4, Nr.. 1 -

Regeling van de soldijen enz. voor dienstplichtig militair personeel der Koninklijke Landmacht.                                                                     

Ter kennis van de Koninklijke Landmacht wordt gebracht dat het volgende is bepaald:                                                                                 

 

Artikel I

 

Deze regeling is van toepassing op de militairen beneden den rang van Sergeant, alsmede de Sergeanten - en Wachtmeesters - titulair, dienende ingevolge dan wel met toepassing van de bepalingen der Dienst- plichtwet, met uitzondering van de oorlog vrijwilligers en alle dienstplichtigen die vrijwillig de verplichtingen van een gewoon dienstplichtigen op zich hebben genomen voor zover zij niet op een daartoe strekkend verzoek aan de Minister van Oorlog met de lichting 1945 of een latere lichting in dienst zijn gesteld.

           

Artikel II

           

De in artikel I bedoelde militairen genieten, behoudens het bepaalde in

artikel III, soldij tot hierna genoemde bedragen:

 

            Rang of stand:

            Ongeoefend soldaat       ................…     per dag fl.    0.70

            Soldaat               ...........................…      ,   ,      ,      1.=

            Soldaat 1e klasse     .......................…     ,   ,      ,      1.25

            Korporaal            ...........................…       ,    ,     ,      1.50

            Sergeant of Wachtmeester - titulair            ,     ,     ,      1.75

 

De soldij van fl. 1.= wordt toegekend aan den soldaat, die drie maanden in opleiding is geweest, mits hij voldoet aan de eischen van gezondheid, welke als dan aan hem worden gesteld, zulks ter beoordeling van den commandant.

Soldaten, die aan de strengere krijgstucht onderworpen zijn, genieten een soldij van fl. 0.40 per dag.

           

Artikel III

 

Wij behouden ons voor, ten aanzien van verlof militairen, die in opleiding zijn tot Officier, af te wijken van het bepaalde in artikel I I.

Op de in de voorgaande artikelen bedoelde militairen zijn de bepalingen van het Reglement van Administratie, welke betrekking hebben op de soldij - genietende militairen, ten volle van toepassing, tenzij door mij uitdrukkelijk anders wordt bepaald. Niet op hen van toepassing zijn mijn beschikkingen betreffende de toekenning van toelagen voor ongehuwde kostwinnaars, kindertoelagen, persoonlijke toelagen, toelagen voor vakbekwaamheid, gevaren toelagen, vergoedingen wegens het zelf voorzien in huisvesting en / of schoeisel, gezinstoelagen bij verlof, een en ander behoudens het daaromtrent bepaalde in het Reglement van Administratie.

 

Mijn beschikking van 26 Maart 1946, afd. A. I Bureau 4, Nr.. 383,

betreffende de “ Vergoeding buitengewone omstandigheden “ is op hen

slechts van toepassing voor zover zij op 15 Maart 1946, op grond van het bepaalde in mijn beschikking van 24 Augustus 1945, III afd. Bur. Nr. 95, in het genot waren van de oorlogstoelage.

Deze regeling gaat in op 1 Mei 1946

 

                       

 

 

Uit voorgaande overzicht blijkt in welk taalgebruik men in die tijd heeft getracht de militairen te informeren, in dit geval een heel verhaal terwijl Jan Soldaat zijn hand moest ophouden voor fl. 1.70 per dag, zoals al eerder gemeld was dat incl. gevarentoelage !

Inhoud
Hoofdstuk 04

 

De eerste politionele aktie loopt ten einde en de bedoeling is dat het Bataljon wordt afgelost door 3 - 7 - R.I., en wij naar Oost Java gaan waar zich ook de Staf van de 4e Infanterie Brigade bevind, waartoe het Bataljon behoort.

Er ligt een K. P. M. schip op de rede van Semarang , het is een Libertyschip  met de naam    m. s. van der Waals, en de bedoeling is dat wij daarmee naar Soerabaya gaan, de Kapitein is echter van mening dat er voor ons geen plaats is aan boord want het schip zit vol, maar de legerleiding beslist uiteindelijk toch dat wij mee moeten en wij allemaal op het dek kunnen worden vervoerd. Er is niemand van de legerleiding die ook maar stil staat bij een e.v. scheepsramp want voor dit Bataljon is er geen reddings materiaal aan boord, de ramp zou niet te overzien zijn indien we het schip om welke redenen dan ook hadden moeten verlaten op volle zee. Het is 12 September 1947, de dag dat Jan zijn twintigste levensjaar bereikt, als het 4e Bataljon wordt ingescheept via lichters die van de kade naar de rede varen waar het m.s. van der Waals voor anker ligt, aan de kade ontdekt men, dat de buitgemaakte 3 tonner niet bij ons hoort en deze blijft achter, zo gaat onze Harley Davidson met zijspan ook niet mee. Het vormt een vreemd schouwspel wat zich daar later op het dek bevindt want vele hebben een aap of hun baboe meegenomen, en die laatste hebben ook hun levende have meegenomen, zoals kippen en geiten. Vreemd eigenlijk dat niemand daar een stokje voor heeft gestoken.

Er zijn natuurlijk lang niet genoeg sanitaire voorzieningen voor ons, zo weet Ton Weterings zich te herinneren dat zij de nacht op dat schip hebben doorgebracht in de open lucht, op het dek onder een truck.                                                                                                

Vic van Schijndel, zoals we hem in het vervolg maar zullen noemen, weet zich nog goed te herinneren dat er maar mondjesmaat te drinken was terwijl wij de hele dag in de brandende zon moesten zitten, enige bescherming was er niet, het slapen op het vochtige ijzeren dek was ook geen pretje, zo bestonden de maaltijden uit noodrantsoenen.

Als het Bataljon een dag later aankomt bij Soerabaya is het geen aanzicht hoe iedereen er uitziet. Op de kade staat een welkomst comité, waaronder de Brigade Commandant en een drumband, en wordt er een toespraak gehouden, maar als dat 4e Bataljon Prinses Irene van boord gaat weet men niet wat ze zien, en krijgt dit Bataljon de naam Circus Irene.

 

Er staan A. A. T. trucks gereed en die brengen ons naar de Kromhout kazerne, aan de andere kant van de stad. De volgende morgen moeten wij ons materiaal ophalen, dat in de ruimen van het schip is meegekomen, maar dan blijkt dat door mogelijke sabotage alles door elkaar is geschoven, waarschijnlijk ook door het slechte stouwen. Er is veel schade en van de B. S. A. van Jan zijn de banden doorgesneden. Er komt hulp van de mobiele L. T. D. werkplaats en zij rijden later met hun motoren, en andere voertuigen, naar de kazerne.                                   

 

In die kazerne was er een veldslag om de eigen spullen weer terug te krijgen, alles was door elkaar geflikkerd, maar er waren ook wel voordelen want zoals Vic weet kreeg hij voor het eerst in Indië een goed bed. Ze zijn s’ avonds nog de stad ingegaan daar was genoeg te drinken, en de schade werd daar dan ook ingehaald, het gevolg was dat Vic achter het stuur is gaan zitten van de truck van Kees van Rij en de hele ploeg naar de kazerne terug heeft gereden. Kees en de anderen waren zo zat als een aap, en het was dan ook niet leuk toen Jopie Leisner op de treeplank van de rijdende truck stond terwijl Kees uit het portierraam hing begon over te geven.

 

Naast de Kromhout kazerne bevond zich een kazerne waar de Koninklijke Marechaussee was gelegerd en daar wordt de R. P. op een avond uitgenodigd. Er blijkt kort geleden ook een nieuwe lichting uit Holland te zijn aangekomen die een tijd niet buiten de poort mochten komen, er zijn toen enkele over de omheining geklommen en hebben de stad bezocht, maar ook zijn er enkele naar de publieke vrouwen geweest en hadden daar een geslachtsziekte opgelopen, zelfs zo erg dat er één van hun als vermist zou zijn opgegeven, tenminste dat verhaal werd ons zo verteld. Als Jan het zich goed kan herinneren zou het om Japanse Syfilis gaan, en zo werd steeds duidelijker vooral geen sexueel kontakt met vrouwen in dit land aan te gaan.

Op 17 September worden de spullen weer bij elkaar gepakt en gaat de Staf Comp., en dus ook de M. T., naar Perning en daar staan redelijke huizen waar wij worden ondergebracht.

De monteurs krijgen de beschikking over een grote oude loods waar het onderhoud van de voertuigen kan worden uitgevoerd. Na het middageten is er een rustpauze en om ongeveer 15.00 uur wordt er door een stel een partijtje volleybal gespeeld, daarna mandiën en moet men zich kleden volgens de tropen voorschriften bij duisternis, hetgeen inhoud een lange broek en de mouwen van het overhemd naar beneden. De Regiment Politie heeft opdracht daarop toe zien. In de avonduren wordt er veel gekaart en brieven naar huis geschreven. Ook zijn er gezellige uurtjes bij elkaar en wordt er vaak een borreltje geschonken, voor zover dat voorradig is.

Er is van bamboe en hout een kerkje gebouwd in het kamp zodat daar de zondagsdiensten worden gehouden.

Ook is er zondags gelegenheid, mits men geen dienst heeft, met de busdienst naar Soerabaya te gaan.

 

 

Perning, voor het vertrek naar de bioscoop,vlnr: Tol,onbekend

Weterings, Uitentuis, Broekhuizen en Boksem

Ton Weterings maakt, zoals vele anderen, gebruik om tijdens zo’n bezoek aan Soerabaya op de pasar een souveniertje voor zijn meisje te kopen, dat meisje Riny zou later zijn echtgenoot worden.

 

De Regimentspolitie krijgt een deel van een villa en zij krijgen er een nieuwe taak bij, nl. het weg brengen van berichten per motorfiets naar voorposten, het Bataljon heeft twee motorordonnansen maar die kunnen het werk niet aan daarom gaan zij hun tijdelijk helpen. Op zich zelf is het geen onaardig werk om per motorfiets door de mooie natuur te rijden. Was het niet zo dat dit gebied nauwelijks onder controle was, en men zelfs beschoten werd. Jan hoort een keer de kogels over zijn helm fluiten als hij op de terugweg is van Randegan Koelon waar een bericht moest worden gebracht, en toen hij terug was in het kamp is dit meteen gemeld en  vond  men  een  oplossing  door  de  volgende  keer  een  Sniper (scherpschutter) als duopassagier mee te laten gaan. Dat stelde natuurlijk niets voor want wat moet iemand met een geweer achter op een hotsende motor beginnen?

Vic gaat op een ochtend met de makkers van de Ost. Cie. naar Modjokerto om met hun elftal te gaan voetballen, de tegenpartij is de 2e Cie., die laatste wint ook met 6-0. Op de terugweg wordt er Chinese whisky gekocht en s’ avonds tegen 6 uur zijn er al verscheidene manschappen die een stuk in hun kraag hebben, maar om 7 uur is de officiële opening van de pas gereed gekomen kantine, zij waren zo luidruchtig dat ze er tegen 8 uur al werden uitgesmeten. Natuurlijk waren er veel protesten en moest de Luit. er bij blijven om te voorkomen dat de geweren gingen spreken, de Luit is ook anderhalf uur blijven wachten tot het stel in slaap was gevallen.

De volgende ochtend informeert de kapitein tijdens de vlaggenparade hoeveel drank er was ingeslagen, dat waren 10 flessen, voor een peloton van 17 man. De Sergeant Hoek kreeg voor iedere fles drank één dag streng arrest van de Overste. s, Middags is er een extra appél en dan laat de Kapitein weten dat het allemaal niet zo erg was geweest en dat hij zelf ook wel een borrel lustte.

Twee dagen later houdt de Overste een toespraak in de kantine en liet weten het te betreuren dat hij zich had laten meeslepen door zijn boosheid en trok alle door hem genomen maatregelen in. Die avond is er een gezellige avond, mede i.v.m. het vertrek van Pionier Kemperman, die wegens het sneuvelen van zijn broer naar Holland terug mag. De Kapitein en de Luit. kwamen ook een half uurtje op bezoek en namen een fles goede jenever mee, en dat was wel erg sportief.

 

Er gebeurt ook iets vreemds in het kamp Perning, er stonden enkele spoorwagons en daar zou iets uit verdwenen zijn, later werd bekend dat het om medische spullen ging. Jan wordt daarvoor op het matje geroepen en men wist te vertellen dat hij meer van die verdwijning af wist, aangenomen werd dat vriend Jonkers daar meer vanaf wist i.v.m. een bevordering.

Trouwens de belofte die was gedaan dat de drie R.P. ers de rang van korporaal zouden krijgen was nog nooit uitgevoerd, dat zal allemaal wel te maken hebben gehad met de lege Schatkist van de Staat der Nederlanden. In ieder geval moet Jan een maand voor straf naar een bewakingspost aan de Melirip sluizen, hij is daar behoorlijk nijdig over maar er is niets tegen in te brengen. Jan beleeft daar wel een leuke tijd met de Infanteristen die daar waren gelegerd, en er was daar een instelling van het Burgerbestuur die zorgde voor het onderhoud aan de sluizen en zij hadden de beschikking over een 3 ton’s ex-leger truck en met dit voertuig heeft Jan menig ritje gemaakt en kon zo weer zijn autorij ervaring opdoen.

 

Na die maand komt hij terug in Perning en was de Regiment Politie spuugzat en is naar de 1e Luitenant v. d. Veen gestapt, hij was immers M. T. O. , en heeft hem gevraagd of er geen behoefte was aan een automonteur, zijn antwoord was: Heb je verstand van motorfietsen ?

Natuurlijk had Jan wel enig inzicht gekregen aangaande motorfietsen in militaire dienst, maar echt verstand ? In ieder geval luidde zijn antwoord: “Dat zal wel lukken “ De M. T. O. zou kontakt op nemen met de Bataljons Commandant, en Jan moest al vast gaan praten met zijn baas , de Wachtmeester Joop van Ewijk, die toonde geen enkel bezwaar. Toen de Bataljons Commandant dan ook zijn goedkeuring gaf was de keuze gemaakt en begon Jan de volgende dag als motorrijwiel monteur bij de M. T. en kreeg een apart hoekje in de werkplaats. Er waren verschillende merken, B. S. A. - Matchless - Triumph - Ariel - en Norton. In de direkte omgeving van het kamp was het nog wel veilig zodat er vaak een proefrit kon worden gemaakt, en dat gebeurde misschien wel meer dan nodig was. In ieder geval kreeg Jan het goed naar zijn zin bij het M.T. gezelschap. Buiten van Ewijk waren er nu nog twee leden van de R. P., Dirk Roggeband en die Jonker, en omdat Dirk het ook niet meer zag zitten alleen met die Jonker over te blijven heeft hij verzocht terug te worden geplaatst naar zijn oude maatjes bij de 4e Compagnie en dat is hem ook gelukt. Hoe het verder met die Jonker is gegaan weet men niet, bekend is dat van Ewijk na zijn dienstverband terug gekeerd is naar Nederland, en het vermoeden bestaat dat Jonker is overgeplaatst naar de Marechaussee in Soerabaya. Jan heeft later in de jaren 1955 Joop van Ewijk nog eens opgezocht in Tilburg, hij was toen nog steeds in militaire dienst.

 

Vic van Schijndel gaat van 9 tot 29 November naar het eiland Madoera waar hij de bezetting meemaakt, er moest veel worden gelopen waardoor het een vermoeiende actie was, maar bleef beperkt tot een aantal schermutselingen. De natuur op Madoera was fascinerend zo leek de omgeving van het dorp Amboenten, met zijn palmenstranden, wel op de plaatjes zoals je tegenwoordig in de reisfolders ziet.

 

In deze periode staat het volgende in de dagbladen:

 

De regering heeft in een verklaring o.m. het volgende bekend gemaakt:

 

De ontwikkelingen van de toestand in Indonesië in de afgelopen maanden is niet dusdanig gunstig geweest als de regering tevoren had gehoopt. Hierdoor is de aflossing der troepen, welke volgens de aanvankelijke plannen en de daarop gegronde toezeggingen reeds voor de demobilisatie in aanmerking kwamen, vertraagd.

 

Deze berichten verhogen natuurlijk niet de juiste stemming !

 

Het overkomt Ton Weterings in Perning dat hij op het matje wordt geroepen bij de Comp. Commandant Kapt. de Paauw. Na binnenkomst op zijn bureau salueert Ton netjes en meldt zich zoals het is geleerd, dan wordt hem verteld dat er een klacht is gekomen door Sergeant Timmermans, deze had s’ morgens met luid gebel iedereen te kennen gegeven dat het tijd was om op te staan, Ton had tot twee keer toe dat bevel genegeerd want hij had eigenlijk nog een kater van de vorige avond, en had uit een geintje gezegd: Vent sodemieter op.

In zijn positie als Wachtcommandant vond Sergeant Timmermans deze handelwijze niet te moeten tolereren en had het ook zo overgebracht aan Kapt. de Paauw. Ton was het hele voorval eigenlijk al lang vergeten, maar werd nu met zijn neus op de feiten gedrukt en kreeg twee maanden verzwaard. Dat hield in overdag gewoon dienst doen, maar na de diensttijd en ook in de weekenden binnen blijven. En hier komt weer de geweldige goede natuur van onze Luit. naar voren want hij gaf Ton opdracht busdiensten uit te voeren in de tijd dat hij eigenlijk voor straf moest binnen blijven. Voor deze man had je dan ook de grootste waardering, want hij begreep dat er door ons tijdens de dienst flink werd aangepakt, en een enkele uitspatting getolereerd moest worden.

 

Wat  die  motorfietsen  betreft, de  monteurs  hadden eigenlijk weinig zin aan die dingen te sleutelen, zo stonden er op een zeker moment enkele motorfietsen in de garage waarvan één met een lekke band, Ton Weterings en Dick Broekhuizen hebben die band toen gerepareerd en zijn toen ieder op een motorfiets een ritje gaan maken, en natuurlijk moest er even met hoge snelheid worden gereden maar dan gebeurt het dat van de motor waarop Ton rijdt de voorband ineens weer lek raakt waardoor hij met zijn hoofd rakelings langs een pijler van een brug schuift. Het loopt gelukkig goed af. Ton heeft in zijn latere leven ook nooit meer op een motor gereden.

 

Wim Uitentuis schrijft hierover het volgende:  In Perning was één van de bezigheden tijdens onze vrije tijd zwemmen, maar niet alle makkers van de M. T. hielden van zwemmen, eigenlijk konden ze niet allemaal zwemmen. Toen wij in Perning gelegerd waren was zwemmen niet een van onze voornaamste bezigheden daar er geen zwembad in de buurt was. Achter  ons  kamp  stroomde de  kali  Mass  richting  Soerabaya en Moppie (Gerrit v. d. Hurk ) Wim Boksem en mijn persoon hebben een paar keer in die kali gezwommen. Op een goeie dag toen deze drie niets te doen hadden vroegen zij aan Arie Jongenelen of hij het drietal een kilometer of drie stroomopwaarts wilde brengen, met zijn drietonner. Dat lukte, de kali was vrij vuil van wege de regen de laatste paar dagen, maar daar zagen zij geen bezwaar in, en er stond ook een knappe stroming. Daar gingen zij dan al drijvende terug naar het kamp in Perning, het ging prima tot ze onverwachts een Leguaan zagen die vanuit de kali de wal op klauterde. Zij schrokken wel maar waren er toch gauw voorbij gedreven, dat beest was ongeveer een meter lang en leek wel op een krokedil. De gedachten waren, als er één is zullen er wel meer zijn, zo gingen zij de spoorbrug onderdoor tot Wim plotseling door een draaikolk naar beneden werd gezogen, hij raakte echter niet in paniek maar liet zich rustig mee naar de bodem van de kalie zuigen, toen kwam hij met een grote zwemslag uit die kolk, gelukkig was het maar een paar meter diep en kwam hij gauw weer boven. Daarna  werd er nooit meer door hun in die kalie gezwommen.

Later tijdens ons verblijf in Modjokerto mocht de M. T. gebruik maken van het water reservoir bij de Spiritus fabriek, net even buiten de stad gelegen. Onnodig om te vermelden is dat we daar zeker drie a vier keer per week gingen zwemmen. Op een goede dag werd Moppie er op betrapt toen hij in onze tamelijke grote “Mandi bak “ aan het zwemmen was, deze gewoonte werd hem zeer kwalijk genomen en dat is hem in niet al te leuke termen verteld.

Soms mochten enkele leden van de M. T. met verlof naar Patjet dat in de bergen was gelegen. Er was een klein zwembad ter beschikking, de temperatuur van dat water was nogal koel, maar daar waren wij gauw aan gewend. Hier leerde Dick Broekhuizen zwemmen van Wim Uitentuis. Op een goede dag was Dick weer eens aan het oefenen toen Wim aan Dick het voorstel deed naar de overkant van het bad te zwemmen, zo gezegd zo gedaan, maar toen Dick ¾ van de afstand had afgelegd schreeuwde Dick “ Wim ik kan niet verder “ Hij moest nog een paar meter zwemmen en Wim zei “ Je bent er bijna Dick, hou nog even vol “ En Dick heeft het gehaald maar zei later “Als je mij verteld had dat ik nog twee meter moest zwemmen dan had ik het zeker opgegeven “.

 

Aangaande de zwemkunst weet Joh. Boekestijn het volgende te vertellen:

Hij herinnert zich van Modjokerto dat degenen van de M.T. waarvan het in het Sportfondsenbad in Amersfoort niet was gelukt de zwemles meester te worden er makkers waren die hun dat wel even zouden bijbrengen, in een zwembadje van twee meter diep dat was ontdekt bij een woning in de naaste omgeving. Het zou wel lukken met een touw om het lijf gebonden, en natuurlijk liet men dat touw wel eens een stuk vieren waardoor Joh. kopje onder ging, maar vanaf die tijd kon hij zich redelijk drijvende houden.

 

Tretes was een ander vakantieoord, elke week gingen ongeveer 15 Irene mannen daar naar toe met een week verlof. Deze keer was het Sergeant de Jager, Luck Paardekooper en ondergetekende Wim Uitentuis, die de M.T. mochten vertegenwoordigen. We hadden veel plezier met de berg paardjes die erg klein waren en een lange soldaat van de tweede compagnie kon zittend op zo’n paardje met zijn voeten de grond raken. Niettemin hadden we ontzettend veel schik met die paardjes. Er stroomde een kleine beek langs ons bivak, en op een goede dag besloten de drie M.T. mannen het stroompje te volgen, stroomopwaarts het bos in en tegen de berg op. Zo hadden wij dan een paar uur geklommen maar schijnbaar weinig vooruitgang gemaakt, het bos begon steeds dichter begroeid te worden en leek wel wat op een rimboe en rondom ons heen waren talloze krijsende apen die blijkbaar niet op het gezelschap van mensen gesteld waren.

Plotseling liepen wij tegen een rotswand op die kaarsrecht naar boven liep, een prachtige waterval kwam met denderend lawaai naar beneden, tegen die rotswand waren wij niet opgewassen, dus toen zijn we maar terug naar beneden gegaan. De apen volgden steeds maar waren wel kalmer geworden en het gekrijs was bijna gestopt. Hoewel het klimaat in Tretes vrij koel is vergeleken bij Soerabaya, waren de M.T. mannen toch erg warm en bezweet. Tretes had een bijzonder mooi zwembad, met de naam Oase, waar wij na de expeditie in de bergen een uurtje door hebben gebracht, het water was 18 graden maar daar zagen wij helemaal niet tegenop. Het zwembad in Malang was absoluut het beste zwembad van allemaal, daar was een springplank die ik elke keer gebruikte als er gelegenheid tot zwemmen was. Er was ook een bar waar wij een biertje

 

 

 

 

 

Overzichtskaart Oost Java

 

 

 

                                    B.bendo baboes

 

dronken, maar bier en zwemmen gaan niet samen, dat had ik in de gaten toen ik besloot een salto van de hoge duiktoren te ondernemen. 

 

Maar het verhaal gaat eerst nog verder in Perning, het is 11 December 1947 als er een noodtoestand uitbreekt, men zegt dat t.g.v. de vele regenval er een dijk van de kali Namojo nabij Kloeloet is doorgebroken, maar boze tongen vertellen dat de dijk is doorgestoken. In ieder geval staat op deze 11 December het water s’ morgens zo hoog in het kamp dat iedereen in rep en roer is, er wordt later beweerd dat het water op sommige plaatsen 2 meter hoog was. Voertuigen worden met sleepkabels op het droge getrokken, alle spullen in de werkplaats worden naar een droge plek gebracht en iedereen loopt door het water te waden, soms met stokken gewapend voor de slangen, en ander ongedierte.

 

Als Jan die ochtend wakker wordt ziet hij zijn koffer naast zijn bed drijven, hij heeft nl. een kamertje achter het gebouw dat op niveau van het maaiveld ligt, hij kleedt zich snel aan en gaat via het hoger gedeelte van de villa naar de voorgalerij, en als hij de vier a vijf treden die onder water staan wil afstappen blijkt dat door de stroming van het water de grond is weg gespoeld en hij in een diepe geul terecht komt. Hij wordt door de stroming mee gesleurd, komt met zijn been vast te zitten in een rol prikkeldraad maar weet zich te redden, ondanks niet de zwemkunst meester te zijn, maar wel met een hevig bloedend been komt hij op een veilige plek, op dat moment was er ook geen hulp in de buurt.

 

Er worden A. A. T. trucks gestuurd en zij vervoeren de bewoners van het kamp naar de andere kant van de kali, dat is de plaats Balongbendo, dat ligt aan de verkeersweg Soerabaya, Krian, Modjokerto. Het zijn de restanten van een oude - en vernielde - suikerfabriek waar zij worden ondergebracht. Zo komen Simon Beuving, Arie Jongenelen, Kees van Vliet, Jan Derksen en Jan Baas terecht in een garage welke bij het hoofdgebouw hoorde.

In een deel van die oude fabriek kwam de M. T. werkplaats en ook een hoekje voor de motor fietsen, en zo gingen de activiteiten weer zijn dagelijkse gang. De trucks voerden hun transporten uit naar Soerabaya en voorposten, de monteurs doen pogingen het oude materiaal aan de praat te houden en onze M. T. O. met zijn direkte medewerkers moet dit alles in goede banen proberen te leiden. Zo was er geen compressor om de autobanden op te pompen, het gebeurde met een handpomp waarmee velen een beurt kregen een bepaald aantal slagen uit te voeren. Er is al eens geschreven dat in dit leger de hobbyist zijn hart kon ophalen, welnu Jan knutselt nu een compressor in elkaar door een motorblok van een Harley door een oude benzinemotor aan te drijven, en door een ventiel in het bougiegat te draaien, dat ventiel behoorde bij de uitrusting van een truck om het mogelijk te maken via de motor de banden op spanning te brengen. De compressor werkt niet optimaal maar het is toch beter dan handwerk in dit warme land.

 

Dick Broekhuizen en Ton Weterings krijgen een keer de opdracht met de servicewagen, een ¾ tonner, de fourage naar een voorpost te brengen. Daar aangekomen ligt er een brug over de kali, die brug is van bamboe gemaakt. Aan de dienstdoende fourier wordt gevraagd of die brug sterk genoeg is om er met onze ¾ tonner over te rijden, waarop het antwoord is: Er zijn hier meerdere voertuigen over gereden en dat ging altijd goed. Maar toen deze keer die ¾ tonner er over ging was het mis, één van de kokers waarmee de brug zijn draagkracht had draaide weg met het gevolg dat de truck omgekeerd in de smalle kali kwam te liggen.

Iedereen was enorm geschrokken maar gelukkig brachten zij het er goed van af. Na ongeveer vier uur wachten kwam er een Break Down (kraanwagen ) die de ¾ tonner uit de kalie takelde en in de takels naar de L.T.D. werkplaats in Soerabaya bracht, daar werd er een andere cabine op geplaatst.

 

Ton Weterings krijgt in Balongbendo last van de bekende Malaria waarbij hoge koorts optreed, hij moet gedurende een dag of vijf a zes een pillenkuur volgen waarbij veel moet worden gedronken, de hospikken letten er dan ook op dat die kuur stipt wordt uitgevoerd.

Later krijgt hij ook nog een flinke aanval van dysenterie hetgeen erg besmettelijk was, daarvoor moest een streng dieet worden gevolgd met het slikken van Norit tabletten, en of het niet genoeg is overkomt het hem later ook nog dat hij verstopte talg kliertjes krijgt in zijn gezicht, die eruit worden gesneden en de wond wordt gehecht.

De motor ordonnansen hebben het ook weer te druk zodat Jan moet bijspringen door af en toe een bericht naar Modjokerto, en omliggende posten, te brengen, maar hij is inmiddels al aardig ingeburgerd bij de M. T., in het bijzonder begon er een vriendschap met Arie Jongenelen en Jan Derksen ( een o v w.- er die toen nog Pim werd genoemd ) Ook komt het eerste kontakt met Simon Beuving en dat zal ver strekkende gevolgen hebben voor later !

Het wordt al gauw bekend dat Jan een burger rijbewijs heeft en zich ook aangetrokken voelt tot de chauffeurs, het vermoeden bestaat dat onze M.T.O. ook wel interesse had in de rijvaardigheid van eerst genoemde en daarom Pim Derksen opdracht gaf hem een dagje mee te nemen voor een rit naar Soerabaya, daar moest voor de kwartiermeester proviand worden gehaald. Pim reed op een Ford 3 tonner van het type Marmon Harington en onderweg mocht Jan het stuur overnemen, dat waren de eerste van de vele kilometers die de nieuwe M. T. chauffeur maakte, en vanaf die dag stond het voor onze M. T. O. vast dat Jan Baas een goede aanvulling was waardoor er zo nu en dan een truck van een vermoeide of zieke chauffeur kon worden overgenomen. Pim daar tegenover was erg geïnteresseerd in de B. S. A. en mocht daar mee van Jan kleine ritjes maken. Zo werd om beurten een truck over genomen van Arie Jongenelen, Simon Beuving en moest ook wel eens Dominee Oomkes in zijn Jeep worden gereden zoals op een Zondag als hij op een voorpost een dienst ging houden. Maar natuurlijk gingen ook de reparaties door aan de motorfietsen.

 

Er is met het thuisfront inmiddels door vrijwel iedereen een regelmatige correspondentie op gang gekomen, zo ook bij Jan die regelmatig post krijgt van ouders, broer, werkgever en collega’s. Er was ook nog correspondentie met een of andere vriendin maar dat stelde weinig voor, en als er s’ avonds enkele makkers aan de grote tafel zitten te schrijven ziet Jan Baas dat Simon Beuving een brief aan iemand zit te schrijven waar een fotoafbeelding bij ligt. Het blijkt een foto te zijn van zijn nichtje Sientje Oosting die in Stadskanaal woont, Simon vertelt dat hij eigenlijk teveel correspondentie heeft en vraagt of Jan met zijn nichtje wil gaan schrijven, en  als  Jan  daarmee  instemt  krijgt  hij  het  adres  en  op 20  December 1947  wordt  de  eerste  brief  aan  haar gestuurd, met  de woorden Ik ben het slapie van Simon en ik heb wel interesse om met jou een briefwisseling te gaan onderhouden,                              

Zij antwoordt op 2 Januari 1948 en haar antwoord is erg positief, zo laat zij o.a.. weten de leeftijd van 17 jaar te hebben en samen met haar broer bij haar ouders te wonen in de Spoorstraat te Stadskanaal, ze eindigt met: Tot schrijfs , je vriendin Sientje.                                      

Dit zou de aanloop zijn tot een frequente briefwisseling, en later nog veel meer!

 

De Kerstdagen worden ook doorgebracht in Balongbendo en men heeft beslag weten te leggen op een grote bus pruimen op sap, enkele flessen Tripel Sec, Jenever en nog een ander soort alcohol waarvan de naam onbekend is, dat spul wordt bij elkaar gevoegd en na goed door elkaar te zijn geroerd blijft het een poosje staan tot aan de Kerstdagen en dan wordt er een stevige borrel geschonken, eigenlijk een Bowl, voor sommige net iets te pittig maar er ontstaat wel een leuke stemming en dat is zo nu en dan wel eens goed in dit vreemde land, waar ook zoveel gebeurt want inmiddels zijn er van het Bataljon 5 personen gesneuveld of door een ongeluk om het leven gekomen, waaronder ook het vroegere slapie van Jan in de Saksen Weimarkazerne, Sjors Lucas.

 

Na de Kerst komen wij in het jaar 1948, wat zal ons dit jaar weer brengen ?

Er worden regelmatig transporten uitgevoerd, ook worden verlofgangers opgehaald van de voorposten, zij mogen een dagje naar Soerabaya waar zij bij de Prinses Marijke Club worden afgezet en laat in de middag weer opgehaald om terug te worden gebracht in de donkere avonduren. Wat die Simon Beuving aangaat, er was eigenlijk niemand in het hele Bataljon die hem niet kende, Simon had in feite een hart van goud maar als je ruzie met hem kreeg kon je beter een straatje omgaan. Hij reed in deze periode met een Fargo truck, het was eigenlijk geen rijden maar laag vliegen want als het even kon trapte hij het gaspedaal door de vloer. We hebben vaak bij de ingang van het kamp, aan de verkeersweg, staan luisteren naar een brommend aanzwellend geluid dat leek op een vliegtuig tot dat de koplampen van de Fargo in het zicht kwamen en Simon zijn laatste stukje naar het kamp nog even iets sneller probeerde te gaan. Bij die inrit van het kamp ( een oude suikerfabriek ) hadden onze voorgangers de Mariniers twee vaten met grind van ieder 200 liter inhoud geplaatst waar precies de breedste truck door kon en Simon wist dat zijn Fargo dat ook kon en dat deed hij dan ook met een behoorlijke snelheid tot dat op een keer door iemand die vaten iets naar elkaar toe waren geschoven, toen moesten er twee spatborden van de Fargo worden uitgedeukt. Onze Luit. heeft het nooit geweten.

 

Wat de ritten met verlofgangers, de zg. busdiensten, betrof daar is ook weer een verhaal over te vertellen, de jongens van de voorposten die een dagje naar Soerabaya gingen hadden hun geld opgespaard want op die posten was er weinig uit te geven zodat zij vaak zo gul waren de chauffeurs een rondje te geven, daarentegen waren die chauffeurs vaak platzak want het kleine beetje soldij dat werd betaald was lang niet genoeg voor het betalen van al die consumpties bij deze stadsritten. Het soldij voor een zg. geoefend soldaat bij uitzending naar Indië bedroeg nl. fl. 1.40 per dag, de oorlogs toelage was fl. 0.30 per dag, zodat een optel sommetje laat zien dat een chauffeur met de rang van soldaat fl. 1.70 per dag kreeg, en daar kon men lang niet mee rondkomen bij die ritten naar Soerabaya.

 

Als 2 - 5 R. I. , vanuit Modjokerto in April 1948 terug naar Holland gaat, neemt een deel van het 4e Bataljon Prinses Irene die plaats over, en zij komen dan weer in de bewoonde wereld. Er is een militair tehuis met de naam Apendans welke grotendeels onder beheer staat van Pater Baeten, ook daar schiet men tekort aan financiën maar Simon Beuving weet altijd wel iets te versieren om bepaalde benodigde artikelen te verzorgen. Jan weet ook nog dat hij in de Apendans dikwijls met volle aandacht heeft zitten luisteren naar het pianospel van Wim Ouwehand. Er is ook een Bioscoop en het leven wordt een stuk aangenamer. De M. T. heeft de beschikking gekregen over een mooie villa en aan de andere kant van de straat bevind zich de werkplaats / garage anex parkeerplaats.

De manschappen worden verdeeld over verschillende kamers, een deel komt in  de  grote  voorkamer, de  twee  onder - officieren  de  Jager  en Timmermans komen in een kamer dat links van het gebouw ligt, en in de grote achterkamer krijgen Piet van Asten, Jan Baas, Simon Beuving, Pim Derksen, Gerrit v. d. Hurk ( Moppie ) en Arie Jongenelen een plaatsje voor hun tampatje.

De monteurs krijgen weer genoeg werk om alles draaiende te houden, het zijn ook vaak geïmproviseerde reparaties, veel storingen aan de verlichting, benzine toevoer en ontsteking.

Een stuk gereedschap om b.v. een motor op te takelen was er niet, met touwen en blokken hout werd dat opgelost.                                                            

Vic van Schijndel, die thuis hoorde bij de Pioniers van de Ondersteunings compagnie, wordt in deze periode ter beschikking gesteld van de M. T. en krijgt een voorlopige taak bij de administratie, waar hij met Ab Abbink en Johan de Goeyen het bureau werk mag doen. Zoals hij laat weten is het erg interessant werk, zoals het bijwerken van de voorraad-administratie. Zo zijn er kaarten waarop de fietsen vermeld staan met de tekst:

In voorraad  zijn 4 fietsen, uitgegeven 6 fietsen, rest- voorraad: minus 2 fietsen.

Het zal duidelijk zijn dat voor dit soort werk een zeer speciale motivatie nodig is, die Vic echter niet tot de zijne kon rekenen.

Hij had tussendoor gelukkig nog wat afwisseling, zoals s’ morgens in alle vroegte met een truck de baboes ophalen in Balong-Bendo, zo blijft hij voorlopig ook nog formeel bij de Pioniers, maar komt later definitief bij het M. T. peloton

 

Er zijn inmiddels ook twee nieuwe motorfietsen bijgekomen, t. w. Harley Davidson, s 750 cc. Ze zijn bedoeld voor de ordonnansen Frieling en Karrenbelt, en het onderhoud geschiedt door Jan. Het is een feest om met een dergelijk voertuig te rijden, de bagagetassen moeten wel met zand zijn gevuld, anders stuitert men van de motor af op de slechte wegen.

 

Over deze tijd verteld Dick Broekhuizen het volgende:                     

Met enige regelmaat mochten wij mee naar Soerabaya, ik stond dan b. v. samen met Tommy Tol, Wim Uitentuis en Ton Weterings achterop de laadbak van een truck, wij gingen dan meestal eerst naar een bioscoop.

 

 

 

 

 

 

Dat was daar een stuk netter dan in Modjokerto want daar zat je bijna in de open lucht en de vleermuizen vlogen langs het filmdoek, na de Bioscoop moest er ook nog een pilsje gedronken worden, wij huurden dan een paard en wagen, dat wagentje had één as, dus op twee wielen, en het paardje was klein van stuk. Het was goed voor het vervoer van 2 passagiers maar wij wilden er een keer met vier man in plaats nemen.

De Chinese koetsier was gekleed in pyjama en moest er dus zelf bij gaan lopen, tot dat één van ons tot drie telde en wij alle vier achterin het koetsje gingen zitten, het paardje werd ophoog getild en hing zo’n 30 cm boven de grond aan zijn tuig. De Chinees had zijn handen gevouwen en riep Kassian Toean en wij stikten van het lachen, het was wel gemeen maar wij knapten er wel van op. 

 

            Het M. T. peloton

 

Er komt heel  wat  kijken om  een  M.T. eenheid  te  laten  functioneren,

Van hoog tot laag, ieder heeft zijn taak, en hebben dat ook moeten leren.

Laten we beginnen bij de M.T.O. onze Luit. hij is de hoogste in rang,

Met zijn gezag, opdrachten en inzichten houdt hij al alles aan de gang.

Maar men mag met deze functie nog zo’n goede leider zijn van t’ geheel,

Zij ondergeschikten zijn toch ook zeer zeker een belangrijk onderdeel.

Zoals de Sergeanten, twee in totaal, één is Chef van het rollend materiaal

De ander is plaatsvervangend MTO, wat hij beheert is een apart verhaal.

Dan volgen de vijf korporaals, die hebben te samen ook wel enig gezag,

De rang daaronder is soldaat 1e klas, zij beuren  minder soldy per dag.

Als laatste de soldaat, hun prestaties zijn er niet minder om, weet dat wel,

Het zijn de chauffeurs, en ook ver in de meerderheid van het hele stel.

 

                  

 

Wat betreft de garage, die tegenover het woonhuis van de M.T. was gelegen, daar is toen een provisorische brug gemaakt om de trucks op te kunnen rijden om zodoende beter het onderhoud aan de onderzijde te kunnen verrichten. Die brug werd samengesteld uit oude olie drums en ijzeren balken, met veel precisie moesten de voertuigen daarop worden gereden, het was alweer een eigen ontwerp van hobbyisten.   

Wat de plaats Modjokerto aangaat de afstanden naar o.a. kantine en bioscoop waren op loop afstand.

Ton Weterings weet nog dat tijdens een proefrit, bij het oplossen van een benzine storing er over de brug van de Kalie Brantas een handelaar stond met zo’n 20 balen suiker. De Chinees liet weten dat hij daarmee naar Soerabaya wou en het hem wel wat waard was als wij dat transport voor hem uit voerde, een afstand van zo’n 60 km. Gebrek aan geld, dus met ons drieën snel de balen geladen, de Chinees bij de balen onder het dekkleed  en  wegwezen. Onderweg verschillende controleposten maar omdat het een militair voertuig betrof met drie militairen in de cabine konden wij ongehinderd die posten passeren. In Soerabaya werden er koelies bijgehaald die met grote snelheid de laadbak leeg maakten, want met alle kentekens enz. op het voertuig moest men daar niet te lang blijven staan, de Militaire Politie was zeer actief op dat gebied. Nadat het afgesproken bedrag was voldaan zijn we snel terug gereden naar Modjokerto. Het is gelukkig ook goed afgelopen, maar het waren wel gevaarlijke spelletjes.

 

Ton was ook een keer betrokken bij een aanrijding met een Jeep waarmee hij reed, er zijn daarbij slachtoffers gevallen onder de burgers.

Het is behandeld door de Krijgsraad en hij kreeg daarvoor 2 maanden detentie , dat waren geen gemakkelijke weken.

Maar bij controle na het ongeval bleek dat er geen remvoering op de remschoenen aanwezig was.

 

De berichten van het thuisfront klinken ook allemaal gunstig, kortom het leven is weer wat aangenamer geworden. Omdat verschillende onderdelen van het Bataljon ver uit elkaar liggen wordt er dagelijks veel gereden om de benodigde goederen op hun plaats te brengen.

De chauffeurs maken veel uren en om hun af en toe wat rust te geven laat de M. T. O. ( wij zullen hem in vervolg onze Luit. noemen )o.a. Vic van Schijndel en Jan als reserve chauffeurs fungeren. De chauffeurs hebben overigens nog steeds geen militair rijbewijs voor dit land, maar daar wordt ook tot dusver niet op gecontroleerd.

Er worden nu ook ritten gemaakt naar Patjet en Tretes,  hoog in de bergen zijn vakantie oorden waar militairen om beurten een weekje mogen verblijven, en daar moet ook de nodige fourage worden gebracht. Zo krijgen de M. T. manschappen de gelegenheid daar een weekje door te brengen. Sommige chauffeurs nemen hun truck mee om dagelijks een ritje naar Modjokerto te maken voor het ophalen van proviand, en natuurlijk de post. Zo  gaan  Simon Beuving  en  Jan op  23 Mei 1948 samen met de Fargo naar Tretes, en rijden  om  beurten  naar Modjokerto. Het is werkelijk genieten daar in de bergen en er is ook een mooi zwembad.

 

Arie Jongenelen krijgt op een keer een idee, hij stelt aan Jan Baas voor samen een kamer te betrekken welke apart achter het gebouw ligt.

Er moet wel het een en ander worden gedaan zoals schoonmaken en een kwastje witkalk, maar als de beslissing is genomen en het werk is gedaan en Arie een stel mooie meubels heeft weten te versieren, dan zitten die twee erbij als een vorst. Er staat ook een mooi bureau en dat komt goed van pas want Jan is bezig met een schriftelijke cursus Autotechniek en daar kan nu in alle rust aan worden gewerkt. Arie was ook een echt versierder, je kon het zo gek niet bedenken of hij wist overal aan te komen.

In deze periode wordt de Truck van Arie ook vaak door Jan Baas bereden en dat is ook te zien, eerst stond boven het voorraam de naam Sarreltje, hetgeen de bijnaam was van Arie, maar nu staat op de bumper van die truck  Mokum  en  Sientje. Het was trouwens al lang de gewoonte, die oogluikend door onze Luit. werd toegestaan, dat er op de trucks namen stonden van onze geliefden in Nederland.

 

Op een avond krijgt Jan de opdracht van de Luit. een vrachtje te doen naar Soerabaya, de heren Officieren hebben een feestje gehad en daarvoor zijn een stel “dames” van de MARVA over gekomen, en die moeten nu weer naar hun onderdeel in Soerabaya.  De heren Officieren willen ook mee en daarom acht onze Luit. het beter dat hij zelf ook meegaat, en neemt plaats in de cabine naast Jan. Dat was een teken welk plichtsgevoel onze M.T.O. had, want wat zou Jan moeten beginnen als het uit de hand zou lopen.

De passagiers gingen flink tekeer achter in de truck maar daar had men in de cabine geen hinder van.

Er is al eens geschreven over ons grote geldgebrek zoals bij die

busdiensten op Soerabaya en daar wordt met medewerking van o.a.. Arie Jongenelen wat op gevonden. Het komt hier op neer dat er benzine wordt opgespaard in jerrycans en dat daar geld voor wordt gemaakt.

Natuurlijk is dat diefstal van Rijksgoederen, maar omdat dat zelfde Rijk zo weinig soldij uitkeert maken zij een dief van deze chauffeurs, tenminste met deze opvatting werd dit plan ten uitvoer gebracht. Natuurlijk komt die benzine uit de trucks, en als dan de truck voor de busdienst s’ avonds terugkomt worden de gevulde jerrycans achter in de wagen geplaatst en worden deze naar een Chinees gebracht.

Daar staan de lege blikken klaar, er wordt afgerekend en de truck gaat naar de parkeerplaats waar de lege blikken worden uitgeladen. De centjes worden dan verdeeld zodat de beurs weer iets wordt gevuld.

Natuurlijk wordt hier een gevaarlijk spelletje gespeeld, maar eigenlijk wordt men er toe gedwongen omdat het soldy tekort schiet in de behoefte.

 

Wat die rijbewijzen aangaat daar wordt nu iets aan gedaan. Het hele koor moet op een dag naar Soerabaya, de meesten gaan achter in de truck mee, de Luit. gaat met een Jeep en Jan gaat met zijn B. S. A. De bedoeling is dat wij allemaal ons truck rijbewijs halen, de Luit. en Sergeant Timmermans ( zoals al eerder beschreven is zijn roepnaam Timmy ) en Jan Baas ook nog het motorrijwiel rijbewijs. Zo tussen neus en lippen zegt Jan tegen de Luit. : “ Ik weet niet of ik mijn rijbewijs haal maar weet wel zeker dat U het haalt, want een Officier laat men niet zakken” Maar dat viel verkeerd, en het is vrijwel zeker dat de examinator is opgestookt om Jan het leven zuur te maken, maar het begeerde papiertje werd wel gehaald, iedereen slaagde.

 

De monteurs Ton Weterings, Dick Broekhuizen en Henk Meinderts hebben soms een periode dat het werk boven hun hoofd groeit.

Wat de motorfietsen aangaat daar wordt steeds minder mee gereden want het is te gevaarlijk in dit gebied buiten de stad of ver vanaf bewaakte posten te rijden, daarom staan de meeste motorfietsen in het hoekje van de werkplaats waar Jan het onderhoud pleegt, en omdat die motorfietsen minder tijd vergen is het ook wel eens de beurt aan Jan een handje te helpen bij de andere voertuigen. Zo geeft de Jager hem de opdracht een

motor uit- en in - een Jeep te bouwen, op zich zelf is dat ook wel weer eens leuk.

 

 

Maar er zijn toch nog leukere dingen, zoals de opdracht die nu aan een stel wordt gegeven. Het Burgerbestuur van het Oostelijk deel op Oost Java heeft de Brigade verzocht in dat deel een demonstratieve patrouille met militaire voertuigen te houden. De Nederlandse planters voelen zich onveilig. Voor deze taak worden 5 trucks van de M. T. ingeschakeld en de chauffeurs zijn Baltus, Derksen en van Rij, en verders Jongenelen, Paardekooper en Tol. Verder gaan er een serie Bren- en Load Carriers      ( rups / pantser voertuigen ) mee, waarachter het P.A.G. geschut is gekoppeld van de Ondersteuning compagnie, en voor deze laatste gaat Fransen mee als monteur rijdend op een B. S. A.  Het geheel staat onder leiding van Kapitein van Elsen, en achter het lange konvooi komt een Brack Down die de e.v.t. afvallers moet thuis brengen. Als verkeersregelaar, en ook als monteur voor de 5 trucks, gaat Jan mee op zijn B. S. A., verder zijn er nog 2 andere motorrijders die mee rijden. 

 

 

De Luit. was zo goed één van zijn twee hand vuurwapens aan Jan mee te geven, in dit geval een revolver, want zo’n stengun is maar een onhandelbaar ding op een motor, en ook neemt Jan een set gereedschap mee in de motortas. Toon Baltus en Derksen waren reeds vooruit gestuurd met de keukenwagen, zij waren de kwartiermakers. Op 9 Juni vertrekt de colonne uit Modjokerto, ook de Prinses Irene band gaat mee.  De eerste overnachting is te Probolingo, daar vind een hartelijke ontvangst plaats door de bevolking. Die avond is er groot feest, de Nederlandse burgers die in deze buurt wonen komen allemaal.

 

De Prinses Irene band vrolijkt de boel op en vrouwen van planters enz. gaan helemaal uit hun dak. Er wordt veel alcohol geschonken waardoor rangen en standen verloren gaan en het feest tot in de late uurtjes doorgaat. Tussen haakjes het vroegere maatje van Jan bij de Regiment Politie Dirk Roggeband speelde met zijn Saxofoon in de band. De volgende dag moet er gevoetbald worden. Het is een wedstrijd tussen de Irene jongens, die niet erg uitgeslapen waren, en een elftal van de bevolking. De bevolking heeft dan ook gewonnen.

 

Er wordt in de middag een show van het legermateriaal gehouden en het gebeurt dan dat een Ford problemen krijgt. De dynamo is vast gelopen en omdat aan deze dynamo het ventilatorblad zit is het niet mogelijk op eigen kracht verder te rijden, er is dan nl. geen koeling. Er wordt kontakt opgenomen met de basis in Modjokerto en daar wordt verteld dat er een reserve dynamo is, en of deze even kan worden opgehaald. Kapitein van Elsen is dan zo goed om Jan opdracht te geven even met de B. S. A. dat klusje op te knappen !

En Jan ging, in zijn eentje over een afstand van zeker 200 kilometer, gewapend met een revolvertje. Als hem dit in deze tijd zou worden opgedragen zou hij het stellig weigeren, maar zo ging dat in die tijd. Als de tegenwoordige makkers voor een half jaar worden uitgestuurd is er een hemel schreiend afscheid en staan de kranten er vol van. Het mag ook wel worden gezegd dat Timmy protesteerde tegen hetgeen aan Jan werd opgedragen.

Afijn dat ritje naar Modjokerto liep toch nog goed af, en na montage op de Ford is deze weer bij het konvooi, dat reeds eerder was vertrokken, aangesloten.

 

Het is nu de plaats Sitoebondo waar wordt overnacht, Jan krijgt een leuk kontakt met een Chinese familie waar mee wordt gecorrespondeerd.

Er is een journalist van het leger meegegaan die over de tocht een stuk moet schrijven, en deze persoon krijgt een stuk steen in zijn oog.

Een plaatselijke arts vind het beter dat de man naar het hospitaal in Djember gaat. Jan krijgt de opdracht van Kapitein van Elsen de journalist als duopassagier naar Djember te brengen, maar in het hospitaal in Djember kan men ook geen hulp bieden en de journalist wordt per ambulance naar Soerabaya gebracht.

 

In Sitoebondo is het die avond ook weer feest, de malariamuggen krijgen geen kans want die hebben een hekel aan alcohol ! De volgende ochtend gaat de reis weer verder, er wordt steeds langs de kust gereden en zo komt ook het eiland Bali in zicht. Via de Karohoogvlakte, waar het vol zit met apen, gaat het door een ruig berggebied en de carriers krijgen problemen met de koeling. Ook breken er trekpennen, dat zijn de scharnierpunten van de rupsbanden, en dat is werk voor monteur Fransen ! De volgende overnachting is in Djember en daar is weer een groots feest die avond. En dan komt onherroepelijk de laatste dag, het gaat dan via Lumajang, Malang en Lawang en vervolgens terug in de omgekeerde route van de heenreis. Het was een onvergetelijke mooie reis, en toen het konvooi Modjokerto weer  binnen  reed  gaf  de  teller  van  de  B.S.A. aan dat deze ruim 1500 mijl had gereden tijdens deze tocht.

Een leuke anekdote is het volgende verhaal, enige tijd na deze patrouille tocht door Oost Java kwam er een kranten knipsel uit Nederland van een stuk dat in een Arnhems dagblad had gestaan, het is wel leuk dit verhaal weer te geven:

                                                           

Arnhemse chauffeur over een meerdaagse patrouille van het Prinses Irene Regiment

 

Het is Woensdag, het was s’ morgens al vroeg druk. Om half zes reden er al auto, s heen en weer om bagage, bedden en keukenmateriaal in te laden. Het is bijna acht uur en om acht uur precies is het vertrektijd voor de colonne. Er zijn 4 - drietonners, 2 Jeeps en 4 Motoren, de rest is gemotoriseerd licht - gepantserd materiaal. Bij de oprit van de brug over de kalie Brantas staat een tiental vrachtauto, s die luid lawaai laten horen uit hun claxons, als laatste groet. Wij gaan naar Probolingo, Sitoebondo en Bodowoso, en dan weer terug naar

Probolingo. Ongeveer 15 km na de start gaan wij met 2 drie- tonners uit de colonne om de kwartieren in Probolingo in orde te maken. We komen om elf uur, na eerst een lekke band te hebben gehad, in Probolingo aan. We laden de bagage uit en dan gaat de kok en ik ( korporaal Derksen - Red. ) )met de wagen zorgen voor eten. Om één uur staat het eten klaar voor de jongens. Om half twee komt de colonne binnen. De chauffeurs van de carriers zien zo zwart als negers van het stof der wegen.

Wij hebben onze eigen “ Prinses Irene band “ bij ons die voor ontspanning moet zorgen, en voorts eten wij Bruine Bonen, Stampot en Pudding !  De volgende morgen zes uur worden wij gewekt en om acht uur vertrekken wij verder naar Sitoebondo. Wij gaan weer vooruit om de kwartieren in orde te maken.

De andere drietonners gaan met de colonne mee, in een truck zit limonade zodat als er rust wordt gehouden de jongens hun dorst kunnen lessen. De bevolking roept Tabé toewan als wij langs komen en steekt daarbij hun duim in de hoogte. Zij zien hier haast geen Hollandse militairen want het merendeel van de troepen die hier aanwezig zijn is van het K. N. I. L.

Plotseling krijgen wij een bocht en daar zitten tientallen apen op de weg, net of ze willen zeggen “ Laten wij maar blijven zitten, want het is toch familie van ons dat daar aankomt “   Iets verder wordt er gestopt om een stuk suikerriet af te snijden, en omdat één van de jongens achter in de wagen een aap wil kopen.

Ik vraag aan Cees van Rij of hij geen aapje moet hebben, hij schud zijn hoofd en dat zegt mij genoeg,“ Je vrouw heeft zeker genoeg aan één aap ? “ Hier geeft hij geen antwoord op, hij mompelt wat s’Avonds in Sitoebondo heeft Cees een radio weten te lenen om naar de voetbalmatch Holland - Engeland te kunnen luisteren. Bijna was er van het gebouw niets meer over gebleven zo’ n kabaal was het. Wij lagen half twaalf pas in bed en deze dag was ten einde. De volgende dag is het Zaterdag, in de ochtend was er voor ons niet veel te doen, de carrier bemanning poetsen hun materiaal op voor de Parade die s’ middags worden gehouden, daarna spelen wij een voetbal wedstrijd tegen een Chinees elftal, de uitslag was 3 - 2 in het voordeel van de Chinezen.  s’ Avonds speelt de band weer, het is alleen voor de planters, maar ze mogen het van mij hebben, veel is hier niet te doen want er is hier weinig of geen ontspanning ( Jan Baas denkt hier anders over ! ) Ik geloof dat er één bioscoop is en die draagt toevallig ook de naam IRENE

Zondag ochtend om 8 uur vertrekken wij naar Bodowoso, dat is ongeveer 40 km. Daar is s’ avonds dansen voor de burgerij waarbij de Prinses Irene band weer voor dansmuziek zorgt, tegen middernacht was dat afgelopen. Dinsdag ochtend gaan de carriers op patrouille, ze moeten ongeveer 80 km afleggen voor deze rit, ze zijn s’ middags rond 15.00 uur weer terug. Na de dansavond ligt tegen half elf bijna iedereen te maffen behalve de chauffeurs Tommy Tol uit Volendam en Toon Baltus uit Castricum, die zitten nog steeds op de weg, maar ja daar zijn we chauffeurs voor!

Woensdag ochtend om zes uur stappen we weer uit ons bed en hebben steenkoude voeten, Bondowoso ligt tamelijk hoog en dat zijn wij niet gewend in ons garnizoen te Modjokerto.

Om acht uur gaan we weer op weg naar Probolingo, we gaan over de bergen naar Djember, de motoren moeten er hard aan trekken want we hebben er bijna 4 ton op liggen en dat is geen peulen schilletje voor een drie tonner. We naderen nu het hoogste punt en daar wordt even gestopt om een kijkje te nemen naar het mooie panorama. Om elf uur zijn we weer in Probolingo, maar Cees van Rij en ik moeten om 17. oo uur weer terug naar Bondowoso om een carrier op te halen die s’ morgens is blijven steken.

Om half elf de volgende dag zijn we weer in Modjokerto, toen de colonne binnen kwam stond de Prinses Irene band bij de brug om de jongens met muziek te verwelkomen, en dit is ook weer het einde van de meerdaagse patrouille door de Oosthoek van Java.

Voor de mensen die op de afgelegen ondernemingen in de Oosthoek werken betekende die avonden een goede en gezellige ontspanning.

 

 

Een nawoord van de redactie : Prettige tijding, het is altijd prettig wat te horen van onze jongens overzee en zeker ook plezierig als er berichten binnen komen van soldaten uit onze omgeving, en dan te horen dat zij het goed maken, en zich ook nog amuseren, daarom is het ons een groot genoegen een artikel te kunnen plaatsen over het Garde Regiment Prinses Irene, geschreven door drie Arnhemse chauffeurs, het zijn korporaal J. Derksen  Neerlandtuinstraat73, soldaat C. van Rij, Maria van Gelderenstraat en soldaat L. Paardekooper, Amsterdamseweg 22.

Zij beschrijven een meerdaagse patrouilletocht door de Oosthoek van Java onder commando van de Kapitein J. van Elsen

 

 

 

Een brief aan het thuisfront

 

Ver weg van de plek waar mijn ouders, geliefde, en vrienden zijn achtergebleven,

Probeer ik met dit simpele gedicht  een beschrijving van ons bestaan te geven.

Het thuisfront waartoe U allen behoort, en zoveel belangstelling toont, dient te weten,

Hoe wij het maken, en onze tijd doorbrengen bij een temperatuur die ons doet zweten.

De mannen v/d Stafkeuken doen alle dagen hun best ons van een maaltijd te voorzien,

Met al  hun  goede wil  krijg ik niet de voeding die ik bij de geleverde arbeid verdien.

Om de nodige vulling van de maag te compenseren wordt er  vaak een eitje gegeten,

Dat is te versieren, hoe die extra roepia’s er komen kan ons niet worden verweten.

Het soldy van een dienstplichtig tropensoldaat  bestaat uit fl 1.70 per dag, welgeteld,

Dat is inclusief  ontvangen gevaren toelage, die wordt geleverd, maar erg weinig geld

Toegestuurde pakketten van t’ thuisfront worden dan ook altijd met dank ontvangen,

De inhoud, met zorg samengesteld, zijn dan ook artikelen waar wij erg naar verlangen

De politiek is ons volkomen onbekend, en wij weten ook niet hoe lang het gaat duren

Voor wij allen weer huiswaarts keren, en  jullie geen pakjes  meer  hoeven  te  sturen

                               

 

 

 

 

 

 

 

 

                        luchtpostblad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de tocht door Oost Java wordt het dagelijkse leven weer opgenomen en er worden met de trucks vele ritten gemaakt. Er is niet te ontkomen aan de periodieke inentingen tegen allerlei ziektes, zo ook op 28 Augustus 1948. Velen hebben er geen last van maar deze keer wordt het bij Jan zo erg dat de Bataljon arts het raadzaam acht dat hij wordt opgenomen op het ziekenzaaltje. De volgende dag krijgt hij bezoek van twee Marechaussees, niet uit vriendschap maar met een aanklacht, ze zijn nl. bezig met een onderzoek van een aanklacht wegens benzine diefstal, en Jan zou daar een rol in hebben gespeeld. Letterlijk omschreven luidt de aanklacht :                

 

Beschikking, De Verwijzingsofficier voor de Koninklijke Landmacht te Soerabaia, optreden in de plaats van de Legercommandant in Nederlands - Indië, tevens Commanderend Generaal, Verwijst naar de Krijgsraad te Velde voor de Koninklijke Landmacht de zaak contra:

Johannes Lambertus Baas, geboren 12 September 1927 te Amsterdam, soldaat 4e Garde Regiment Prinses Irene, bij onderdeel in voorlopig arrest, terzake dat hij, terwijl hij als soldaat in werkelijke dienst was bij de Staf Cie. 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene, in ieder geval als militair der Koninklijke Landmacht, op verschillende tijdstippen gedurende de maand Augustus 1948 te Modjokerto, althans op Oost Java, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen hoeveelheden benzine tot een totaal van 400 liter, althans een hoeveelheid van 80 liter, toebehorend aan de Staat der Nederlanden, althans aan een ander of anderen dan hem, beklaagde.

Bepaalt dat beklaagde in arrest zal blijven, te velde 28 September 1948, de verwijzings officier voornoemd de Luitenant Kolonel H. G. C. Pel

                        ======================

 

 

Om het in kort te beschrijven zou er in Jerrycans benzine zijn afgeleverd bij een huis in Modjokerto waar een Chinees woont.

Er wordt kontakt met de behandelende arts opgenomen en afgesproken wordt zodra het verblijf op de ziekenzaal niet meer nodig is de aangeklaagde door de Marechaussee zal worden opgehaald en in verzekerde bewaring zal worden gesteld. De volgende dag al komt de Marechaussee Jan ophalen en wordt naar hun kazerne overgebracht.

De opsluiting vind plaats in een cellencomplex buiten het hoofdgebouw en men is zo goed de deur van de cel op ‘n kier te laten met de woorden “Als er onraad komt trek de deur dan even dicht “

Al gauw wordt Jan voorgeleid bij de Officier der Koninklijke Marechaussee en moet de aanklacht, die voorgelezen is worden ondertekend. Het komt er op neer dat men het registratie nummer van het bewuste voertuig zou weten en het tijdstip dat de daad zou zijn gepleegd. Genoemde gegevens worden echter nog niet verteld maar wel dat de persoon die de Jerrycans   heeft afgeleverd Jan zou zijn. Tot op zekere hoogte klopte dit verhaal ook wel maar het was nu aan Jan deze beschuldigingen te blijven ontkennen. Hij was echter nog geheel onkundig aangaande de achtergronden zoals de mogelijkheid of zijn kameraden al waren gehoord en wat zij hadden verklaard. Na dit eerste verhoor en na weer terug gebracht te zijn naar de cel wordt Jan in de avonduren weer opgehaald en vindt er een soort kruisverhoor plaats door o.a.  een Auditeur Militair van de Krijgsraad. Het motto van Jan is blijven ontkennen, want de gevolgen waren niet te overzien als het tot een veroordeling zou komen. Een groot deel van de M. T. manschappen zou dan achter de tralies verdwijnen, en misschien wel naar Nederland worden gezonden om daar hun straf uit te zitten. De volgende dag krijgt Jan ineens bezoek van Wachtmeester Joop van Ewijk, zijn vroegere commandant bij de Regiment Politie, het is een zg. vrienden bezoek maar Joop verteld wel dingen die niet openbaar mogen worden gemaakt, zoals het dat de aanklacht niet juist was. Het registratienummer van het bewuste voertuig was niet in overeenstemming met de juistheid en ook niet het tijdstip wanneer de daad zou zijn gepleegd !  Joop van Ewijk liet weten vooral hier met niemand over te spreken want dat zou hem de kop kunnen kosten als beëdigd politieman.

De daarop volgende dag komen er twee Marechaussees vertellen dat ze een stukje met Jan gaan wandelen, het zou zijn om een luchtje te scheppen maar al gauw blijkt dat er door de straat wordt gelopen waar het huis van de Chinees staat waar die benzine was afgeleverd.

Het komt er dan op aan om niet blijk te geven dit huis te herkennen maar als het eind van de straat wordt bereikt laat één Marechaussee weten dat Jan goed toneel kan spelen, en daarna wordt rechts omkeert gemaakt om wederom langs het bewuste huis te lopen, Jan wordt goed in het oog gehouden maar hij doet of alles hem onbekend is, daarna wordt er weer halt gehouden en als aan Jan wordt verteld dat hij twee keer langs dat bewuste huis heeft gelopen ontsteekt hij in een bui van woede en zegt:

“ Jullie moeten mij niet belazeren, laten we die vent opzoeken dan wil ik hem wel eens spreken “ Daar wordt niet op ingegaan en wordt Jan weer naar zijn cel gebracht. De dagen die volgen blijven een verschrikking want regelmatig is er weer een verhoor, maar zoals gezegd Jan heeft maar één gedachte en dat is  blijven ontkennen !

Het idee van Jan, dat Dominee Oomkes eens langs komt, wordt ingewilligd. Als de Dominee bij Jan in de cel is krijgt hij het hele verhaal naar waarheid te horen, want deze persoon is te vertrouwen, maar is ook de laatste strohalm.  Hij schrikt wel als het hele verhaal wordt verteld en hoort welke personen deelgenoot zijn. Velen horen ook tot zijn Parochie. De Dominee vraagt of er nog ergens behoefte aan is, daarop wordt het verzoek gedaan voor het bezoek van enkele kameraden. Als hij vertrekt belooft hij daarvoor alle moeite te doen, maar zoals hij zegt zal men eerst de verhoren wel willen afronden. Er komt dan ook nog een confrontatie, en er moeten een stel aantreden en daartussen moet Jan gaan staan. Als dan die bewuste Chinees langs loopt wijst hij Jan aan en zegt dat deze persoon aan hem de benzine heeft afgeleverd ! En dat is natuurlijk foute boel.

De volgende dag komt de Dominee weer op bezoek, hij heeft een paar boekjes meegenomen waar hij zijn naam enz. in schrijft, het ene boekje heeft de titel “De dag met God” en het andere is een Psalmen boekje, Jan heeft die boekjes altijd trouw bewaard.

De Dominee verteld kontakt te hebben opgenomen met enkele Officieren van onze Staf Comp. en het is gebleken dat er grote onrust bestaat, eigenlijk angst, want met deze beschuldiging is er wel een blaam op het Bataljon gekomen, zoals wordt gezegd. Jan verteld de Dominee over de confrontatie en vraagt weer of hij kan zorgen dat zijn makkers op bezoek mogen komen. Dat heeft tot gevolg dat plotseling Arie Jongenelen op bezoek komt, hij heeft spullen meegenomen zoals sigaretten, de cursus Autotechniek, de schrijfmachine met papier en de post die is aangekomen. Arie vertelt dat hij met zijn wagen een aanrijding heeft gehad, hij was tegen een truck van een Chinees gereden en beide voertuigen waren onherstelbaar beschadigd, en met die wagen van Arie zou de benzine zijn afgeleverd. Er was al een onderzoek gaande naar het benzine verbruik van deze truck en dit was door die schade onmogelijk geworden, Arie werd nu beschuldigd van Opzet ! Zo stapelen de problemen zich op. Arie laat weten over die confrontatie te hebben gehoord en vertelt dat daar iets aan zal worden gedaan, maar laat niet weten wat er gaat gebeuren. Er komt dan een tweede confrontatie en tot ieders verbazing wordt Jan niet meer herkend door die Chinees.         

De verhoren zijn inmiddels minder geworden en er kwam wat ontspanning, de cursus gaf afleiding en ook de correspondentie, zo was er ook kontakt met enkele mede arrestanten zoals Schreurs van de verbindingsdienst, die ook weer bekende kameraden op bezoek krijgt. Ook andere M. T. kameraden komen om beurten op bezoek en proberen Jan met alles vol te stoppen, zij leven ook onder spanning, maar toch moet iedereen proberen het hoofd koel te houden. Jan had een tijd geleden gevraagd voor het uitzenden van een groet over de radio welke in Holland kon worden beluisterd, er komt toestemming om onder bewaking van twee Marechaussees naar Soerabaya te gaan waar die groet zal worden opgenomen, natuurlijk stelt die bewaking niets voor want zij hebben samen een leuke dag. Het thuisfront was reeds eerder in kennis gesteld van die uitzending en zij hebben die groet ook gehoord, dat was een heel evenement in die tijd.

In de periode dat Jan in voorarrest zat bevond de Luit. v.d. Veen zich in het Hospitaal te Soerabaya, en toen hij het verhaal hoorde van die aanklacht heeft hij meteen laten weten naar Modjokerto terug te willen, niemand kon hem meer tegen houden. Ook in deze periode is er het Jubileum van Koningin Wilhelmina, zij is dan 50 jaar Koningin. Er worden feesten georganiseerd maar in de cel wordt daar niets van gemerkt.

Als dit alles achteraf wordt overdacht krijgt ieder de overtuiging dat men water bij de wijn heeft willen doen, er zou teveel op het spel staan als het tot een veroordeling zou komen, en waarschijnlijk heeft men daardoor de hele zaak geseponeerd. Tijdens de zesde week komt men vertellen dat er bij de Wachtcommandant een telefoontje voor Jan is, en dat was de Comp. Commandant de Paauw die de volgende woorden sprak:           

Baas pak je spullen bij elkaar, ik stuur een Jeep om je te komen halen. En door die Jeep kwam Jan op het bureau van Kapitein de Paauw, die liet weten dat er een vrijspraak was wegens gebrek aan bewijs. Er lagen enkele stukken van de Krijgsraad en die moesten worden ondertekend waarna de Paauw de vraag stelde : Heb je nog iets aan te merken of te vragen Baas ? Waarop het antwoord:  Hoe staat het met de genoegdoening van mijn wederrechtelijke vrijheidsberoving?

De Paauw stelde toen de vraag : Heb je regelmatig je Cadi spullen en je soldij gekregen ? en daar moest bevestigend op worden geantwoord waarop de woorden van de Paauw waren: Baas ga nu maar gauw naar je onderdeel er is al genoeg voorgevallen !

En daar had hij natuurlijk volkomen gelijk in.

 

 

De Intrekking der beschikking luid:

 

Gezien het terzake nader uitgebrachte advies van de Auditeur - Militair, Overwegende dat in een verdere strafvervolging niet noodzakelijk en gewenst is, trekt bij deze IN de voornoemde beschikking tot verwijzing d d. 28 September 1948, aan de beklaagde uitgereikt d d 5 Oktober 1948, bepaalt dat een afschrift dezes in handen zal worden gesteld van de Auditeur - Militair en de beklaagde voornoemd, dat beklaagde op vrije voeten zal worden gesteld.

Heden de 25 Oktober heb ik ondergetekende de Paauw Bernardus Alph. - Kapitein der Infanterie ter voldoening aan de mij verstrekte last een afschrift van de beschikking tot verwijzing naar de Krijgsraad te Velde d d. 11 Oktober 1948 bestemd voor Johannes Lambertus Baas, uitgereikt aan beklaagde in persoon, getekend    B. A. M.  de Paauw

                       

======================

 

 

En zo is gelukkig deze zaak met een sisser afgelopen en heeft ook niemand van ons iets dergelijks meer in zijn hoofd gehaald. Er moet toch wel worden gezegd dat enkele personen van grote steun zijn geweest, dat zijn Dominee Oomkes en Joop van Ewijk. Natuurlijk hebben enkele Officieren ook hun steentje bijgedragen tot deze oplossing.

 

Als Jan in de jaren 1990 bevriend raakt met Ben de Paauw en hem regelmatig bezoekt in Vaassen laat hij weten dat het ons niet helemaal kan worden verweten dat het geval met die benzine was voorgevallen, het was niet goed te praten maar Ben had er wel begrip voor w.

Er moet daarbij nog worden opgemerkt dat er ook aan de kleding een groot tekort was, men kon soms amper een nieuwe broek of een paar sokken krijgen. Als Jan tijdens zijn ritten op Soerabaya wel eens bij een kennis komt die bij de Mariniers op Perak is gelegerd en vertelt hoe slecht het is met de kleding dan opent die kennis zijn kist en laat zien in welke weelde die Marine gasten leefden, en wordt Jan wat kleding toegestopt. Zo is het ook met het materiaal, bij ons wordt met oude trucks gereden terwijl daar op Perak het mooiste van het mooiste staat. Als dan die benzine kwestie achter ons ligt en wij het normale leven weer hebben opgepakt komt de waarheid aan het licht aangaande die tweede confrontatie. Het bleek dat Simon Beuving die Chinees had opgezocht en hem een revolver onder zijn neus had gehouden met de mededeling als hij de beschuldigde weer zou herkennen het slecht met hem zou aflopen, dat is natuurlijk een misdadige oplossing maar het heeft kennelijk wel geholpen. Er is nog steeds genoeg werk voor de M. T. en alles komt weer tot rust, er gaan ook weer chauffeurs met verlof naar Tretes en hun wagen moet tijdelijk weer worden overgenomen. Op 6 November 1948 neemt Luitenant Kolonel Harkema afscheid van ons, hij gaat naar Holland terug om weer docent te worden op de K. M. A.., het commando wordt dan overgedragen aan Majoor J. H. Broersma, deze man straalde een vaderlijk gezag uit en toonde ook meer belangstelling voor de mensen van het Bataljon.

 

In die periode moet Jan Baas bij Kapitein de Paauw komen en krijgt te horen dat er van de Brigade een order is gekomen voor het weer in leven roepen van de Regiment Politie, daar zou binnenkort meer over worden verteld en dat was even schrikken, maar als dit aan de Luit. wordt verteld laat hij weten daar niets van te willen weten, en gaat met Broersma praten, alles lijkt dan weer goed te komen.

                                               

Soerabaia

 

Een stad om tijdens een dag verlof veel te beleven,

En ook tijdens zo. n dag het soldy uit te geven.                    

Zo’n dag begon met het ophalen via de M.T. voertuigen,

De makkers op eenzame voorposten stonden dan te juichen.

Het was geen busreis zoals wij thans gewend zijn,

Het zitten op de houten banken  gaf wel enige pijn.

Desondanks was het voor hun een feest zo’n dag te beleven,

Waar je ook makkelijk je hele maandsalaris uit kon geven.

Het begon altijd bij de Marijke Cantine, bij een ieder wel bekend,

En men raakte aan verschillende omgangsvormen snel gewend.

Vaak werd ook een bezoek gebracht aan de Mariniersclub in deze stad, Daar was alles in overvloed, maar daarmee had  je  het ook wel gehad.

De cultuurverschillen van de strijdmachten tussen de twee groepen,

Kwam dan ook dikwijls tot gevechten tussen de aanwezigen troepen.

Vaak werd er ook de Pasar Basar bezocht om iets voor thuis te kopen,

En werd  door  de lange hoofdstraat van deze warme stad gelopen

Aan het einde van zo’n dag stonden de M.T. voertuigen weer gereed,

Die de  Infanteristen , zonder poen, naar de voorposten terug reed.

 

                            

 


Een verhaal van Wim Uitentuis o. a. over een verdronken Tjakra,

 

Het leven van ons M. T. peloton in Modjokerto was niet slecht, de discipline stond op een laag pitje, vormelijk groeten voor onze officieren was niet altijd vereist, echter wel aangaande de hogere officieren zoals de Bataljons Commandant, maar die zag je niet dagelijks. Een volledig uniform werd niet gedragen en wij zaten soms achter het stuur met slechts een “Pendekkie” aan. De chauffeurs hoefden niet op wacht te staan omdat zij vier en twintig uur per dag klaar stonden voor alle soorten rijopdrachten. Om beurten werden er verschillende ritten gemaakt zodat er wel een redelijke afwisseling was. Wij mochten allemaal graag fourage - ritten maken naar de buitenposten want de koks zorgden goed voor de chauffeurs, dikwijls werd ons wat toegestopt, dat door de chauffeurs onderling werd verdeeld. Gedurende ons verblijf in Modjokerto gebeurde het zeldzaam dat wij in kontakt kwamen met de vijand omdat deze ver weg zat achter de demarcatielijn, het was daarom redelijk veilig en er werd bijna nooit in colonne verband gereden.

Zo gebeurde het een keer dat ik een ongewone rijopdracht kreeg, ik moest naar de Melirip sluizen, niet ver van Modjokerto aan de kalie Brantas, en kreeg de opdracht mij te melden bij de daar aanwezige Hospik. Die opdracht kreeg ik vroeg in de avond en omdat er geen hulp chauffeur aanwezig was ging ik alleen, zelfs in het donker voelde ik me wel veilig in dit gebied. De Hospik nam mij mee naar het stoffelijk overschot van een z.g. Tjakra, een Madoereese soldaat, die een paar dagen eerder in die kalie verdronken was en sinds kort was terug gevonden. De hospik vertelde dat ik dat stoffelijk overschot naar het Marine Hospitaal in Soerabaya moest brengen, ik vond het een vrij ongewone opdracht vooral omdat er geen “Rijopdracht”, of een ander dokument, was uitgeschreven en daar later problemen mee zou kunnen krijgen. Maar hoe dan ook het lichaam van die soldaat, zonder kist en gekleed in zijn uniform, werd achter op mijn laadbak geladen. Toen men het lichaam oppakte aan zijn armen en benen zag ik dat er stukken vel los kwamen, dat was geen leuk gezicht en de reuk van het lichaam dat in staat van ontbinding was maakte het nog erger, ik was niet blij met deze opdracht maar een order moet opgevolgd worden en er zat dus niet anders op dan te vertrekken. Op de weg naar Soerabaya moest ik wel zo keer of vijf stoppen bij verschillende posten waar naar papieren werd gevraagd, en die kon ik dus niet tonen, maar steeds kwam de stank in de cabine. De militairen die mij hadden laten stoppen vonden het wel verdacht dat ik geen papieren kon tonen maar ik denk dat zij mij vanwege de stank verder hebben laten gaan.

Ik raakte zelfs dat vrachtje bijna kwijt toen ik een beetje te snel over de “Pater brug” reed, er zat daar een bult waardoor de truck een flinke stoot kreeg en die Tjakra bijna van de laadbak gleed, maar gelukkig ging het net goed. Toen ik eindelijk het Marine Hospitaal had bereikt stuurden ze mij door naar het lijkenhuis, maar ook daar ontstonden problemen omdat ik geen papieren kon tonen, maar toen ik liet weten dat vrachtje niet meer mee terug zou nemen werd er ergens heen gebeld en toen besloot men toch die dode Tjakra te aanvaarden.

De laadbak van de truck was van ijzer en na alles goed schoon te hebben geschrobd bleef die stank zelfs lange tijd hangen.                                                                                                          

Iets dat Jan altijd is bijgebleven is dat hij getuige was dat er begin December 1948 een stel gevangen genomen Republikeinse rebellen in Modjokerto aankwamen die geïnterneerd zouden worden, en dat één van hen zich kon herinneren Jan een keer te hebben gezien bij Patjet, toen hij daar met een Fargo truck reed. Het was weer een bewijs dat die lui zich gewoon tussen het overige publiek konden ophouden, ze liepen dan ook onopgemerkt in burger kleding, en dat is ook het gevaarlijke van een guerrilla oorlog.

Het was echter in die periode nog niet zo gevaarlijk dergelijke ritten in je eentje te maken, zoals alle chauffeurs regelmatig moesten doen, zo kreeg Jan ook eens de opdracht een patrouille weg te brengen, dat was op 12 December 1948, die patrouille moest op een bepaald tijdstip in de nachtelijke uren ook weer worden opgehaald, maar op de afgesproken plek moest er wel meer dan een uur worden gewacht voordat die patrouille arriveerde, en dan lijkt een uur wel een dag te zijn, het regende ook nog. Het is dan ook niet leuk als je de volgende ochtend om 6 uur de baboes moet ophalen.

 

De 500 stuks sigaretten die maandelijks door de Welfare dienst werden verstrekt waren voor’ t merendeel van het merk Highway, het is een slechte kwaliteit en werden door de meeste makkers ook niet op prijs gesteld, de prijs was drie gulden. Velen verkochten hun maandrantsoen op de pasar, tenminste als ze daar de kans voor kregen, en deze stinkstokken brachten dan 80 cent per pakje van 20 stuks op. In de Prinses Marijke Club te Soerabaya is goede shag te koop voor 65 cent per pakje en daar werd dan ook vaak gebruik van gemaakt. Er werden ook wel Engelse en Amerikaanse sigaretten in tinnetjes verkocht maar die zijn een stuk duurder.

 

Na 1 ½  jaar in Indië te zijn krijgt Dick Broekhuizen eind 1948 opdracht al zijn spullen in te pakken, en werd hij gedetacheerd bij de 3e Compagnie, die ter ondersteuning van 2 - 5 R.I. werd overgeplaatst naar Oost Java, het betrof de plaatsen Jember, Klakah en Lumajang.

Aangezien Dick soldaat 1e klas / automonteur was krijgt hij de taak aldaar het wagenpark mobiel te houden, maar moet ook regelmatig dienst doen als korporaal van aflossing van de wacht. Hij zag daar niet veel heil in maar uiteindelijk moet men een bevel opvolgen. Hij kwam zelf te liggen in Klakah en voerde zijn diensten uit tot December 1948, toen werd bekend gemaakt dat er weer een politionele aktie zou komen.

Dick had nog een poosje samen met Simon Beuving op een voorpost van de 3e Comp. gelegen, toen Simon later op een andere plek terecht kwam schreef hij een brief, in zijn gebruikelijke mooie handschrift, met de volgende tekst aan Dick Broekhuizen:

 

Loemadjang 28 - 12 - 1948

 

                        Hallo Dick de Dunne.

 

Dick als je deze brief ontvangt,

Waar je wel niet erg naar verlangt.

Dan is het oude jaar al afgedaan,

En het nieuwe dat is ingegaan.

Het hele jaar hier in de tropen,

Was niets anders dan wensen en hopen.

Maar Dick hou toch steeds goede moed,

En zing : In 1949 gaat alles weer goed.

Mijn wens is voor jou in t’ Nieuwe jaar,

Dat alles wat gebeurt hier en daar.

Voorspoed en geluk mag zijn,

Voor jou en je familie, groot tot klein.

Dat alle aangename dingen,

Niet in je familie binnen dringen.

Gezondheid, vreugde en goede zaken,

Veel plezier en vooral geen ruzie maken

Dat Annie je omhelst met tedere hand,

In het a.s. jaar in  Zaandammer land.

Dat jullie in dit toekomstige jaar

Nog heel veel schrijven naar elkaar.

Afgesproken, daar gaan we dan vol goede moed

Met de leus: In 1949 komt alles weer goed.

Je trouwe vriend, zo als altijd,

Simon, die raak je nooit meer kwijt

 

                               


Er treden in het Bataljon vermoeidheid verschijnselen op vooral ten gevolge van de vele patrouilles die de infanteristen moesten lopen, de Brigade commandant vaardigt de order uit dat het 4e Bataljon Jagers het vak Modjokerto moet overnemen zodat enkele compagnieën van het 4e Bataljon Prinses Irene naar Madoera kunnen gaan om daar tot rust te komen, zoals werd verteld zou eigenlijk het hele Bataljon rust krijgen, maar aangezien er een tweede politionele aktie in de lucht hing ging dat over.

Het is in deze periode dat Pim Derksen ons gaat verlaten ( hij heeft steeds deze naam gedragen maar later in het burgerleven zal dat Jan worden ) hij gaat terug naar Holland, zijn diensttijd als oorlogs vrijwilliger zou er op zitten. Jan die in Arnhem woont belooft aan Jan zijn ouders in Amsterdam te zullen bezoeken om de groeten over te brengen, en dat gebeurt ook.

Jan moet weer bij Kapitein de Paauw komen en dan wordt er verteld dat de leden van de Regimentspolitie moeten worden overgeplaatst naar Soerabaya om daar bij de Marechaussee , die mensen tekort komt, te worden ingedeeld. Maar ook hier steekt Luitenant v.d. Veen een stokje voor en later blijkt dat er een korporaal die plaats heeft ingenomen, tot opluchting van Jan.

           

 

 


Opmerkingen en wensen van een M.T. er

 

Zijn voeding  die  vaak  te  wensen  overlaat,

Het verlangen naar huis dat nimmer over gaat.

De kameraadschap met zijn mede lotgenoten,

De munitie die heel dikwijls wordt verschoten

Het grote onraad  dat  vaak  ook  niet valt te bespeuren,

Mijnen en bommen die delen van de weg open scheuren.

Ter bescherming tegen malaria het gebruik van de klamboe,

En de vele zorgen die  worden  overgenomen door de baboe.

Onze Luitenant die waakt over het gedrag van Jan Soldaat,

Maar toch  ook  wel bij  alle gevaren in de eerste linie staat.

De recreatie die  heel  veel  te  wensen overlaat,

Het uitkijken naar  post, dat nimmer over gaat.

Tenslotte  het  bericht  dat  eens zal worden gegeven,

Dat men de thuisreis naar Holland weer mag beleven.

 

 

 

 

 

 

 

Inhoud
Hoofdstuk 05

 

2e Politionele aktie, naar Malang, Kepandjan, Blitar, Toeloengagoeng  en  Gondanglegi

 

Op 17 December vertrekt het M.T. Peloton, de 1e - 2e - 4e - en Ondersteuning Comp. naar Malang om daar te wachten op het moment dat de 2e politionele aktie gaat beginnen. De colonne van bovengenoemde onderdelen van het 4e Bataljon Prinses Irene komt nabij Krian samen met de naar schatting een totale  30 kilometer lange colonne van de volgende onderdelen: Huzaren van Boreel, Artillerie, Genie, Geneeskundige troepen met Rode Kruis wagens, Verbindingstroepen, Koninklijke Marechaussee en Grenadiers

 

Er is een tekort aan chauffeurs waardoor Vic van Schijndel voor de keus was gesteld, óf op kantoor blijven zitten óf chauffeur worden, dat was geen moeilijke keus, Vic is truck chauffeur geworden en zegt zijn kantoorbaan vaarwel, zo zijn ook monteurs enz. van de M.T. truck chauffeurs geworden en rijden mee in die grote colonne.

Er is zo’n overmacht aan troepen onderweg dat tussen Lawang en Malang veel militairen in tenten langs de weg overnachten.

 

Op 19 December 1948 wordt in de nacht door Kapitein van Besouw, en enkele mannen, een post aan de demarcatielijn overvallen en de telefoon verbindingen naar het achterland doorgesneden, dan begint er een doorstoot richting Kepandjan dat ongeveer 20 kilometer verder ligt.

 

De M. T. had in een woonwijk aan de Itjenboulevard van Malang, waar veel Nederlandse gezinnen woonden, een voorlopige plaats ingenomen en de manschappen brengen daar enige dagen door, alwaar ook in de trucks wordt overnacht, er ontstaat een leuk kontakt met de daar wonende Nederlandse burgers.

 

Tegen de Kerstdagen trekken zij door naar Kepandjan waar ook de Kerst wordt doorgebracht.

Ton Weterings weet nog dat hij samen met Dick Broekhuizen op wacht moest van 02.00 tot 04.00 uur, zoals hij laat weten om een aanval van de peloppers af te kunnen weren. Met de helm op en gewapend met het geweer hebben zij toen angstig achter een muur gelegen, zij hoorden steeds vreemde geluiden. De wachten die ons moesten aflossen worden gewekt in de truck waar zij lagen te slapen, en het bleek dat ook zij die vreemde geluiden hadden waargenomen tijdens hun wachtperiode. De volgende ochtend zijn wij dan ook gaan kijken wat de oorzaak van die vreemde geluiden is geweest en zagen sporen van de resten van vruchten die vermoedelijk door een aap uit de bomen waren geplukt.

 

Op 20 December trekt er een lange colonne vanuit Kepandjan verder, alles is eerst nog rustig en een groot deel van de bevolking is blij dat de Belanda’s ( Nederlanders ) zijn gekomen.

En de kampong bevolking gaat zijn gewone gang, maar als ons eten wordt uitgedeeld tonen zij grote belangstelling. De infanterie, met nog diverse andere onderdelen, is vooruit gegaan maar ondervinden dan veel oponthoud door kapotte bruggen, en het 10e Genie heeft daar veel werk aan.

 

Het konvooi dat achtergebleven is in Kepandjan zet zich na de Kerst in beweging, en komt zo nu en dan voor hindernissen te staan zoals vernielde bruggen en door bomen versperde wegen, maar er vinden geen beschietingen plaats. Via Wlingi komt het konvooi op 30 December in Blitar aan en daar vind de eerste nacht een mortier aanval plaats.

Hier worden de Staf. - 3e Comp. en een deel van de Ondersteuning Comp. gelegerd. De M. T. wordt ondergebracht in een hotel met de naam Sri Lestari,  het bestaat uit een hoofdgebouw met bijgebouwen waar de manschappen in ploegjes worden verdeeld, het grote voorterrein is ideaal voor parkeerruimte en daar gaat ook het onderhoud gebeuren.

 

Alles was door de vijand in vervuilde toestand achter gelaten er moest dus ontsmet worden. Het wordt een spannende tijd in - en rond Blitar. De naam Sri Lestari, hetgeen betekend Voor altijd, wordt dan veranderd in  Huize Irene.

 

Vic van Schijndel weet nog dat hij die nacht op wacht moest op een “linke post “ Deze gaf uitzicht op de achterkant van ons terrein, waar een kampong en een pasar is. Het blijft die nacht daar wel rustig. Van het carrier peloton is dezer dagen een carrier op een mijn gereden hetgeen soldaat Paulus zijn leven kostte.

 

De 3e Compagnie, waarbij Dick Broekhuizen was gedetacheerd had ook de spullen weer ingepakt Dick trekt mee in konvooi van Klakah via Malang naar Blitar, hij verteld hierover dat het een fijne reis was met een goede afloop, en hij zag na 3 maanden zijn kameraden van de Staf Compagnie weer terug. Maar daar bleef het niet bij want de 3e Compagnie kreeg opdracht door te stoten naar Toeloengagoeng, dat was een riskante onderneming vooral omdat die stad ten zuiden van de kali Brantas lag. Zij kwamen in een soort niemandsland, zij moesten een grote brug over en daarna een weg van 5 km volgen waarna ze in Toeloeng Agoeng kwamen. De 3e Compagnie kwam op de vier windstreken van de stad te liggen, in lege huizen want de bevolking was gevlucht, er werden wachtposten opgericht en er werd veel patrouille gelopen, Dick kwam zelf in het Stadhuis te liggen, dat de naam droeg van Kaboepaten. Er was een groot plein ( aloon / aloon ) en vanaf hier begon ons eigenlijke werk. Om beurten moesten wij met de truck die 5 km lange weg afrijden tot aan die brug, want aan de overkant kwam het grote konvooi langs dat v. v. van Blitar naar Kediri reed voor de aanvoer van fourage, benzine en munitie.

 

In Blitar komt het bericht binnen dat er een carrier op een mijn is gelopen, waarbij Korporaal v. d. Aarsen is gesneuveld op 27 December, en de chauffeur licht gewond is geraakt.

 

In Blitar raken ook de militairen langzamerhand ingeburgerd en nu de gevluchte bewoners inzien dat alles veilig is, komen er meer en meer terug, er worden door ons Bataljon overal aanplakbiljetten opgehangen met de volgende tekst:

 

 

Tidak akan didjadikan tawanan, tapi boleh poelang keroemah dengan leloeasa.

 

      Tiap-tiap anggauta T.N.I., atau lain-lain gerombolan jang

      bersendjata, jang dengan sesoekanja sendiri menjerahkan

      sendjatanja kepada sesoeatoe pos Militair Keradjaan, tidak

      akan ditahan dan boleh poelang keroemahnja,manising 2

      dengan leloeasa.

      Djika sendjara-sendjatanja tidak dapet dibawak serta,

      tapi ditoendjoekan tempatnja dan setelah itoe sendjata-

      sendjata tadi oleh Perbesar-pembesar Militair Keradjaan

      dibeselah, maka orang-orang jang menoendjoekan ini

      diperkenankan djoega poelang keroemahnja masing-

      masing dengan leloeasa.

 

                                    Blitar, 10 Djanoeri 1949.

                           De Plaatselijk Militair Commandant.

                                                                                     

Hieronder volgt de Nederlandse vertaling:

 

Men wordt geen gevangene, maar mag huiswaarts keren met een gerust hart.

Ieder lid van de T. N. I. , of gewapend lid van één of andere eenheid, kan uit vrije wil zijn vuurwapen inleveren bij een militaire post van de Nederlandse Strijdkrachten, hij wordt niet gevangen genomen, en mag naar huis zonder enig bezwaar.

Indien de vuurwapens niet kunnen worden meegenomen, maar men de vindplaats kan aanwijzen, opdat deze in beslag genomen kan worden door de Commandant van de Nederlandse Strijdkrachten, kan ook deze aangever veilig huiswaarts keren.

 

                                    Blitar 10 Januari 1949

                        De plaatselijke Militair Commandant.

 

Zo worden er ook pamfletten verspreid in de Maleise taal, zoals onderstaand in het Nederlands vertaald zijn:

 

 

Bekendmaking

 

In de as leggen en andere onregelmatigheden ( sabotage ) kan het volk schaden. Het beschadigen van huizen en in brandsteken van Regerings- gebouwen, zoals het Districtkantoor, is geen daad welke de Nederlandse- Strijdkrachten kan benadelen.

Dergelijke gewelddadigheden gaan alleen ten koste van het volksbelang.

Het ondermijnen van wegen, wat het gevolg heeft voor de pasar, betekent achteraf ook een schadepost voor het volk.

Leden van loslopende bende’ s brengen verwarring (verspreiding van leugenachtige geruchten ) dat de Nederlandse Strijdkrachten het voedsel van het volk afpakt. Dat is niet waar ! Derhalve de verzending van voedsel, kleding en medicijnen hierdoor gestagneerd wordt.

De Nederlandse Strijdkrachten hebben hun eigen voorraad voedsel, en zijn eigen verzending hiervan in handen, en is dus niet afhankelijk van voedsel uit de omgeving.

Daarom kunt U dit niet tolereren, indien het volksbelang wordt aangetast of schade ondervindt.

Doe aangifte van dergelijke ongeregeldheden terstond bij de dichts - bijzijnde post van de Nederlandse Strijdkrachten en wees niet bang in het vervolg behulpzaam te zijn bij het waken over de veiligheid Uwer belangen, en van anderen, van ongeregeldheden welke verwarring kan stichten. Wederopbouw van de economie is één van de voorwaarden voor het volksbelang. Daarom is de hulp van een ieder zeer belangrijk.

 

                        Blitar, 21 Januari 1949

                        De plaatselijk Militair Commandant,                                       4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene.

 

                       

 

 

 

Er gaat een colonne van de M. T. op 29 December naar Kediri, waar nu het hoofdkwartier van de 4e Infanterie Brigade is gevestigd, als de colonne terugkeert krijgen ze te maken met een felle beschieting, daarbij raakt Piet van Asten en Sergeant Thijssen gewond, Piet heeft een kogel via zijn portier in de Mild streek gekregen, men beweert dat er met dumdum kogels is geschoten. Joh. Boekestijn nam met zijn truck ook deel aan dit konvooi en heeft de gewonden achter op zijn truck, liggend op de balen rijst, naar Kediri vervoerd waar zij in het hospitaal zijn opgenomen, Piet van Asten is daar helaas op 31 December overleden, Thijssen maakte het toen redelijk goed.

Op 1 Januari 1949 is Piet van Asten in Kediri voorlopig begraven.

Dit geval heeft wel voor de nodige beroering gezorgd onder de M.T.makkers.

 

De taak van de M. T. is nu er voor te zorgen dat de aanvoer van Kediri wordt gehaald, de bevoorrading van de omliggende voorposten, en al gauw blijkt dat dit een gevaarlijk gebied is, de konvooien worden vaak beschoten, bruggen worden onklaar gemaakt en er worden mijnen en trekbommen gelegd, die trekbommen zijn eigenlijk oude vliegtuigbommen, deze brengt men aan via het taluud onder het wegdek,  er zit een ontsteking aan, welke met een trekdraad kan worden bediend, aan het andere eind van die draad zit een vent in het veld die door het trekken aan die draad de bom tot ontploffing brengt en het voertuig dat zich er dan boven bevindt wordt opgeblazen, meestal zijn de gevolgen catastrofaal en hierbij sneuvelen de meeste makkers.

Ook hangen die peloppers soms mortier granaten aan bomen en die proberen ze los te laten als er een voertuig onder doorgaat. Jan was met een ¾  tonner, waarachter een waterwagen, meegereden in het konvooi vanaf Modjokerto maar levert nu die wagen weer in om beurtelings op een andere truck te stappen van chauffeurs die even vrij krijgen of ziek zijn. Ook neemt hij enkele dagen een P. V. C. over, een G M C pantser voertuig. Er ontstaan problemen met onze post, de K. L. M raakt zijn landingsrechten kwijt op het traject Amsterdam - Batavia wegens de Internationale opinie aangaande onze bezetting van het voormalige Nederlands Indië. De post gaat nu over zee en daardoor is onze post wel een maand onderweg. Jan wil van deze gelegenheid nog even melden dat hij in deze periode al de 73 e brief van zijn correspondentie vriendin Sientje heeft ontvangen, zij schrijft zelfs met de Kerstdagen bij zijn ouders in Amsterdam te zijn geweest.                                       

In Blitar worden nu ook andere onderdelen ondergebracht zoals de Huzaren van Boreel, zij geven met hun zware pantser voertuigen veel steun bij de gevaarlijke transporten. Ook een detachement van het KNIL is vertegenwoordigd en een deel van de 83e mobiele werkplaats van de L. T. D., en van deze laatste krijgt het Bataljon veel hulp bij het herstellen van de vernielde voertuigen. Er wordt overigens nog steeds met die oude trucks gereden. De vraag is of onze Regering nog geld uittrekt voor vernieuwing nu gaat blijken dat de Koloniën toch verloren zijn.

 

Zo is er ook een   probleem met de stroomvoorziening, de verlichting in de verblijven bestaat uit een kaars, oliepitje of stroom van een autoaccu en dat is geen pretje als er s’ avonds een brief  wordt geschreven.

Hier komt weer de hobbyist om de hoek kijken en komt Jan op het idee zelf een generator te gaan bouwen. Als dat voorstel wordt overgebracht aan de Luit. komt daar geen negatieve reaktie op en hij belooft er met de Bataljons Commandant over te gaan praten. Er komt toestemming onder bepaalde voorwaarde zoals bij het zoeken niet in gebieden komen die gevaarlijk kunnen zijn en geen voorwerpen meenemen waarover problemen kunnen ontstaan. Er wordt verder toestemming gegeven voor het gebruik van een transportmiddel en de hulp van enkele makkers. Jan heeft dan weer de beschikking over een Harley en daarmee gaat hij eerst de direkte omtrek afspeuren. De eerste vondst zijn de restanten van een oude Dodge truck, het achterste deel van het chassis is nog in goede staat en leent zich voor het onderstel van een generator. De hulp van de L T D werkplaats wordt ingeroepen en met een snijbrander worden de chassis balken achter de cabine doorgebrand waarna dat deel op een truck wordt geladen. Bij de werkplaats wordt een deel van die balken naar elkaar toegebogen en aan het eind komt een oog die op een trekhaak past. Als er twee goede wielen onder zijn geplaatst staat er nu een aanhangwagen.

Het volgende object dat gevonden wordt is een Ford Lincoln met een 12 cylinder V motor. De motor wordt eruit gehaald en met steunen op de aanhangwagen geplaatst, het zoeken is nu nog naar een deugdelijke generator maar wegens tijdgebrek komt daar niets van want er wordt weer een reserve chauffeur gevraagd. Er volgen weer dagen met spanningen bij het in konvooi rijden. Onder bescherming van de pantserwagens van de Huzaren van Boreel en in de beginperiode beleeft Jan het, dat hij op weg naar Wlingi achter een Humber van de huzaren rijdt. Als het konvooi nog maar enige kilometers van Blitar verwijderd is raakt het rechterachterwiel van die Humber een landmijn met het gevolg dat Jan de Humber aan de rechterzijde omhoog ziet gaan, en het betreffende forse wiel in de lucht ziet vliegen. Het voertuig komt daarna weer op drie wielen te staan en de inzittenden, die vrijwel ongedeerd zijn, springen op de weg en rennen meteen het rechts gelegen terrein in dat redelijk dicht begroeid is. De inzittenden van de andere voertuigen komen nieuwsgierig aanlopen en dan wordt er verteld dat men iemand heeft zien wegrennen. Terwijl er genoeg bewaking bij de voertuigen achter blijft rent een stel achter de Huzaren aan, waaronder K.N.I.L. militairen, en ook Jan. Als men dan bij een spoorrails komt, die parallel aan de rijweg loopt, ziet men ineens op ongeveer honderd meter afstand een vent hard hollend weglopen, Jan heeft op dat moment een z.g. vrij schootsveld en geeft automatisch Stengun vuur in de richting van de verdachte, terwijl ook anderen het vuur openen. Omdat de spoorbaan in een bocht ligt raakt die vent uit het gezichtsveld, maar de meute rent verder en bij de bocht aangekomen is er niets te bespeuren. Er is wel een kleine beek met een duiker, maar daaronder is ook niemand te zien, dan neemt één van de K.N.I.L mannen de Bren over van een infanterist en gaat hurkend aan die beek een salvo vuur geven, waardoor de kogels over het water ketsen, en dan komt die vent boven de waterspiegel met iets in zijn mond dat waarschijnlijk suikerriet moet zijn geweest, hiermee had hij kennelijk verse lucht kunnen krijgen terwijl hij daar in het water zat. Het bleek dat nabij zijn knie het been door een kogel was geraakt, van wie dat schot was gekomen was niet meer te achterhalen, het kon van Jan geweest zijn en in dit geval zou het de eerste keer zijn geweest dat hij op een mens had geschoten, en die ook had geraakt.                                            

Als je dan achteraf realiseert dat deze wegvluchtende persoon misschien wel iemand is geweest die niets uitstaande had met het hele gebeuren, en alleen uit angst was weggerend, dan had de mogelijkheid kunnen bestaan dat er iemand gedood was die onschuldig was, maar zo was het steeds want je had te maken met een “Vijand” die gewoon onder de burgerbevolking leefde. Aan het slot van dit verhaal kan Jan niet melden of die aangeschoten vent is meegenomen, Jan heeft hem later niet meer aangetroffen bij aankomst in Wlingi ! Het konvooi heeft ook vaak beveiliging van de carriers van de Ondersteuning Comp.  Maar sinds kort heeft de M. T. ook zijn eigen pantser voertuig, het is de Weappon Carrier van Jaap Gravesteijn die hij met behulp van de   L. T. D. werkplaats mannen heeft weten om te bouwen, daarvoor zijn aan beide zijden, en ook een gedeelte achter, dubbele stalen platen aangebracht, tussen die platen zijn enkele centimeters ruimte. Het is uitgeprobeerd door daar op te schieten en de kogel bleef na de eerste plaat te hebben doorboord steken tegen de tweede plaat en dat werd als afdoende beveiliging gezien. Zo is er in de kleine laadbak een affuit geplaatst waarop een mitrailleur van het merk Vickers staat, die was water gekoeld. Bij de meeste transporten rijdt Jaap voorop en naast hem zit de Luit. Er is een poosje een baarden manie en deze twee doen daar ook aan mee om te zien wie de mooiste en grootste baard kan kweken. Jaap heeft ook menige patroon verschoten met zijn speelgoed.

 

Als er in Blitar op een avond weer beschietingen te horen zijn staat een stel van de M. T. bij de ingang van ons terrein, aan de straatweg. Dan horen zij ineens iets op het dak vallen van het hoofdgebouw en dan blijkt dat er een mortier granaat door het dak is gegaan en in een opslagruimte is terecht gekomen. De granaat is niet ontploft en staat recht overeind in een doos met pakken scheerzeep, niet ver van de plaats waar Nico van Gog in zijn bed ligt. Hij is door het oog van de naald gegaan. Voor de veiligheid zijn er wachtposten rondom het terrein, en die worden in avond - en nachturen - bezet door M. T. mannen. Op het achter terrein bevindt zich ook zo’n post waar rondom een beveiliging is met zakken zand en daarboven een afdak van golfplaten. De bewapening bestaat uit persoonlijke wapens plus een Bren - Gun (mitrailleur), er staat ook een veldtelefoon zodat indien nodig kontakt kan worden opgenomen met de wachtcommandant. Bij daglicht heeft men een pracht uitzicht op de achterliggende kampong maar zo gauw het donker wordt is het oppassen geblazen. Want in de hoge bomen in die kampong zitten soms scherpschutters, het is dan ook raadzaam geen brandende sigaret te laten zien. Als s’ avonds in een kamer, waar verlichting is d. m. v. een autoaccu, iemand naar binnen of buiten wil gaan dan moet bij het openen van de deur altijd eerst het licht worden uitgedaan, het gebeurt dan ook dat Simon Beuving met een slok op zo maar binnen komt lopen en er meteen een kogel tegen de binnenmuur ketste. Met man en macht is Simon toen tegen de grond gewerkt want hij was nog eigenwijs ook.

Op 9 December is het niet meer nodig een lampje brandend te houden via de autoaccu want dan is er weer normaal electrisch licht, waardoor er buiten de gebouwen ook verlichting is.

 

In Blitar waren nog al wat z.g. Rampokkers, zeg maar loslopende bendes die alles roven wat los en vast zit, maar ook vaak brand stichtten. Het gebeurt vaak dat zij tijdens de avonduren in een Chinezen wijk één - of meerdere huizen in brand staken, daartoe stond er op het M. T. terrein een 3 tonner geladen met blusmateriaal en bij een melding was het de plicht om de beurt te helpen bij het blussen. Je kon er dan ook vast op rekenen uit een boom te worden beschoten zo gauw de wagen het terrein af reed.

 

Op 11 Januari wordt de colonne op de weg naar Kediri weer beschoten, er zijn verschillende gewonden, onder meer soldaat Johannes, de korporaals Losscher en Bremer, en de sniper Jansen.

Het is op 1 Februari weer zo’n rot dag, één van de ons toegevoegde MTD- trucks rijdt op de weg naar Wlingi op een mijn, gelukkig alleen materiële schade. s’ Middags sneuvelt korporaal Esderts van de verbinding bij Toeloeng Agoeng,  Duiveman van de 3e Cie. raakt zwaar gewond en overlijdt later op die dag. Er is die dag ook zware regenval en de  donder  was  niet  van  de  lucht. De colonne  uit  Kediri arriveert pas s’ avonds tegen 8 uur, nadat Wim Boksem op een mijn was gereden, is er die dag nog een truck op een mijn gereden.

Het loopt zo zoetjes aan de spuigaten uit, op één dag 2 doden, 3 trucks op een mijn en van de MTD zijn er 3 trucks uitgeschakeld, alsmede een gepantserde ¾ tonner. Van ons Bataljon zijn er tot nu toe al zeven carriers afgeschreven doordat deze op een mijn waren gereden.

 

De plaats Blitar is  haastig verlaten door de T. N. I. toen de Nederlandse troepen dit gebied gingen bezetten, er waren dan ook veel spullen achter gebleven. Zo vond Jan Baas in een voormalig bureau van de T. N. I.  een goede schrijfmachine en ook een oude bruikbare telmachine, dat waren bruikbare artikelen voor de correspondentie en de te volgen cursus. Jan krijgt het verzoek zich in verbinding te stellen met Sergeant Gorter, tussen haakjes men zou het niet verwachten maar het zijn niet altijd commando’s die worden gegeven, er wordt ook wel eens iets verzocht in het leger !  Die Gorter bleek een typische vent te zijn, hij had een beetje tropen kolder. Hij was wel erg nuttig voor het Bataljon want hij bakte brood van een goede kwaliteit. Het blijkt nu dat hij een oude ijsmachine op de kop heeft getikt en daar wil hij roomijs mee gaan maken, echter daarvoor heeft hij geen aandrijf mogelijk heid , d. w. z. er staat wel een oude Bren Carrier in de achtertuin en Gorter zou graag zien dat daarmee de ijsmachine aan het draaien wordt gebracht. Dat wordt opgelost door de carrier op de juiste plaats neer te zetten, aan één kant omhoog te krikken, de rupsband aan die kant te verwijderen en over de vrij gekomen remtrommel een aandrijfriem te plaatsen en de andere kant van die riem aan de ijsmachine te koppelen. Er wordt voor gezorgd dat de carrier zich niet gaat verplaatsen door de rups die er nog onder zit te blokkeren, en als de motor wordt gestart en het drijfwerk ingeschakeld is heeft de ijsmachine een draaiende beweging gekregen. Er is één nadeel aan dit alles, want doordat die rups blijft stil staan moet het differentieel zijn draaiende werk aan een kant uitvoeren hetgeen niet bevorderlijk is voor een lange levensduur, maar daar liggen wij niet wakker van. De bedoeling van die ijsmachine is eigenlijk als er een konvooi komt uit Kediri, die ook staven ijs meebrengen, en dat er weinig oponthoud is geweest, zodat het ijs niet gesmolten is, dan kan Gorter een lekker ijsje voor ons draaien.

Alle chauffeur kennen Gorter, hij gaat soms mee om proviand te halen en iedereen vervloekte die kerel door de sigaretten die hij rookte. Dat waren nl. Kreteksigaretten waar kruidnagels in waren verwerkt en een zeer onaangename geur verspreidde in de cabine van de truck. Over die trucks gesproken, er wordt nog steeds met die aftandse dingen gereden en de monteurs doen veel moeite alles te laten draaien, maar daar komt verandering in. Zo is er ook een Chevrolet 3 tonner met een Ambulance opbouw, de chauffeur die daarmee had gereden had zich verkeken op de hoogte van het voertuig. Toen hij een spoorbrug met geringe doorrijhoogte passeerde kwam de hele opbouw op straat te liggen, maar gelukkig was er geen patiënt aan boord. Deze wagen heeft lange tijd op het terrein gestaan, een Chinese timmerman zou het zaakje weer opknappen, hij kreeg dagelijks voeding en daarom zal het wel zo lang hebben geduurd voor het karwei klaar was.

 

Ton Weterings vergeet ook nooit meer die tijd in - en rond Blitar, het was zoals hij zegt een spannende tijd, hij heeft ook menige keren beleefd dat hij meeging met een konvooi om fourage en de post op te halen in Kediri. Er waren geregeld beschietingen. Grote stukken van de wegen waren opgeblazen en er waren ook veel versperringen door omgehakte bomen.

Bij kampongs moesten vaak omtrekkende routes worden genomen omdat de eigenlijke wegen onbegaanbaar waren.

Opgeblazen bruggen, trekbommen, beschietingen en van alles probeerde die ploppers om te trachten het ons onmogelijk te maken die broodnodige ritten uit te voeren, het fourageren moest uiteindelijk toch doorgaan.

Tijdens een rit van Blitar naar Toeloengagoeng kreeg Ton een keer de opdracht een truck te herstellen, althans mobiel te maken, nadat deze op een mijn was gereden. Op de plaats waar dit voertuig zich bevond werd een meegenomen naaf op de achteras gemonteerd, waarna er ook een stel nieuwe wielen op kwamen. Er ging die zelfde dag weer een konvooi van Toeloengagoeng naar Blitar, en Ton ging met de herstelde truck mee in dat konvooi.

Nadat men de Baily brug bij Ngantroe was gepasseerd kwamen er weer vele wegversperringen, en dan ineens een geweldige knal. De pas herstelde truck vloog een eind omhoog met het gevolg dat er weer twee wielen en een remtrommel vernield waren. Tegelijk komt er uit de aangrenzende kampong een geweldige vuursalvo. Als bescherming waren er Bren Carriers met het konvooi meegegaan. De carrier die voorop reed was al veel verder, maar die manschappen hadden ook het geluid van de explosie gehoord en kwamen meteen terug rijden. Nadat zij een salvo vuur met hun Vickers op die kampong hadden gegeven en de rust terug was gekeerd konden zij de situatie overzien en stond Ton beduusd te kijken naar de achteras die hij pas had gerepareerd. Ter plaatse is toen een provisorische reparatie uitgevoerd, de vernielde wielen en remtrommel werden eraf gesloopt en het reservewiel van een andere truck werd op de naaf geplaatst. Het eigenlijke remsysteem kon niet meer worden gebruikt maar met de handrem op één achterwiel en op tijd terugschakelen kon er worden afgeremd en zo kwam het voertuig weer in Blitar.

 

Er is al geschreven dat er verandering komt in het wagenpark. Welnu op 10 Februari kunnen er in Kediri 14 nieuwe 3 ton Ford’ s worden opgehaald, en ook komen er nog 4 nieuwe Dodge Power Wagons. Dat zijn de opvolgers van de bekende Weappon Carriers. De voertuigen worden verdeeld over het hele Bataljon maar uiteraard krijgt de M. T. het grootste deel van de Ford Trucks Het is groot feest als deze wagens in ontvangst worden genomen, en ook de monteurs krijgen minder werk in de garage zodat zij ook af en toe achter het stuur kunnen gaan zitten.                                                                                                               

De Luit. had Vic van Schijndel ook een nieuwe truck beloofd als hij zijn plaats achter het bureau zou prijs geven, zodoende rijdt Vic ook regelmatig mee in colonnes, en in zijn dagboek staat vermeld:       

 Op vrijdag 18 Februari 1949 weer vertrokken naar Kediri, geen last van mijnen, doch deze keer was de weg zwaar versperd, en moesten er grote stukken worden omgereden door kampongs, maar dat zijn niet de beste wegen. Vóór Srengat een kapotte brug, voorbij die plaats was er een stuk weg opgeblazen door een forse lading springstof in een duiker, de weg was weg, het gat had een middellijn van 12 meter en was zeker 3 meter diep, het gevolg was weer een stuk verder om te rijden. Om 5 uur in de middag komt de colonne aan in Kediri, en moeten wij (eigenhandig) zeven trucks laden met drums benzine. Het is te laat om de terugweg te aanvaarden dus blijven wij in Kediri overnachten, er werd geslapen op een geleend veldbed.

           

 

Over de ritten met die nieuwe trucks schrijft Wim Uitentuis het volgende:

 

Het was echter niet zo dat iedere M.T. chauffeur nu een truck tot zijn beschikking had, want toen die nieuwe trucks in ontvangst waren genomen waren er enkele makkers die niet achter het stuur konden plaats nemen. Een daarvan was Wim zelf, en ik maakte in het donker een rit van Kediri naar Blitar mee achterop een truck van de M.L.D., waar een inheemse chauffeur achter het stuur zat. Zoals iedereen van ons weet reden die M.L.D. wagens vaak mee als aanvulling op ons tekort aan trucks, maar het waren slechte chauffeurs die daar op reden. Het waren ook kleine mensen die maar net bij de pedalen konden komen en ook amper over het stuur konden kijken. Er lagen altijd veel boomstronken langs de weg welke als wegversperring hadden gediend, en men men moest daar altijd tussendoor laveren. Echter die M.L.D. chauffeurs hadden de eigenschap vaak rakelings langs die boomstronken te rijden en soms werd er wel eens met de achterwielen tegenaan gereden. Zo gebeurde het ook deze keer dat met een enorme klap een boomstronk werd geraakt, de truck kreeg een enorme opdonder waardoor de achteras aan één kant werd losgerukt van het veerpakket.

Ik zat dus achter op die laadbak, vloog omhoog door die klap en kwam met mijn hoofd terecht op de kratten limonade, gelukkig had ik bij uitzondering een helm op.

Mijn eerste gedachten waren dat we op een mijn waren gereden, maar dat was gelukkig niet zo. De colonne had dus halt gehouden en de lading van de defecte truck werd overgeladen op een andere truck, er werd bewaking achter gelaten en de colonne vervolgde zijn weg.

Ik voelde me een paar dagen niet lekker, was misselijk en had een kleine verhoging, de urine was bijna rood, en de ontlasting leek wel stopverf, en daarom besloot ik maar na terugkomst in Blitar naar de dokter te gaan, deze zei direkt: Man je hebt geelzucht, dat wordt meestal veroorzaakt door een hevige schok, en achteraf gezien was dat natuurlijk die opdonder geweest die ik op die truck had gekregen. Ik werd doorverwezen naar het Marine Hospitaal in Soerabaya waar ik een rustkuur kreeg. Ik werd daar prima verzorgd en iedere dag kwam er een Marine Arts om mijn lever te controleren, ik werd ook elke dag door een stel verpleegsters gewassen, en mijn makkers waren jaloers. Ik leerde  nog een matroos kennen die ik later zou tegenkomen in Invercargill, Nieuw Zeeland. Na een paar weken mocht ik weer terug naar mijn onderdeel en toen kreeg ook ik een nieuwe Ford.

 

 

Over de ritten met die nieuwe Ford trucks schrijft Wim tevens:

 

Ons M. T. peloton was toen gelegerd in Blitar en om ons Bataljon te dienen moesten de chauffeurs heel wat kilometers afleggen, het was dan ook een grote vooruitgang toen wij die nieuwe Ford’ s kregen. De vijand was in die dagen nogal aktief en iedere dag maakte de chauffeurs iets anders mee. Gewoonlijk werd er in colonne verband gereden onder beveiliging van gepantserde eenheden, zoals van de Huzaren van Boreel. Maar deze eenheden waren helaas niet altijd beschikbaar, en zonder die beveiliging was het merkbaar dat we vaker werden beschoten, en er ook andere hindernissen gebeurden.

Als er op een bepaalde dag geen beveiliging aanwezig was kregen de chauffeurs beurtelings opdracht aan het hoofd van de colonne te gaan rijden, want meestal kreeg de voorste truck de eerste klappen, het was dus eerlijk dat om beurten die positie werd ingenomen, en daar was iedereen het mee eens.

Op een bepaalde dag moest er weer een colonne van Blitar naar Wlingi en het was mijn beurt om voorop te rijden, zodat ik mij daar ook ging opstellen voor het vertrek. Even voor het moment van vertrek gaf Luitenant v. d. Veen mij opdracht een zekere Luitenant op te halen die ook mee moest naar Wlingi. Zo gezegd zo gedaan en binnen de kortste tijd was ik weer terug en wou mijn plaats weer innemen, maar deze was reeds ingenomen door Wim Boksem. Toen ik hem daarover aansprak zei hij “Maak je niet druk, dan ga jij morgen voorop rijden”.

Daar had ik niets op tegen en zo zette de colonne zich in beweging en spoedig hadden wij de grens van Blitar bereikt. Na een tijdje merkte ik dat de omgeving stiller werd, op de Sawa’s was geen mens te zien en dat is altijd verdacht. Gewoonlijk zag je de Tanies (boeren) aan het werk op de Paddievelden maar nu was er geen mens te zien en dat is meestal een voorteken dat er iets ging gebeuren. Wij hadden de ervaring dat er handgranaten en mortier granaten in de bomen waren gehangen die men.

                         Ford door kampong

 

 

 

losliet zodra er een voertuig onder reed en als dan zo’ n granaat in de laadbak terecht kwam was de schade enorm. Er zaten ook wel koelie’ s achterop die moesten helpen bij wegversperringen en als daar dan zo’ n granaat tussen viel leek het wel een abortoir. Daarom waren wij altijd alert voor zulke verassingen. Ook werd gelet op de zijkant van de weg, achter de aanwezigen spoorlijn waar de peloppers zich soms in een hinderlaag hadden opgesteld. En dan plotseling schiet er een zwarte rookwolk omhoog bij de truck van Wim Boksem, meteen denk je :  Is het een landmijn of een trekbom deze keer. Direkt daarna hoordenwij een enorme knal waarna wij Wim en zijn hulpchauffeur uit de wagen zien springen, het bleek dat zij gelukkig niet gewond waren. Het hele konvooi was inmiddels gestopt en iedereen lag in dekking omdat wij in de regel ook onder vuur werden genomen, maar dat bleef deze keer uit. Wij gingen toen de opgelopen schade bekijken, de truck van Wim Boksem had geen rechter spatbord meer en toen wij omhoog keken zagen wij dat ding in een klapperboom hangen. Het rechter voorwiel, en wat daarbij hoorde, was totaal vernield zodat de wagen alleen nog met een takelwagen kon worden thuis gebracht. De lading van de betreffende truck werd overgeladen op een andere wagen, de vernielde truck bleef voorlopig met bewaking achter, waarna de rest van het konvooi zijn reis voortzette. Bij de volgende post werd middels een radio verbinding kontakt met Blitar opgenomen, die op hun beurt een takelwagen stuurde.

De rest van de dag bleven wij vrij van andere hindernissen, ik dacht later nog als ik voorop had gereden dan was het mij overkomen. Zo als eerder geschreven, als het stil was op een bepaalde weg, of als er op de Sawa’s geen mens was te zien, dan konden wij er vast op rekenen dat er iets ging gebeuren, maar het kwam toch altijd onverwachts.

De weg naar Kediri lag voor een gedeelte langs de kalie Brantas en soms werd het konvooi lastig gevallen door een Sniper die aan de overkant van de Kalie in een boom zat, het waren echter geen scherpschutters en dat was in ons voordeel.

Maar toch op een bepaalde dag op de weg naar Kediri was het weer eens verdacht stil en wisten wij dat er weer iets ging gebeuren, ik zat al te zweten, het konvooi ging al langzamer rijden en ik schakelde terug naar de tweede versnelling toen wij plotseling werden beschoten, ik sprong uit de cabine en zocht dekking achter het linker achterwiel, maar tot mijn grote schrik reed de truck door, in de haast had ik vergeten de motor af te zetten, of de versnelling vrij te zetten, maar omdat de wagen vooruit reed zat ik plotseling onbeschermd op de weg, de wagen reed tegen de achterkant van mijn voorganger, die wel stil stond.   

Het front van mijn wagen was beschadigd maar gelukkig had de radiateur geen schade opgelopen. Toen de bewaking die met ons was meegereden het vuur opende op de vijand koos deze het hazepad.. Het konvooi vervolgde zijn weg en wij waren nieuwsgierig wat de volgende hindernis zou zijn. Dat ging lange tijd goed tot wij in de verte een obstakel zagen liggen op de rijbaan, er werd een halt toegeroepen en onze pioniers moesten de zaak gaan bekijken, het bleek een stoel te zijn met drie poten, maar het kon ook een Booby-trap zijn. Na inspectie werd de stoel voorzichtig opgepakt en aan de kant van de weg gelegd, in verbeelding hoorde wij die rot peloppers lachen want ze hadden die stomme Hollanders weer eens goed te pakken genomen. De weg zat hier ook vol met gaten en zodoende liepen er meestal pioniers voorop om die gaten te inspecteren op een e v. mijn of trekbom, en dan op een gegeven moment is er een geweldige schreeuw, en wordt er geroepen : Kom gauw met een knijptang !  Wat was het geval, een pionier stond boven een gat in de weg met alle macht aan een stuk ijzerdraad te trekken, die trekdraad zat vast aan een trekbom en aan het andere eind van die draad zat een plopper te trekken, die pionier vocht voor zijn leven tot er iemand met een knijptang kwam en het ijzerdraad doorknipte en zodoende het leven van enkelen werd gered.

Daarna werd de rit voortgezet tot een pionier een verdacht gat in de weg dacht te zien, hij dacht dat het een landmijn was en voorzichtig werd het omliggende grind en modder verwijderd en daar kwam een geelachtig / bruin gekleurde massa tevoorschijn, hij kneep er eens in, het was vrij zacht, het leek wel iets op dynamiet, tot hij er aan ging ruiken, en dan zegt die pionier :  Nonnerju, daar heeft me die vuile rot plopper in dat gat zitten  schijten !

 

En natuurlijk zaten op een afstand die rot ploppers te lachen.    

Het mag in dit boek ook wel eens gezegd worden dat er een woord van hulde moet worden gesproken over de makkers van de Pioniers die toch altijd op bepaalde wegen vooruit liepen als het maar enigszins  mogelijk was de landmijn of trekbom onschadelijk gemaakt kon worden, daar is moed voor nodig.                                                                                      

Wim verteld verder, Het was in de omgeving van Blitar toen ik de opdracht kreeg om een patrouille op te halen een eindje buiten de stad.  De tijd  van  het  rendez-vous  zou  stipt  zijn  opgegeven, het was s’ avonds rond een uur of tien, en ik was alleen beschikbaar. Waar de anderen M.T. makkers op dat moment waren weet ik niet meer. In ieder geval ging ik er in mijn eentje op uit. Op de bewuste plaats aangekomen keerde ik mijn wagen in omgekeerde richting zodat deze in de goede richting stond om weer weg te rijden als de manschappen waren opgestapt.

Volgens het schema zou ik ongeveer nog vijf minuten moeten wachten, maar na enkele minuten in de cabine te hebben gewacht werd het mij wat te link, het was daar zo aarde donker en angstwekkend stil dat ik uit de cabine ben gestapt en een meter of 25 van de wagen in het struikgewas ben gaan zitten, ik vertrouwde de zaak eigenlijk niet, en zat hem goed te knijpen. Als de patrouille er dan eigenlijk al had moeten zijn wordt mijn angst nog groter, de tijd ging ook zo verrekte langzaam voorbij, en misschien hadden de jongens van die patrouille wel problemen gekregen. Ik realiseerde me dat de ploppers mij door het licht van de koplampen hadden zien aankomen en daardoor in de problemen zou komen.  Ik hield me muisstil en haalde het ook niet in mijn hoofd een sigaret op te steken, die mij wel had kunnen kalmeren. Ik werd steeds zenuwachtiger, en er kwam geen teken van leven, ze waren nu al meer dan 5 minuten te laat en het leek wel een uur, tot eindelijk 6 minuten na de afspraak die patrouille kwam aanlopen en er een zware last van mij afviel, dat zijn momenten die je nooit zal vergeten.

 

 

Hier volgt weer een stukje uit het dagboek van Vic van Schijndel:

 

Maandag 28 Februari.

In colonne naar Kediri voor fourage en benzine. Op de heenweg alles rustig, twee MTD wagens moesten achterblijven door stommiteiten van de ( Inlandse ) chauffeurs, zij hadden niet goed opgelet en reden in een tankval.

Op de terugweg vóór Srengat een trekbom die de plaatselijke vernieling

aan de weg nog groter maakte. Er was vorige week ook al een bom tot ontploffing gekomen, terwijl het konvooi behoedzaam passeert is er ook nog wat snipervuur. Majoor Moolenaar, die met Kapitein v. d  Elzen van commando wisselde, was mijn bijrijder. Even voorbij Srengat viel enkele meters voor mijn truck een ( waarschijnlijk ) Japanse 4.2 inch mortiergranaat die vanuit een boom was komen vallen. De granaat ontplofte recht voor de truck, achterop de laadbak zaten twee broodbakkers waarvan er één levensgevaarlijk werd gewond door een scherf in het hoofd. Majoor Moolenaar raakte licht gewond aan de linkerarm en ik zelf kwam er, behoudens wat glasscherfjes in hals en borst, ook goed vanaf. Het front van de truck was beschadigd, een lekke radiateur, een gat in de voor- en zijruit en ook de laadbak had schade opgelopen.

Later heb ik vernomen dat de broodbakker die achterop had gezeten ene Mollen was en het er levend had afgebracht.

 

In een dagboek van de Genietroepen staat beschreven dat op 3 Maart  1949 er een 3 tonner van de Prinses Irene op een mijn loopt, op de terugweg van Kediri naar Blitar, dat zelfde gebeurt weer op 9 Maart, en op 12 Maart gebeurt het wederom maar nu met een truck die is geladen met benzine, wonder boven wonder zonder persoonlijke ongelukken. In het laatste konvooi liep later ook nog een carrier op een mijn.

 

 

Het M. T. Lichtaggregaat.

 

Het was geen pretje bij donkere avonden op de kamer te zitten,

Om b.v. een brief te schrijven bij het licht van een paar oliepitten.

De enige oplossing was voorlopig de stroom via een autoaccu gevoed, maar als dan de truck niet wou starten waren er problemen in overvloed.

In de rijkdom van de strijdmachten onderling was een groot verschil,

Zo waren de Mariniers bevoorrecht tegenover de K. L. en het K. N. I. L.

Als je een bezoek bracht bij de Marine te Soerabaya kon je dat zien,

Daar was alles in  overvloed , en werd  amper gebruikt bovendien.

De oplossing is onze handen uit te steken en het verstand gebruiken,

En  samen  met de  aanwezige   kennis  in  dit probleem te  duiken.

Van hogerhand werd  toestemming om het te ondernemen ook verkregen,

En omdat het zo belangrijk was zat men niet om de nodige hulp verlegen.

De L.T.D. Mobiele werkplaats o.l.v. Sergeant Henning zou ons bijstaan,

En zo kwam de tijd dat er met man en macht aan het werk werd gegaan.

Van een “gevonden “ truck werd het achterste chassis deel afgesneden,

En op goede banden werd daarmee als aanhanger naar Blitar gereden.

Uit een  Lincoln personen auto werd een 12 cylinder motor gesloopt,

Maar na proefdraaien was de kwaliteit niet wat men er van had gehoopt.

In een fabriek gevonden 15 kw generator gaf de spanning die nodig was,

De 220 Volt die  geleverd  werd  kwam  ons  juist  heel  goed  van pas.

Er kwam toen een periode waarin erg veel transporten werden gedaan,

Waardoor de verdere afbouw van het aggregaat even stil kwam te staan.

Toen  de  Staf Compagnie  naar Toeloengagoeng was overgeplaatst,

werd de bouw van het apparaat hervat, en dat gebeurde met grote haast.

Met een 6 cylinder Dodge motor die sergeant de Jager had staan,

Bleek de aandrijving, en het geleverde vermogen, veel beter te gaan.

Bij de LTD Mobiele werkplaats in Blitar werd het werk afgemaakt,

Waarna het goed werkende aggregaat achter onze truck werd gehaakt.

Terug in Toeloengagoeng  werden bij onze gebouwen leidingen gelegd,

Er kwam  volop electrisch licht, en de oliepitjes werden vaarwel gezegd.

 

              

 

 

 

Maandag 7 Maart.

 

Vic gaat s’ morgens met twee andere trucks naar Wlingi, het is een vlotte rit en er gebeurt niets en in de middag zijn we weer terug in Blitar.

Die zelfde middag komt er onder een Brencarrier een trekbom tot ontploffing en de gevolgen waren ernstig, Sergeant Schotte, Korporaal Bouius en een Inf. Pionier sneuvelen, terwijl Bastiaanse, Bruins en Vrijens ernstig gewond raken. De carrier werd totaal vernield achtergelaten, en in brand gestoken, begrijpelijk is dat de stemming zéér gedrukt was.

De volgende dag worden de drie gesneuvelden begraven op de tijdelijke begraafplaats achter het gebouw van het ziekenrapport van Blitar, het was een indrukwekkende plechtigheid.

Op deze dag maakt de 2e Cie. een zuiveringsactie op kleine schaal in de omgeving van Srengat, de buit is klein: 2 revolvers, er werden in de weg wel twee bommen van elk 250 kg. aangetroffen.

 

De daarop volgende dag, 9 Maart, overlijdt Bastiaanse aan zijn verwondingen. We gaan die dag in konvooi naar Kediri en op de terugweg rijdt de oude Fargo van Siem Beuving op een lichte mijn.

De schade is een vernielde band, we worden ook nog beschoten. Er reed nog een burgerjeep mee van de heer Lanting. Dat voertuig kwam onderste boven te liggen, maar kon weer overeind worden getrokken en wonder boven wonder vielen daarbij geen gewonden.

 

Op 11 Maart komt er een aanvulling van drie personen, zij waren in Holland ondergedoken om niet  naar  Indië  te worden uitgezonden, maar zijn toch opgepakt en alsnog naar Indië gestuurd, het is de bedoeling dat zij ook hun volle Indië diensttijd gaan uitdienen en dus niet samen met het Bataljon huiswaarts keren. Twee dagen na hun komst vindt er s’ avonds een lichte aardbeving plaats buiten Blitar, het is voelbaar en duurt ongeveer 10 seconden.

 

Op deze zelfde dag loopt Joop Meintjens met zijn gepantserde ¾ tonner op een mijn, er is materiële schade maar er zijn geen slachtoffers.

 

Er doen zich grote gebeurtenissen voor op de route Kediri - Toeloengagoeng. Bij Ngantroe bevind zich een brug over de kali Brantas ( zie foto op pagina 134 )deze wordt op een sluwe manier opgeblazen, zij hadden een vlot met daarop een bom stroom afwaarts laten gaan, en op dat vlot stond een mast en als het ontsteking mechaniek, welke aan die mast was bevestigd, de brug raakt komt de bom tot ontploffing. Er stonden twee inlandse militairen op wacht en die zijn nooit terug gevonden, en zo was de plaats Toeloengagoeng een poosje geïsoleerd van aanvoer. Zoals al eerder beschreven bevind zich de 3e Compagnie in Toeloengagoeng en daar is ook onze makker Dick Broekhuizen gedetacheerd, Dick maakt regelmatig ritten naar de brug bij Ngantroe, en is nu dus ook geïsoleerd door het opblazen van die brug, maar de T.N.I. zorgt nu ook nog voor andere hindernissen zoals bomen kappen die over de weg leggen. Ze hingen granaten in bomen boven de weg, en er werden oude vliegtuigbommen langs de weg ingegraven die van een afstand tot ontploffing werden gebracht op het moment dat daar één van onze voertuigen langs reed. Op een dag is het weer de beurt van Dick om naar Ngantroe te rijden, en men begon meteen al bomen weg te slepen met behulp van een stuk ketting en wat betrouwbare koelies, onderwijl werden zij ook nog beschoten waardoor een koelie die naast Dick stond in zijn been werd getroffen. Hij werd meteen naar de dokter in de stad gebracht, die nam een watten stokje die hij in jodium doopte en ging daarmee in het gat dat ontstaan was door die kogel.  Die koelie zei alleen “Panas toean” hetgeen betekend heet meneer. Toen de dokter klaar was ging de koelie weer met Dick terug en werd er vrolijk verder gewerkt, gelukkig liep verder alles met een sisser af.

 

Op een andere dag kwam Majoor Molenaar naar Dick en zei dat hij weer bomen moest gaan ruimen op de weg naar Ngantroe, er was via een radiokontakt gemeld dat het konvooi onderweg was. Maar Dick was juist met het onderhoud van een truck bezig en wilde dat graag klaar hebben en vroeg daarom of chauffeur Henk Goudappel deze taak kon overnemen, en dat was geen bezwaar. Henk werd op die rit getroffen door een bomscherf die dwars door zijn hals ging en kwam zo aan zijn einde, verschrikkelijk was dat. Deze kameraad had een taak van Dick overgenomen en moest dat met zijn leven bekopen, dat was voor Dick een erg zwaar begrip. Hij verteld daarover het geluk te hebben gehad om later met zijn vrouw en enkele sobats, als hij een reis naar Indonesië maakt, aan het graf van Henk Goudappel te hebben gestaan op het Ereveld te Soerabaya, er ging toen veel door mij heen en dan komen de tranen weer in de ogen.

 

Zaterdag 12 maart 1949

Er gaat ook vandaag weer een colonne naar Kediri en op de heenreis is alles rustig en we zijn om half elf  op de plaats van bestemming.

Er wordt benzine geladen en Vic bezoekt  Nico Vrijens in het hospitaal, zijn toestand na het ongeval op 7 Maart is iets verbeterd.

Op de terugweg, ca 5 km. buiten Kediri loopt de truck van Vic op een mijn. De linker achterwielen en wat daarbij hoort wordt weggeslagen en de laadbak  wordt zwaar beschadigd, waardoor er ook enkele vaten benzine verloren gaan, gelukkig ontstaat er geen brand.

Na het reserve wiel provisorisch te hebben aangebracht kan er met behulp van de handrem langzaam verder worden gereden. Even verder loopt er een carrier op een lichte mijn, waardoor de track beschadigd.

De   verdere  reis  gebeurt   er   niets   meer   en   komt   de  colonne s’ avonds tegen 7 uur aan in Blitar.

 

Op vrijdag 17 maart gaat er een colonne van de Genie van Blitar naar Wlingi om op de bekende Dodenweg weer enkelen bruggen te repareren. Er gaat ook een truck mee van het 4e Bataljon Prinses Irene, en als de werkzaamheden zijn uitgevoerd valt er 5 kilometer voor Blitar  pal achter een truck een granaat die explodeert, achterop die truck zaten twee infanteristen die zwaar gewond raken, en korte tijd later overlijden.

 

Maart 1949 is er door de Genie een nieuwe Baileybrug bij Ngantroe gelegd, en kan ook deze route weer worden bereden.

Dick Broekhuizen gaat dan ook zelf weer met een truck naar Kediri voor het ophalen van de fourage en doet dit liefst alleen, de makkers die hij in Kediri trof zeiden dan vaak rij met ons mee maar hij ging liever alleen. een groot konvooi hoorde die peloppers aankomen maar als ik alleen rij, zo vond Dick, was er voor hun geen tijd de stellingen in te nemen want ik was al voorbij voor dat zij het wisten.

Dick wil graag een leuke anekdote vertellen, die is als volgt: Rondom ons kamp waren, zoals gezegd, wachtposten met rondom zandzakken en daarboven een dak van golfplaten, en het gebeurde wel eens in de nacht dat er klappers ( kokosnoten) )op dat dak vielen, je schrok je dan te pletter en vloog overeind, sommige presteerde het zelfs naar hun kamer te vluchten.

Na verloop van tijd wou ik toch wel weer naar de Staf Compagnie en heb toen aan onze Luitenant v. d. Veen om aflossing gevraagd.

Henk Meinderts kwam toen mijn plaats overnemen maar toen hij in Toeloengagoeng arriveerde reed hij twee palen omver die als steun diende voor het afdak van het Stadhuis, en het hele zootje stortte toen in elkaar.

Wat betreft de naam Toeloengagoeng, dat betekend vrij vertaald “ Grote Hulp “

 

 

Maart 1949,

 

Een verslag van Jaap Gravesteijn over een fourage ritje van Toeloengagoeng naar Trengaleg, heen en terug ongeveer 70 km. Op een regenachtige morgen kregen collega chauffeur Arie Hagen en ik opdracht om met twee driekwart tonners de fourage voor de derde compagnie te Trengaleg, en de dag fourage voor de drie tussen posten, weg te brengen vanuit Toeloengagoeng.

Twee dagen was er reeds getracht Trengaleg te bereiken maar door het bandjirren (vele regenval ) waren de kampongwegen overspoeld, zacht en week geworden. Deze nacht was het droog gebleven dus probeerden wij het opnieuw. Tot de eerste post verliep alles vlot, we gaven tegen een handtekening de dag fourage af en kregen twee Brencarriers mee voor bewaking naar de volgende post. Halverwege namen de twee carriers van post twee, die ons tegemoet waren gekomen, onze verdere bescherming over maar vertelde ook dat het niet te doen was om met auto’s over de doorweekte wegen te komen, maar na overleg gingen we het toch proberen, fourageren moest indien mogelijk doorgaan. Door kalm aan te doen ging het lang goed tot we bij een gedeelte kwamen waar de weg meer op een zwembad voor varkens leek dan iets anders. De carriers waren er al een keer doorgekomen maar hadden sporen achtergelaten van 40 cm diep. De nu voorop rijdende carrier kwam er nu ook door maar mijn driekwart tonner kwam, ondanks de vierwielaandrijving, niet verder dan driekwart van het slechte stuk, doch met drie sleepkettingen aan elkaar trok de carrier vanaf de vastere grond mijn wagen op het droge. De auto van Arie met slechts twee aangedreven wielen kwam maar tot een kwart van de modderpoel en stond toen op het punt van omvallen.

De tweede carrier bleef weer op het eind steken maar samen met de eerste carrier trok ik hem er door, waarna wij gedrieën probeerden de andere driekwart tonner er door te slepen wat echter niet lukte door de doordraaiende wielen en dito carrier tracks, wat nu ?

Na overleg werd besloten dat een carrier nogmaals door de blubber zou rijden om de kraanwagen van de Genie, die ongeveer vier kilometer terug de opgeblazen brug over de grote weg aan het vervangen was door een Baleybrug op te halen, maar bijna aan het eind raakte de carrier muurvast en was buiten bereik van onze sleepkabels. Daarna gingen we vier man sterk lopende verder en na een uurtje Djalannen (lopen) hadden we de Genie bereikt, en hoewel hun werk voor die dag er op zat waren ze bereid mee te gaan om te proberen ons uit de problemen te helpen.

 

 

 

In een uur tijd had de kraanwagen Arie’ s driekwart tonner, via een takel- voetblok aan een palmboom, eruit gesleept en de nog vastzittende carrier naar hun toe gesleept, die echter toen hij weer op vaste grond stond probeerde om via een omweg weer bij ons te komen. Hij raakte zo vast dat zelfs de kraanwagen het moest opgeven, en de Genie naar “ huis“ ging. Wij met twee auto’ s plus de overgebleven carrier reden door naar de volgende post en leverde de fourage af en overlegden wat verder te doen.

Wij moesten door naar post drie maar de Brencarrier was terug gereden om acht Tjackra’s naar hun kameraden terug te brengen, als noodzakelijke aanvulling voor de nacht. Wij waren met ons vieren, twee infanteristen die naar Trengaleg moesten, Arie en mijn persoon. Twee van ons wilden, als er toch geen bescherming was, het risico maar nemen en met z, n vieren naar post drie rijden, maar twee anderen wilden dat niet dus bleven we wachten, het was eigenlijk ook niet verantwoord om te gaan. Iedere post had twee carriers, maar die van de derde post laten overkomen ging niet want de telefoonlijnen waren vernield, wat ook een bedreiging kon inhouden. Na een uurtje kwam de carrier terug en werd er besloten dat de carrier plus tien Tjackra’s met hun drietonner ons tot voorbij de uit ervaring geleerde slechte plek zouden terugbrengen en daarna zouden teruggaan, waarna wij met de carrier naar post drie zouden doorrijden. We starten vlug want binnen een uur zou het donker zijn, bij de linkste plaats stopten we, de Tjackra’ s en drie man van de carrier plus de twee infanteristen gingen voorzichtig de aan weerskanten van de weg liggende kampong in, ze waren nauwelijks tussen de hutten en palmen verdwenen of een hevig geweervuur verbrak de spanning.

Met Arie zocht ik dekking onder de auto maar daar er van drie kanten werd geschoten, en wij geen 100 meter van de kampongrand af stonden, moesten we dekking zoeken in de natte sawah. Mortier granaten werkten mee om ons leven minder plezierig te maken en de carrier chauffeur die veilig achter zijn pantserplaten zat schrok zich een hoedje, want een zware mitrailleur kogel boorde zich vlak voor zijn neus door driekwart van de pantserplaat. Een van onze infanteristen kwam terug hinken, hij was aan de hand gewond, had zijn voet verstuikt en zijn munitie verschoten. Na een kwartiertje kwamen ook de anderen terug, ze hadden niet door de kampong kunnen komen, maar ieder was van mening dat er genoeg gepresteerd was deze dag voor onze f.1.40 soldij, plus f. o.30 aktiegeld. De jongens bij de carrier in de sawah moesten nog eten en drinken hebben en daar ik de enige was met licht op de auto mocht ik dat brengen. Een Tjackra en een korporaal van de Ost. Comp. gingen mee, we leverden alles netjes af maar op de terugweg gleed de wagen van de weg, en weer zaten we vast in de modder. De korporaal liep alleen terug naar de carrier, dat was zo’n drie kilometer, hij haalde vijf man op en zette ze op wacht bij de auto waarna wij beiden naar de post liepen en de carrier jongens van hun tampatjes haalden. Met de carrier in het aardedonker en een vaart van een mijl per week op weg naar de auto reden, die we na twee uur in het donker werken op de weg kregen, en om twaalf uur kroop ik op het tampatje van een in de sawah bivak houdende Tjackra. De volgende dag was eerste Paasdag. Om acht uur vertrokken we weer, maar nu met alle Tjackra’ s, zo’n dertig man. Op de linke plaats kregen we weer vuur maar blijkbaar hadden de Ploppers gisteren al hun kruit verschoten, en nadat een Jap de reizende zon tegemoet was gezonden was het weer rustig en konden we verder. Midden in de kampong, in de bocht van de weg, lag een versperring met daarin verwerkt een vijftig kg zware trekbom, alle trekdraden kwamen een vijftig meter voorbij de versperring bij elkaar vanuit een dikke boom, alle draden waren keurig voorzien van een label met opschrift. We waren het er over eens als we daar gisteren met z’n vieren op in waren gereden, zouden we geen kans hebben gehad er weer uit te komen. We ruimden alles netjes op en kwamen om elf uur op de derde post aan, daar kregen wij een Paasmaaltijd. We gingen om twee uur met twee Vickers-carriers door naar het einddoel - Trengaleg - waar we om drie uur aankwamen en de fourage afleverden, beter gezegd het restant want van de fourage, want de eieren waren geklutst en wat er van het vlees niet bedorven was, dat hadden de Tjackra’s de vorige dag opgegeten, een mandje djeroeks was nog compleet. Om vijf uur gingen we weer terug naar post drie waar we te gast bleven omdat het te laat was geworden. s. Avonds om negen uur was er een schietpartij bij de door de post bewaakte brug, de Vickers carriers gingen erop af en na tien minuten knallen was er weer orde en rust. Om elf uur te bed, nadat we een vriendelijk aanbod om een nachtpatrouille mee te lopen hadden afgeketst. Tweede Paasdag, om acht uur bedanken we voor de genoten gastvrijheid en onder geleide van de carriers bereikten we post twee en zonder dat er een schot viel en waar we ook de sawah carrier weer te zien kregen, die met behulp van veel inlanders uit zijn isolement was verlost. Ik wilde met Arie naar “ huis “, je komt er niet door zeiden de carrier jongens, en weer probeerde we het, mijn auto bleef prompt weer steken, maar na drie uur wroeten, en met behulp van dertig inlanders, kwam de auto er uit. De andere driekwart tonner, die vanwege zijn tweewiel aandrijving geen kans had, werd door een carrier mee terug genomen, en met Arie ging ik zonder carriers, pech of andere problemen, via post één naar “ huis “, we hadden drie dagen nodig gehad over een afstand van heen en terug hooguit zeventig kilometer, maar zelden was het mandiën zo lekker, en zat het schone pak zo prettig als op deze tweede Paasavond !

 

Jaap verteld verder:

 

Blitar 18 Maart 1949.  

 

Gisteravond hoorden we “ Morgen moet er weer fourage, munitie en benzine worden gehaald uit Kediri ” Enkele van de jongens die mee moeten knijpen hem al. De meesten voelen zich ook niet op hun gemak, maar laten niets merken. Slechts een enkeling laat het koud, want tijdens de vele ritten, die wij sinds Januari naar Kediri maken vanuit Blitar, ondervonden we dat de vijand zich overal kan bevinden en zijn mijnen, granaten en trekbommen overal ingraaft of ophangt waar het hem uitkomt, inclusief de schietpartijen, wat je meestal pas merkt wanneer je er het minst op verdacht bent. Gemiddeld gaan we twee a driemaal per week naar Kediri en iedere keer gebeurt er wel iets. Soms een trekbom of een beschieting. Daarom is er niemand die lachend achter het stuur stapt.

 

 

Een ieder verbijt zijn reeds maanden gespannen zenuwen. De een lukt dat beter dan de ander, maar niemand laat zich kennen, ieder is present, de een probeert aan Holland te denken, de ander denkt: Wat zullen we deze keer beleven ?, Maar als het tijd is zoekt elk zijn plaats in de colonne. Voorop de Brencarrier van de Ost. Comp. dan de Weappon Carrier van de Luit. ( met Jaap achter het stuur ) daarachter de vrachtwagens van de M. T.  dan de M. T. D. wagens bestuurd door Inlandse chauffeurs die ook mee moeten en achterop weer een Bren Carrier. Om 07.30 uur blaast de Luit. op zijn fluit en zet de colonne zich in beweging. Het gaat langzaam, de bruggen zijn reeds vele malen vernield of opgeblazen en weer provisorisch hersteld, oude bomtrechters worden eerst onderzocht, evenzo de bekende linke plekken.

Tot de eerste Post blijft alles rustig, té rustig, er is geen mens te zien, de wegen en velden zijn verlaten, de kamponghuizen zijn gesloten, de stilte is drukkend. Omdat de ondervindingen heeft geleerd dat ze meestal een voorbode van de storm is, met andere woorden: “ Er klopt iets niet” Maar wat ?  Iedereen voelt het, het knaagt weer aan de zenuwen. Wat zal het zijn ?  Gebeurde het maar, de voorafgaande stilte beangstigt je meer dan het gevaar zelf.

Op de eerste post te Srengat horen we dat een patrouille Tjackra’ s al vooruit is om een stuk weg voor ons te zwepen, dat is mooi meegenomen denken wij. Aan het einde van de open weg tegen de kampong- rand ontmoeten we de Tjackra’ s, er valt direkt weer iets op. Anderen keren zitten of staan ze verspreid, nu staan ze bij elkaar. Je leest het van de gezichten, er klopt iets niet, waar wat ?  Langzaam neemt de Bren Carrier de bocht, vlak voor deze bocht is een diepe bom trechter. Die bom kregen wij vorige week toen we uit Kediri weer op huis aan gingen en vlak voor de voorste Carrier gebeurde het. Dus toen zei men:” lekker mis Peloppers” - “ Weet je nog “ zegt iemand die humoristisch poogt te zijn hoe kwaadaardig die grote rode mieren waren die na tien minuten uit de lucht kwamen vallen en ons aan alle kanten beten ? Ja zeg ik, en stuur langs de bom trechter naar de twintig meter verderop liggende kleine brug. De derde houten dekbalk van voren is half gebroken, maar ik hoef er niet naar te kijken om dat te weten, ieder stukje weg kennen we uit het hoofd. We kijken of we soms die mijn zien die we dan toch ontdekken voordat hij explodeert. Dan onverwachts, het verrast je altijd weer, een ontzettende klap. Plotseling krijgen we een schok van de luchtdruk, alles is zwart, ademhalen gaat moeilijk. In elkaar gedoken wachten we af. Dan horen we zware stukken vallen en het geratel van de lichtere brokken Langzaam aan wordt alles weer zichtbaar. We kruipen de wagen uit, niemand is gewond, ook de wagen is nog heel, en valt onze blik op een groot zwart gat. Vlak achter de wagen ging de brug de lucht in. De zware U- balken liggen als halve hoepels in de kampong. Gelijktijdig wordt het konvooi van achteren beschoten, maar nu herstellen wij ons en ontspannen zich onze zenuwen. Voor deze dag zijn we er weer doorheen en het vuur van de peloppers wordt fel beantwoord. Daarna wordt gezamenlijk een dam gelegd in de zo goed als droge kalie en onder het zweten slaan we de rode mieren dood die uit de lucht komen vallen. We zijn blij dat we voor de zoveelste keer geluk hebben gehad. Ik dacht dat ik jullie zag vliegen zegt iemand achter uit het konvooi, maar het waren de balken. Jongens die het terrein afzoeken vinden nog twee trekdraden met aan het einde pakken explosieven, één pak lag vrijwel bij de ambulance waarin een gewonde lag, maar gelukkig was de draad gebroken !  Na een half uurtje was de dam klaar en konden we kalm weer verder.

Een eind verder ontmoeten we nog een Tjackra’s patrouille vanuit Ngantroe, ook zij hadden een stuk weg voor ons gesweept en één van hen was zwaar gewond doordat een pak picerinezuur tot explosie was gebracht terwijl hij er langs liep. We legden hem in onze ambulance en zochten de omtrek af en vonden door te zoeken naar trekdraden nog negen pakken explosieven. Maar wat er gebeurde en ondanks weggeblazen bruggen, wegen of autowielen, de M. T. deed zijn werk en steeds kwamen de wagens weer thuis en of de chauffeur m’ kneep of niet, rijden deed een ieder. Als aanvullende noot zou ik willen toevoegen, dat met het verstrijken der jaren een steeds groter wordend respect voor onze Motortransport Officier de 1e Luitenant van der Veen die drie jaar lang en bij ieder konvooi de leiding en verantwoording had en deze nimmer op ondergeschikten afschoof.

Dit was dus het verhaal van Jaap Gravesteijn, hij maakt hiermee wel duidelijk hoe de situatie toen was.

 

Uit dit alles blijkt wel dat het Bataljon er niet zonder kleerscheuren vanaf komt, hier volgt even een opsomming aangaande deze periode gedurende de tweede politionele aktie:

Onze M. T. kameraad Piet van Asten, op 30-12-48 overlijdt hij in het hospitaal te Kediri na te zijn getroffen in zijn Dodge door een kogel, 25-01-49 sneuvelt van Gelderen nabij Wlingi door een kogel van een scherpschutter, 1-02-49 sneuvelen korporaal Esderts en soldaat Duivenman nabij Toeloengagoeng, 21-02-49 sneuvelt korporaal Salemink nabij Blitar, op 5-03-49 sneuvelt soldaat Jacobsen door een sniper schot nabij Blitar, 6-03-49 sneuvelt soldaat Perquin door een mijn explosie, 7-03-49 rijdt er een carrier op een mijn nabij Srengat met het gevolg vier doden, 17-03-49 rijdt chauffeur Goudappel tussen Toeloengagoeng en Ngantroe op een trekbom en overlijdt, op deze zelfde dag sneuvelen de soldaten Feller en Meel door een mortier granaat, 19-03-49 sneuvelt soldaat Wouters bij Wlingi, 5-04-49 sneuvelen soldaten Havikhorst, Poppe en Stötefalk door een trekbom, de vierde persoon die daar bij was Den Das overlijdt later aan zijn verwondingen te Soerabaya op 7-04-49, 27-04-49 sneuvelen de soldaten van Oort en  v. d. Sande nabij Mronjo, 19-05-49 sneuvelt soldaat Huisman en op 23-05-49 soldaat v.d. Avort, op 30-05-49 sneuvelt soldaat Stoop door een artillerie granaat, en voorlopig de laatste die te melden is betreft de 1e Luitenant Havik die door eigen vuur sneuvelt op 27-06-49. Dit alles geeft toch wel een beeld onder welke omstandigheden het Bataljon zijn tijd in dit gebied door moest brengen.

Het blijkt ook wel dat het merendeel van de slachtoffers omkomt, of gewond raakt, tijdens transport over de wegen, dienaangaande heeft een ieder zo zijn eigen opvattingen, b.v. de infanteristen laten weten liever een patrouille te lopen dan mee te rijden op een truck, wegens het gevaar op, en langs de wegen. Een andere groep, zoals de meeste M.T. chauffeurs, zitten toch liever achter het stuur dan te moeten meelopen bij een patrouille, de reden kan zijn de lange afstanden die de infanteristen moeten lopen, in ieder geval zijn er geen andere keuzen, of je was infanterist met het gevaar dat je in een hinderlaag terecht kwam, of je was chauffeur met het constante gevaar op een mijn of trekbom  te rijden, of ook te worden beschoten, iedereen was uit eigen lijfsbehoud bezig het beste er van te maken, en allen hoopten heelhuids in Holland terug te keren.

 

Het is 2 April 1949 als de Staf Comp., en de daarbij horende M.T, verhuist naar Toeloengagoeng De M. T. krijgt de beschikking over het Gerechtsgebouw en de daarnaast gelegen opslagruimte, dit laatste wordt gebruikt als werkplaats en het terrein leent zich goed voor een parkeerplaats voor het wagenpark. De manschappen worden verdeeld over de aanwezige kamers die een redelijk onderkomen geven, dit alles ligt in een aangename plaats en al snel ontstaat er een leuk kontakt met de bevolking, hoofdzakelijk Chinezen. Er is één nadeel nl. hier is ook weer geen electriciteit want die voorziening is door de vijand vernield toen zij deze plaats moesten verlaten. Jan kan als chauffeur een poosje gemist worden en pakt de draad weer op bij het bouwen van het aggregaat, waarvan het klaar gekomen gedeelte vanaf Blitar is meegekomen. Het zoeken naar een deugdelijke generator neemt veel tijd in beslag. In de vernielde fabrieken staan er genoeg maar het is de kunst er achter te komen welke generator in takt is. Er wordt wel een partij koperdraad gevonden die bruikbaar is voor de stroomtoevoer naar verschillende gebouwen. Van de aanwezige generators wordt op de aangebrachte plaatjes de capaciteit afgelezen en die aan de gestelde eisen voldoen worden getest, en dat gebeurt als volgt: Een achterwiel van een truck wordt omhoog gekrikt en tegen het draaiende wiel wordt de pulley van de generator gedrukt zodat deze gaat meedraaien in de juiste draairichting, met een 220 volt testlamp wordt zo iedere generator afgewerkt tot er een exemplaar gevonden wordt die een vermogen heeft van 220 Volt / 15.000 Watt en dat is ideaal. Het probleem is nu deze generator aan de Lincoln motor te koppelen, daarom moet er een reisje naar Blitar worden gemaakt, waar de L. T. D. werkplaats is achter gebleven. Daar staan de mannen ook direkt klaar en als de koppeling tot stand is gebracht kan het proefdraaien beginnen. Dan schrikt iedereen bij het rookgordijn dat die de Lincoln motor veroorzaakt, waarschijnlijk heeft men voor deze motor klapperolie als smeermiddel gebruikt ? Dat is dus weer een nieuw probleem, voorlopig wordt het apparaat op de parkeerplaats te Toeloengagoeng gezet.                                                                              

Zaterdag 16 April

 

Vic gaat voorlopig voor de laatste maal vanuit Blitar naar Wlingi, het is de bedoeling dat hij daarna samen met Siem Beuving wordt overgeplaatst naar Toeloengagoeng.

De rit naar Wlingi verloopt vlekkeloos, maar op de terugweg, drie kilometer voor Blitar vielen er twee granaten uit de bomen, één naast de brencarrier en één vlak achter de truck van Siem. Van de koelies die op de laadbak zaten werden er drie gedood en vijf zwaar gewond, het was een waar bloedbad. Tegen twaalf uur aangekomen in Blitar, daarna een bezoek aan het ziekenhuis, onze spullen opladen, en daarna naar Toeloengagoeng. Vic wordt ook geplaatst in het voormalig gerechtsgebouw, samen op één kamer met korporaal Joop v.d. Stelt. Zoals al is opgemerkt is er geen elektrisch licht en wordt dat ondervangen door acculicht, het is een oplossing maar het schept wel problemen, zeker als een truck moet rijden en de accu leeg is.

 

Op Zaterdag 23 April krijgt Timmy ( Sergeant Timmermans ) tijdens een transport vlakbij een trekbom, er was een Engeltje bij hem, want nadat hij enkele meters was weggelopen bij een plek die verdacht was kwam de bewuste zware bom tot ontploffing, Timmy was door het oog van een naald gekropen. Deze week is er ook weer één carrier en één pantserwagen op een mijn gelopen.

De volgende Zaterdag 30 April is het Koninginnedag, maar het verwachte vrijaf gaat niet door, er wordt gereden op Kediri, Blitar en Trengalek, de overblijvende trucks moeten puin rijden om een weg te herstellen naar Bandoeng, een pas gezuiverd plaatsje. Vic moet samen met Tommy Tol naar Trengalek, maar daar zijn geen problemen.

 

Simon Beuving die inmiddels bekend en berucht is in het hele Bataljon  had ook zo’n nieuwe Ford truck gekregen, hij heeft daar inmiddels al vele ritten mee gemaakt. Hij heeft ook de nodige ellende beleefd en de Luit. vindt dat hij even aan rust toe is, nu Jan toch weer beschikbaar is moet hij de truck een poosje overnemen. Er worden eerst enkele dagen ritten op Kediri en Wlingi uitgevoerd. Op 2 Mei is er weer een naar Wlingi, zogezegd over de bekende dodenweg Blitar - Wlingi. Een ieder die deze opdracht kreeg dacht altijd wat zal er vandaag weer gebeuren.

Als de fourage voor de 2e Comp. op de wagen is geladen begint de reis, de Huzaren van Boreel gaan mee voor beveiliging met een Humber voor- en een Humber achter de Ford. Het stuk Blitar - Wlingi zou die ochtend al gesweept zijn door de “prikploeg” van de Genie in samenwerking met de infanterie van ons Bataljon, en de heenreis verloopt ook vlot.

Wlingi is eigenlijk maar een gehucht, er staan een paar huizen waarvan er enkele bewoond worden door de makkers van de 2e Compagnie, en er is een spoorwegstationnetje.

De fourage wordt in ontvangst genomen en na enkele nieuwtjes te hebben uitgewisseld wordt de terugweg aanvaard, Jan krijgt een passagier mee die op bezoek moet bij de Bataljonarts in Blitar. Als het konvooi een eind op de terugweg is en er goed de vaart in heeft slaat het noodlot toe.

Het rechter voorwiel raakt een ingegraven landmijn en de uitwerking is verschrikkelijk, een deel van het plaatwerk,  het rechter voorwiel, en wat daar verder aan vast zit, wordt weggeslagen, de truck is onbestuurbaar ook de remmen werken niet meer en tegen een boom komt de wagen tot stilstand. Jan springt onmiddellijk uit de cabine en ziet geen van beide Humbers, die uiteindelijk de bescherming moeten bieden, en in een opwelling schiet hij zijn Stengun magazijn half leeg en merkt dan dat zijn passagier nog in de cabine zit.

Deze blijkt niet meer bij zijn positieven te zijn, maar na hem goed heen en weer te hebben geschud komt er weer leven in, en samen zoeken zij snel een beschut plekje op. Als dan de achterop rijdende Humber is gearriveerd wordt via de radio de tweede Humber opgeroepen die dan rechtsomkeert maakt en zich ook bij het gezelschap komt voegen. De nieuwe Ford kan wel worden afgeschreven, een geluk is dat de motorkap tegen het voorraam is geslagen waardoor er geen glasscherven in het gezicht zijn gekomen. Iedereen reed in die tijd met zakken zand op de vloer van de cabine, ook wel op de vloer van de laadbak, maar er was toch een metaalscherf in het been van Jan gekomen, en bovendien was hij aan één kant doof. Bij nadere inspectie bleek het motorblok vernield te zijn en werd het voorwiel, en wat daar aan vast zat, terug gevonden in het naast gelegen terrein. Met Blitar wordt er radiokontakt gemaakt en zij sturen een takelwagen van de L.T.D. werkplaats, en zo wordt het wrak naar die L.T.D. werkplaats gebracht. Jan en de passagier worden naar de Bataljonsarts gebracht en het blijkt dat Jan een grote zwarte prop in zijn oor heeft welke wordt verwijderd, ook de metaalscherf.

De passagier blijkt een shock te hebben opgelopen. Uiteindelijk is het goed afgelopen, echter het oor van Jan heeft wel schade opgelopen waar hij zijn verdere leven hinder van heeft ondervonden. Helaas is Simon zijn nieuwe Ford kwijt, zo raakt het Bataljon nog drie andere trucks kwijt in deze periode.

Precies in deze periode vindt de Luit. het even beter niet meer met Jaap Gravesteijn op pad te gaan, en krijgt Jan opdracht een nieuwe Dodge Power Wagon te aanvaarden om de Luit., en ook anderen Officieren, in te verplaatsen. Er volgen dagelijkse ritten in konvooi verband naar Kediri, maar ook naar Soerabaya via Modjokerto.

 

Maandag 9 Mei, gaan er enkele verlofgangers mee naar Kediri, die vandaar verder zouden gaan naar Soerabaya. Omdat verder reizen naar Soerabaya niet mogelijk bleek, zijn de verlofgangers weer mee terug gegaan naar Toeloengagoeng. Koud terug in Toeloengagoeng wordt bekend gemaakt dat het weer mogelijk is naar Soerabaya te reizen en moeten die verlofgangers weer terug naar Kediri, ze worden weg gebracht door Krist en van Schijndel. Ook gaat de Weappon Carrier mee van Jaap Gravesteijn, er wordt zeer snel gereden. In Kediri trakteert  onze M.T.O. bij Toko Oen op gebakken biefstuk en gebakken aardappelen, en dat was smullen. De terugweg wordt in 26 minuten afgelegd, dat was nog sneller dan op de heenweg.

 

Er bestaat angst voor die nieuwe Baleybrug te Ngantroe dat daar weer eens een vlot met een bom op wordt losgelaten en daarvoor wordt er over die kali een kabel gespannen waaraan op onderlinge afstand grote drijvers zitten, Jan moet met de lier van de Dodge die kabel strak trekken waarna de kabel verankerd wordt. Maar waar niemand op rekende was dat die ploppers toch wel uitgekookt waren, er werden op 13 Mei 1949 twee vlotten achter elkaar stroomafwaarts losgelaten, het eerste vlot met explosieven vernielde de kabel waarna het tweede vlot met haar ontsteking tegen de brug kwam met het gevolg dat de oever verbinding weer was verbroken.                                                          

20 Mei loopt Gijs Vermeulen nabij Srengat met zijn nieuwe Ford truck op een mijn, de truck lijkt afgeschreven, behoudens een lichte verwonding van de Pater zijn er geen slachtoffers.

De volgende dag vertrekt Dominee Oomkes naar Holland, zijn plan is om over een half jaar met zijn gezin terug te komen om in Soerabaya garnizoen’ s  prediker te worden.

 

Op 23 Mei heeft de Genie weer een nieuwe Baleybrug gelegd en nu moet er met de Dodge twee kabels met drijvers worden strak getrokken en plaatst men bij de brug een P. A. G.  geschut waarmee tijdens avond- en nachtelijke uren regelmatig een granaat wordt afgevuurd, het is een mooi schouwspel in het donker die granaat over de waterspiegel te zien dansen, later op 24 Juni mislukt de derde poging de brug op te blazen.

 

Arie Jongenelen weet in dat Gerechtsgebouw een leuke kamer te organiseren en verzorgt ook weer het meubilair, zelfs een opwindbare grammofoon wordt daaraan toegevoegd, en samen met Jan wordt die ruimte in gebruik genomen.

Sergeant de Jager heeft een goede 6 cylinder Dodge motor staan en stelt Jan voor deze te gebruiken voor het aggregaat. Met deze motor en aanhanger achter de Dodge Power Wagon wordt er weer een reisje naar Blitar gemaakt en de L. T. D. mannen zorgen dat alles perfect voor elkaar komt, er is inmiddels een leuk kontakt ontstaan met die L. T. D. mannen waarvan Sergeant Henning de leiding heeft.

Er werd toen ook verteld dat de nieuwe Ford van Simon Beuving, waarmee op een mijn was gereden , afgevoerd was naar Kediri. Terug gekomen in Toeloengagoeng wordt begonnen met het aansluiten van leidingen tussen de gebouwen, en uiteindelijk de aansluiting op het aggregaat waarbij een vat met 200 liter benzine komt te staan, en vanaf die tijd zijn de kamers helder verlicht, en dat levert dankbare gezichten op. Alle moeite is niet voor niets geweest.

Uit voorzorg komt er op de kamer van Arie en Jan een Volt en Ampère meter te hangen zodat de juiste spanning in het oog kan worden gehouden. Het is nl. zo dat als er een stel naar bed gaat, en de lampen uitschakelen, de generator minder belast wordt en het toerental van de motor omhoog gaat, de motor moet dan worden bij geregeld anders branden de lampen door, dat is lastig en moet nog iets aan worden gedaan.

In deze periode wordt aan de monteurs een formulier aangeboden waarmee een aanvraag kan worden gedaan voor een BOVAG diploma. Men vertelt dat als deze formulieren zijn ingevuld deze naar Bandung worden gezonden om daar te worden beoordeeld, en aan de hand daarvan zou dat Diploma mogelijk kunnen worden verstrekt. Er moeten later nog pasfoto’ s worden ingeleverd, maar we hebben er verder niets meer van gehoord.

 

 

De M.T. werkplaats

 

Over de m.t. chauffeurs en wat daarbij hoort is veel gesproken en geschreven,

Zoals het   grote  gevaar dat  altijd aanwezig was  voor  hun  eigen  leven

Maar bij die M.T. waren om alles draaiende te houden nog andere figuren,

Zij zorgde alle dagen dat de chauffeurs hun voertuigen goed bleven besturen.

Hoeveel  koppeling  platen  er  bij  voorbeeld   zijn  vernieuwd is onbekend,

Het waren er vele, en met die grote warmte raakte men er nooit aan gewend.

De monteurs moesten het werk uitvoeren, vaak met provisorisch gereedschap,

Het waren ook vaak moeilijke reparaties, en de voorraad onderdelen was krap.

Maar toch  altijd  weer  kwam  het  werk  tot  een  goed  einde  gereed,

De zweetdruppels die daarbij vloeiden, dat is een aantal dat niemand weet.

           

                       


Op 26 Mei 1949 gaat er weer een konvooi naar Kediri en de Luit. gaat mee in de Power Wagon van Jan. Als de spullen daar zijn ingeladen wordt er bij Toko Oen nog even een consumptie gebruikt en dan krijgt Jan opdracht van de Luit. een truck van het Burgerbestuur, welke bestuurd wordt door een inlander, over te nemen en de Luit. laat weten zelf de Power Wagon mee terug te nemen. Het is een Ford met tandem assen en is geladen met een Caterpillar aggregaat met een gewicht van 6500 kg, het totaalgewicht van dit transport bedraagt ongeveer 10.000 kg en de Luit. wil dit niet overlaten aan die inlander omdat het merendeel van die lui slechte chauffeurs zijn.

Het aggregaat is bestemd voor het Burgerbestuur van Toeloengagoeng en het transport moet dus via de nieuwe Baleybrug van Ngantroe plaats vinden. Als het konvooi daar is aangekomen wordt halt gehouden en krijgt Jan instructies van de aanwezige Genie mensen, het was zo dat die brug, die een lengte heeft van 55 meter, en ook de langste Baleybrug is van Oost Java, eigenlijk niet berekend was op het gewicht van dit transport. De opdracht luidt in de eerste versnelling te blijven rijden en zonder schokken dezelfde lage snelheid aanhouden, en zo komt alles veilig aan de andere kant van de Kali Brantas. Aangekomen bij de plek waar het aggregaat thuis hoort helpen enkele van de M. T. bij het afladen, zij worden uitgenodigd die avond deel te komen nemen aan een voortreffelijke rijstmaaltijd. Als enige dagen later het aggregaat in werking wordt gesteld houdt voorlopig de taak van het M. T. aggregaat op te bestaan. In Trengalek is de 4e Comp. gelegerd en zij raken door een ongeval hun Dodge Power Wagon kwijt, daarvoor moet de M. T. Power Wagon aan hun worden afgestaan en krijgt Jan weer tijd verbeteringen te brengen aan het aggregaat. Hij gaat met de Harley enkele vernielde fabrieken bezoeken en vind uiteindelijk een compressor met een 3 cylinder Kromhout dieselmotor, van de laatste sloopt hij de brandstof pomp af waarna het inspuit gedeelte wordt verwijderd en alleen het regulateur gedeelte overblijft. Er moeten nu werkzaamheden worden uitgevoerd die in Blitar niet mogelijk zijn, zoals een extra krukas puley tegen de bestaande puley aan te brengen, waardoor het mogelijk wordt die regulateur aan te drijven met een V. snaar, daarom wordt bij de volgende rit naar Soerabaya een bezoek gebracht aan de L.T.D. werkplaats aldaar, en met vriendelijke woorden van de Luit. wordt aan ons verzoek voldaan. Er wordt overnacht in Soerabaya, de Luit. neemt de Dodge mee, en Jan gaat naar Perak waar hij bij een kennis, die marinier is, kan overnachten. De volgende dag wordt het werkstuk opgehaald bij de L.T.D. en wordt de terugreis in konvooi gemaakt. Als de puley, s en V snaar zijn gemonteerd, wordt de hevel van de regulateur met een stangetje verbonden aan de smoorklep van de carburateur en zo kan het aggregaat onbemand zijn taak aan, er hoeft nu s’ avonds niet meer te worden gewaakt. Er worden nog andere aanpassingen gedaan, zoals een overkapping  zodat alles keurig kan worden afgesloten.

Deze taak is volbracht en het aggregaat staat gereed voor andere tijden.

 

Er is nog al hinder van jonge vrouwen die zich ophouden nabij het M. T. gebouw en dat gebeurt natuurlijk met een bepaalde bedoeling, geld verdienen met sex. Er is al eens eerder over geschreven, het is in dit land levensgevaarlijk je daar aan over te geven daarom is het beter dat die grieten verdwijnen, en het is Jan die een oplossing denkt te hebben gevonden. Enkele kameraden willen hem daar graag bij helpen en zij zorgen dat die meiden tussen onze geparkeerde trucks worden gelokt, het is daar in de avond aardedonker. Jan staat daar gereed met een zg. cardanspuit, met zo’n apparaat worden de versnellingsbakken en differentieel’ s gevuld, en op het moment dat enkele dames hun onderlichaam hebben ontkleed wordt die spuit in werking gezet met het gevolg dat de dames een mooie zwarte glimmende huid krijgen en gillend wegrennen, sindsdien zijn daar in onze tijd geen hoeren meer geweest.

 

De militairen overzee worden zeker niet door het thuisfront vergeten want iedereen krijgt buiten de normale post ook regelmatig een pakje overgestuurd, en als zo’n pakje aankomt is het altijd feest en wordt er ook getrakteerd aan mede lotgenoten.

 

Woensdag 15 Juni is er ook weer een rit naar Kediri, tussen Toeloeng Agoeng en Ngantroe vallen er enige sniperschoten. In Ngantroe laat men weten dat de Kamelen brug is opgeblazen, Jaap Gravesteijn gaat met de Weap op verkenning en constateert dat de weg dicht ligt met bomen en dat de brug kapot is. Het colonne gedeelte dat uit Blitar was gekomen keerde zodoende onverrichterzake terug naar Blitar om de Genie op te halen. In de tweede poging om naar Kediri te komen werden de omgelegde bomen opgeruimd en de Kamelen brug hersteld. Aan het bruggetje dat daarnaast lag was geen eer te behalen, dat was finaal weggeblazen. Rond drie uur kon de tocht worden voortgezet.

Voor alle duidelijkheid is het goed te vertellen dat de Kamelen brug vaak door ons werd overgestoken met behulp van zelf meegebrachte bielsen, die we na het passeren weer op de zogeheten Bielsenwagen oplaadden. Hierbij zijn vele liters zweet gestroomd, het was dan ook wel verstandig daar koelies voor mee te nemen !

De Kamelen brug  is waarschijnlijk de meest gerepareerde brug van heel Java ? Het kreng is tientallen keren in brand gestoken, de bielsen waren regelmatig verdwenen. Zoals gezegd hadden wij, tenslotte, zelf een aparte Bielsenwagen die in het konvooi mee reed. Dat betekende: Stoppen voor de brug, de bielsen uitleggen, over de brug gaan, de bielsen weer opladen en verder gaan, hetgeen zeeën van tijd kostte.

Op 18 Juni is het bruggetje naast de Kamelen brug weer hersteld.

In Kediri moet anderhalf uur worden gewacht op de Paauw, die inmiddels Majoor is geworden. In de Bataljons-store wordt tegen inlevering van de oude pyama een nieuwe verstrekt.

Vic weet nog dat hij eergisteren f 4.50 beurde voor de colonne ritten in de maanden Maart en April, die langer dan twaalf uur hadden geduurd.

De truck van Vic gaat op 23 Juni voor reparatie en onderhoud naar de M.T. werkplaats, hij heeft toen enkele uren gebiljart met Siem Beuving in een Chinese biljartzaal.

 

De Generaal Baay wil met een colonne naar Wlingi gaan maar krijgt tussen Ngantroe en Kali Wedi te maken met twee trekbommen ( een derde ontplofte niet ) Kennelijk was dit op de Generaal gemunt want de explosies  vonden dicht bij zijn Jeep plaats, terwijl dat voertuig direct achter verschillende pantserwagens reed. De Jeep van het Binnenlands Bestuur reed achter die van de Generaal en kreeg de volle laag, de Jeep sloeg over de kop en van de inzittende werd de Javaanse chauffeur gedood en twee Europesche ambtenaren levensgevaarlijk gewond. Zeven peloppers werden gevangen genomen, onder wie degenen die de bommen hadden afgetrokken, wat er over bleef van de colonne ging met de Generaal terug naar Kediri.

De volgende dag overlijden de twee gewonde B. B. ambtenaren, het waren de hoogste plaatselijke burger autoriteiten in Blitar en Kediri, één daarvan was de Assistent Resident Feldbrugge uit Malang waar Vic op 19 December had geslapen.

 

Er worden regelmatig chauffeurs van de M. T. gedetacheerd bij andere onderdelen van het Bataljon omdat zij het met hun transport middelen niet afkunnen. Zo is b. v. Toon Baltus tijdelijk chauffeur van de Commandant der 4e Infanterie Brigade Kolonel van der Wijk en daarvoor is Toon gedetacheerd in Soerabaya. Simon Beuving is ook een poosje weg geweest en als hij weer terug is haalt hij weer eens een geintje uit, als Jan zich aan het mandiën is ( douchen bij een grote bak water ) neemt hij het fototoestel van Jan uit zijn kast en maakt ongemerkt een foto met een frontaanzicht van Jan in Adams kostuum. Op zich zelf is het een normaal dagelijks verschijnsel als er iemand zich staat te wassen maar in dit geval had het een staartje. Door bijna iedereen werden de fotorolletjes altijd naar de familie in Holland gestuurd die op hun beurt zorgde voor ontwikkelen, afdrukken en het oversturen van de foto’s. In dit geval ging het rolletje naar de broer en schoonzuster van Jan en daar kwam een hele boze brief over van de schoonzuster, het was een schande Zo leefde men in die tijd. Jan heeft met een uitvoerige brief alles kunnen sussen. Om over dat thuisfront verder te gaan, Jan krijgt van Sientje een brief waarin zij laat weten in Augustus met vakantie naar de ouders van Jan in Amsterdam te gaan, en dat allemaal door een simpele correspondentie !

 

Op Donderdag 7 Juli loopt er voorbij het klooster van Blitar, op de weg naar Wlingi, een carrier op een mijn, Jan Eibrink wordt op slag gedood, de nieuwe Majoor Veldprediker van Breugel raakt zwaar gewond en overlijdt tijdens het vervoer naar Kediri. Korporaal Breemer en de Vries worden zwaar gewond afgevoerd naar Kediri, daarvoor moet Jaap Gravesteijn die avond nog mee met zijn ( zelf ) gepantserde Weap, die zoals eerder beschreven is was uitgerust met een Vickers (mitrailleur)

 

Op Vrijdag 8 Juli ontploft er een trekbom bij de beruchte “Schiethoek”, de eerste hoek voorbij Srengat, onder een MTD truck die totaal vernield wordt, van de koelies die op de laadbak zitten worden er acht gedood, terwijl er zes zwaar gewond raken, onder de gewonden waren vijf Tjacra’ s. Ook de colonne naar Trenggalek kreeg een trekbom, maar die ging zo’n vijftig meter af vóór de eerste wagen.

 

Op Zondag 10 Juli, als Vic van Schijndel jarig is, moet hij naar Trenggalek, maar dan biedt Sergeant de Jager aan deze rit over te nemen, hetgeen zeer op prijs wordt gesteld door Vic. Hij gaat dan vele uren biljarten met Siem. Vic moet die avond op wacht van middernacht tot twee uur, de Luit. had gevraagd waarom Vic zo somber was, toen hij vernam dat hij jarig was haalde hij uit de Mess een fles citroenjenever als cadeautje, en na enkele borrels was de wachttijd zó voorbij.

Vic moet op Woensdag 13 Juli naar Lodojo, dat leverde geen problemen op. In Lodojo wordt dan juist fourage gedropt door een Dakota. Vic krijgt twee blikjes bruine bonen met spek in handen, hij geeft er één heel berekend aan de naast hem zittende Brigade Welfare Officier in de hoop iets terug te krijgen in de vorm van sigaretten en / of chocolade, waar die vent erg ruim in scheen te zitten, maar zover hij zich kan herinneren leverde die poging tot omkoping niets op.

 

Er zijn in deze sombere tijden ook wel prettiger gebeurtenissen te melden zo wordt er op Zondag 17 Juli een voetbalwedstrijd gehouden waarbij de Staf. Cie. van het 4e Bataljon Prinses Irene speelt tegen het 2e Peloton van het 10e Genie Veldcompagnie. De uitslag is 1 : 1

 

Op Maandag 18 Juli wordt er een trekbom direkt achter de truck van Vic. afgetrokken, het was er eentje van 250 kilo, maar gelukkig ontplofte alleen de ontsteking, als het anders was afgelopen had Vic zijn verhalen niet meer kunnen schrijven voor dit boek.

Als op Vrijdag 29 Juli het konvooi van Blitar op de terugweg is krijgen zij een tweetal zware trekbommen á 250 kilo voor de kiezen tussen Kali Wedi en Srengat, één bom ontplofte onder de voorste P.V. (gepantserde- ¾ tonner) deze werd wel tien meter omhoog geslingerd en kwam ondersteboven in de bomkrater terecht. De krater had een doorsnede van wel tien meter en liep vol met water. Het grootste deel van de inzittende zat onder het wrak en kon pas na enige tijd verlost worden, voor wachtmeester Kettenis en de Huzaar Jacobs kwam hulp te laat, de rest was min of meer licht gewond. Gerard van Leeuwen de Rooie had een lichte hersenschudding, een arm uit de kom en diverse vleeswonden.

Volgens Vic heeft de Rooie aan dit voorval een levenslang trauma overgehouden, maar anderen hebben de mening dat er wel meerdere zijn die met dit trauma leven.

Als op Dinsdag 2 Augustus Vic een rit naar Blitar moet maken neemt de Luit. die taak over, deze commandant voelde het ook aan als het even niet “moet”, op deze dag ontvangen wij 350 actie-sigaretten voor de April / Mei periode

 

Een kameraad van de M. T. - Eef Scheerder - heeft enige tijd een hondje met de naam Tilly, het is een leuk beest en heeft al gauw opgemerkt dat Jan meer belangstelling voor haar heeft dan het eigenlijke baasje, daardoor trekt het beest steeds meer naar Jan toe met het gevolg dat Eef vind dat Jan beter voor Tilly kan gaan zorgen, en dat gebeurt ook. Jan en Tilly worden hele goede maatjes. In deze periode gebeurt er weer een vreselijk ongeluk, bij Blitar rijdt een P. V. op een trekbom, het gevolg is twee doden.                                                                                   

Op 4 Augustus            houdt   Majoor             Broersma een inspectie in - en bij – de M. T. gebouwen, dat was lang niet gebeurd en als hij het aggregaat ziet staan geeft hij een pluimpje aan hen die het tot stand hebben gebracht.

Die inspectie zal wel verband hebben gehouden met de verhuizing die er aan gaat komen. Nog die zelfde nacht moeten Wim Uitentuis en Jan Baas samen van 02.00 - tot 04.00 uur op wacht.

 

De ochtend na de wachtdienst krijgt Tilly twee jongen die helaas niet levend op de wereld komen, maar zij is al weer gauw hersteld en springt, als altijd weer, binnen de kortste tijd voorop de benzinetank van de motorfiets als Jan een stukje gaat rijden.                               

 

Jan heeft de laatste tijd veel last van hoofdpijn en denkt dat het een gevolg is van die mijn explosie, maar als de Bataljonsarts het verhaal aanhoort denkt hij eerder aan een slechte kies.

Hij raad hem aan in Kediri naar de tandarts te gaan, maar als op het opgegeven adres in Kediri naar die vent wordt gezocht blijkt deze daar geen dienst meer te hebben.

Wat de komende verhuizing aangaat daarvoor denkt men eerst een afscheid feest te gaan houden, het kontakt met de bevolking was zo geweldig dat het niet ongemerkt voorbij moest gaan. Het plan is een optocht te houden met uitzonderlijke voertuigen, zo stond er een oude truck die nog met kettingen werd aangedreven, er was al eens mee gereden door Jan Haukes wiens vader een groot transportbedrijf had in Kekerdom, maar als de makkers van de M. T.  proberen dit vehikel aan de praat te krijgen wil het voor geen mogelijkheid lukken. De enigste oplossing is dan om er twee ossen voor te spannen die door een Inlander worden aangespoord, en Jan achter het stuur toch kan meedoen aan de optocht van Betja’s en kleine paard en wagentjes, welke voertuigen zijn bemand door leden van de M. T. die erg diep in het glaasje hadden gekeken. Er staan ook allerlei leuzen op die voertuigen zoals De pindakaas en de Hormel van P. van Leest. Van Leest was nl. de kwartiermeester, en buiten zijn schuld zorgde hij voor de vreselijkste voedingsmiddelen van o.a. brood beleg, wat de kwartiermeester betreft, de logistiek van de fourage werd verzorgd door de S.M.A.  ( Sergeant Majoor Administrateur ) Kluun, een Zaankanter, die een grote vriendschap onderhield met onze Timmy.                                                                                                             

Het is 8 Augustus als alles is ingeladen en het konvooi zich in beweging zet, uitgezwaaid door vrienden die onder de bevolking zijn gemaakt.

De reis gaat via Srengat, Blitar, Wlingi, Kesamben, Kepandjan en het eindpunt is Gondang Legi. Onderweg haalde de Ost. Cie nog een mijn uit de weg, er viel verder niets voor, behalve de buitgemaakt pantserwagen met de bijnaam Zwangere mus, die hing op sleeptouw achter de truck van Toon Baltus, die het zware geval zonder veel moeite over de heuvels trok. Helaas weigerde de remmen van de Zwangere mus vier kilometer voor Kepandjan, de wagen schoot in de berm en werd flink beschadigd, het chassis bleek dusdanig ontzet dat het wrak achtergelaten werd. Jammer want het Hobbystuk van onze monteurs was vrijwel rijklaar, er was veel werk voor niets verricht.

In Gondanglegi, waar een ieder weer zijn plaats krijgt aangewezen en zijn tampatje kan neerzetten, wordt een extra deken verstrekt want de nachten zijn hier kouder omdat dit gebied hoger ligt. Het zijn keurige huizen alleen mist men de gezelligheid van Toeloengagoeng. Het aggregaat krijgt een plaatsje in de grote garage en er worden leidingen gelegd en zodoende heeft ook hier iedereen een goed verlichte kamer. Het systeem met die nieuwe regulateur blijkt goed te werken, er wordt tot 

s’ avonds 22.oo uur gedraaid, maar als er in de Officiersmess iets te doen is wordt het wel eens later en daarvoor is er altijd een beloning van een fles jenever. Op zich zelf is dit gebied niet zo gevaarlijk maar ze flikken het toch wel eens in de avonduren een koperen draad, met aan het einde een steen, over de electriciteit draden te werpen zodat er kortsluiting ontstaat.

 

 

Bovenstaand een rijopdracht zoals er bij iedere rit moest worden uitgeschreven, maar door de omstandigheden kwam daar niet altijd wat van.

Begrijpelijk ook, want het waren vaak ritten die niet direkt door de MTO, of iemand van het MTO bureau werden opgedragen. Bovendien  was er geen controle van Militaire Politie in het gebied waar de meeste taken werden uitgevoerd.

 

Er worden nu veel ritten op Malang gemaakt voor o.a. de aanvoer, Jan zorgt een poosje met de ¾ tonner - waterwagen voor de aanvoer van dit vocht. De chauffeurs weten één ding zeker, als ze een rit moeten maken dan mag nooit worden vergeten de veldfles vol met thee mee te nemen, dat was ook geen probleem want bij de dienstkeuken stonden altijd gammels vol met thee klaar om daarmee je veldfles te vullen, het was ook een vereiste genoeg vocht in het lichaam te krijgen. Het gebeurde wel eens tijdens een konvooi rit die veel tijd in beslag nam dat de veldfles leeg was, en de enigste oplossing was dan een paar klappers uit de boom te laten halen. De melk die uit zo’n klapper kwam was heerlijk koel doordat deze onder de bladeren had gehangen, maar als je dat spul teveel dronk kreeg je last van knikkende knieën. Die klappers werden ook wel uit de boom geschoten ! Die ritten op Malang zijn ook een verademing, je komt eindelijk weer eens in een echte stad, waar het ook mogelijk is (tenminste als de beurs niet leeg is) bij Hoen Kwee gebakken aardappels en met wat daar bij hoort te eten, en een ijsje na ! Zo worden ook bezoeken gebracht bij het bekende restaurant Toko Oen.

Op 26 September gebeurt er iets merkwaardigs bij de 4e Compagnie welke in Kepandjan is gelegerd, die avond verlaat Soldaat A. van Uden zonder toestemming het kamp en verdwijnt over de brug die over de Kali Brantas loopt en keert niet terug. In de Korpsgeschiedenis wordt het omschreven als “vermoedelijk moord”, maar wie wel eens heeft gehoord

 

 

van de figuur Poncke Prinsen moet dit maar eens vergelijken. Sommigen hebben de mening dat er een fout is gemaakt bij het tot stand komen van

het Gedenkboek, dat na thuiskomst uit Indië is uitgereikt.

Daar komt nl. niet de foto en beschrijving in voor van deze van Uden en uit dit oogpunt is die familie op onderzoek uitgegaan, ze hebben verschillende van het Bataljon opgebeld, ook Jan, maar het is beter het stilzwijgen te bewaren.

In Gondanglegi wil men toch enige ontspanning brengen en daarvoor laat de Welfaredienst de bekende Conferencier Hans Kaart daar optreden. Daarvoor wordt er een podium opgericht en wordt via het lichtagregaat voor de verlichting gezorgd.. Die Hans Kaart is een prettig mens, hij had pas een reis door Zuid Afrika gemaakt en wist daar veel over te vertellen.

Zo komt er van Dick Broekhuizen het volgende verhaal: Wij lagen in Gondanglegi toen Hans Kaart op bezoek kwam, ik had die avond wacht in de buitenste Bren post, maar wou ook graag die voorstelling van Hans Kaart bijwonen, ik had al aan de S. M. I. gevraagd of hij zijn ronde nog ging doen, neen was het antwoord, ik legde de Bren in de wachtput en ging genieten van het optreden. Dat was machtig, maar toen ik na een ½ uur terug kwam werd ik staande gehouden door Kpt. Kreeftenberg en hij liet weten dat hij mijn wachtpost had overgenomen in de tijd dat ik spoorloos was, ik moest de volgende ochtend op rapport komen.   

Toen kreeg ik de wind van voren, zoals hoe ik erbij kwam een wachtpost te verlaten in Oorlogstijd, en wie mij toestemming had gegeven om die wachtpost te verlaten, ik heb de naam van die S. M. I. maar niet genoemd. Ik mocht nog in mijn handen knijpen want de straf die mij werd opgelegd bestond uit 14 nachten strafwacht, en uiteindelijk werden het maar 2 dagen van 2 uur.

 

Om terug te komen op die Hans Kaart, hij vertelde nog dat hij in Marokko was geweest en dat ze daar ook veel rijst eten, maar daar gaat van alles doorheen. Ze eten daar liggend en er kwam toen een bediende die aan Hans Kaart had gevraagd of alles naar wens was, waarop hij Neen zei, wij eten in Holland rijst met krenten, rijst met pruimen en pruimensap, rijst met melk en suiker. Nou zeg het maar zei de bediende, wat wenst U dan, waarop Hans Kaart zei doe maar melk, toen werd er een grote slavin gehaald die een borst tevoorschijn haalde en daarin kneep waardoor de melk in de rijst plonsde ! Hans Kaart was zich een hoedje geschrokken en had niets meer gezegd, hij dacht alleen wat ben ik blij geen pruimensap te hebben gevraagd.

 

Op de voorste rij zaten de Dominee en de Aalmoezenier met rode oortjes te gniffelen. Eigenlijk zijn dergelijken voorstellingen maar bitter weinig voorgevallen, de oorzaak zal wel hebben gelegen in het feit dat het Bataljon altijd te ver vanaf de bewoonde wereld zat.

 

In deze periode heeft Dick de beschikking gekregen over zo’n nieuwe Ford 2 ½ ton en onze Luit. geeft hem daarbij de volgende schriftelijke opdracht:

 

 

Opdracht voor chauffeur Broekhuizen D.  met truck 11 - 870

           

a. Meldt zich op 30 September 1949 bij de te openen Apendans in  Malang

 

b. Maakt geen enkele voor de dienst noodzakelijke rit, behalve indien deze rit op de rijopdracht volledig ingevuld wordt, dus met tijden, verbruikte  benzine en afgelegde afstand ( moet kloppen ! ) , doel van de rit ( geen “dienst”) en een duidelijke handtekening van de opdrachtgever.

 

c. Hij let er op dat geen voorschriften overtreden worden wat betreft de max. snelheden, lading, vervoer burgerpersonen, rijsnelheid en Zondags - permissie

d. Geen andere chauffeur aan het stuur behalve hij zelve. Een wagen is geen “hoer” en even spoedig vermoeid als de meeste       chauffeurs !

 

e. Zorgt voor tijdig onderhoud, doorsmeren e.v.t. te Malang, verder

onderhoud en inspectie te Gondag Legi Wetan.

 

                  te Velde 30 Sept. 1949,      Res. 1e Lt. A. v.d. Veen

 

 

Op 1 Oktober gaat onze vroegere Comp. Commandant de Paauw ons verlaten, hij is inmiddels Groot Majoor geworden en wordt nu Bataljons Commandant van het 4e bataljon Jagers.                                                                                                                                    

Een legendarisch verhaal

 

In een plaats Gondang Legi, waar wij waren gelegerd, had voor ons het onderdeel 4 - 5 - Regiment Infanterie gelegen, de naam van het regiment werd afgekort met :  4 - 5 - R. I.

De baboe die onze spullen verzorgde had voor onze komst dienst gedaan bij deze 4 - 5 - R.I. en zij sprak vaak over die tijd, maar met haar kennis van de Nederlandse taal, die soms wel lachwekkend was, had zij het vaak over de hond met de naam Fikkie van een soldaat van dat Regiment met de naam Dolf, maar omdat men in Indonesië de letter F moeilijk kan uitspreken en daarvoor de letter P gebruikt, werd de volgende zin uitgesproken als zij het over die bewuste hond van Dolf van 4 - 5 - R. I. had:

                        Pikkie Pan Dolp Pan Pier Pijp.

 

                               -o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-

 

Inhoud
Hoofdstuk 06

 

Periode van overdracht aan de T. N. I. , thuisreis van O. V. W. ers, Afscheid van Malang, bootreis naar Jakarta en tijdelijk verblijf te Tjimahi.

 

In deze periode, Oktober 1949, worden sommige bezette gebieden overgedragen aan de T. N. I. ( Tentara National Indonesia ) de vijand waar altijd tegen is gestreden, maar zij kunnen het nog steeds niet laten zo nu en dan mijnen te leggen. De situatie rondom Malang is dan ook niet veilig, er zijn ook veel Rampokkers, dat zijn loslopende bendes die stelen zelfs auto’s. Er wordt in deze periode ook op laffe wijze een 1e Luitenant van de Inlichtingen dienst doodgeschoten, om deze redenen wordt er een Garnizoenspolitie in het leven geroepen.

 

Wat de politiek aangaat zo af en toe vernemen wij iets, er wordt veel gesproken over het verloop van de Ronde Tafel Conferentie maar begrijpen doen wij het niet, zo wordt er gesproken over het terug sturen van de troepen en zelfs dat het m. s. Zuiderkruis, die met nieuwe troepen onderweg is, halverwege was terug gekeerd naar Nederland.

 

Wat er nu gebeurt is onbegrijpelijk, de sigaretten die door de Welfare worden verstrekt worden duurder, in deze tijd wordt er vrijwel door iedereen gerookt en dus loopt iedereen te kankeren omdat er met dit karige soldij ook nog prijsverhogingen worden doorgevoerd, en dat ook nog voor sigaretten van zeer slechte kwaliteit.

 

Op 9 November komt Jan Baas weer in het bezit van een Dodge Power Wagon en moet regelmatig met de Luit. maar ook met andere Officieren naar Soerabaya, een afstand van bijna 100 kilometer, dat heeft zoals ze zeggen allemaal te maken met ons vertrek naar Holland. Het is goed toeven met de Luit. want bij het bezoeken van Restaurants wordt de rekening door hem voldaan, in een normaal burgerleven zou men het kunnen betitelen als een “Zakloper” maar zoals eerder beschreven Jan Soldaat was altijd PLATZAK. Bij zo’n bezoek aan die stad laat Jan zijn kies trekken en inderdaad blijkt daarna de hoofdpijn te zijn verdwenen, omdat zijn ogen slechter worden wordt er bij een Chinese oogarts ook nog een bril aangemeten, die bij het volgende bezoek aan de stad gereed is. Half november krijgt de M. T. er aanvulling bij van drie personen, het zijn Augustinus, van Dijk en van Veen. Zij hebben geen rijbewijs en het is de bedoeling dat hun de autorijkunst wordt bijgebracht, daartoe maken zij geregeld een ritje mee naar Soerabaya en nemen om beurten plaats achter het stuur van de Power Wagon. Waarom deze drie personen als aanvulling  dienen is nog steeds een vraagteken. Er is nu geen gebrek meer aan chauffeurs, als dit een jaartje eerder had plaats gevonden zou het door iedereen toegejuigd zijn. Zo gaat Tilly ook vaak mee en niemand moet het in zijn hoofd halen een hond mee te nemen want daar neemt Tilly geen genoegen mee. Als wij een bezoek brengen aan het Ereveld Kembang Koening te Soerabaya blijkt dat er al vele voorlopige graven naar dit ereveld zijn overgebracht, waar deze een permanente plaats zullen blijven behouden.

 

Eind November vind er een prettige gebeurtenis plaats, er moeten formulieren worden ingevuld voor de demobilisatie, en dat zijn toch goede vooruitzichten. Ook de plaats Gondanglegi moet aan de voormalige vijand worden prijs gegeven, het Bataljon wordt in - en rond Malang samen getrokken. Op 8 December komt de M. T. tijdelijk terecht in de Landbouw Hoge school van Malang, het is wel weer even vreemd met 23 man op één kamer, maar het is wel een gezellige omgeving. Met enkele wagens wordt er een soort taxidienst gereden omdat daar geen andere vervoersmiddelen zijn. Op 23 December krijgt de M. T. een ander onderkomen en komen zij in de Büringschool, dat is een school voor het lager onderwijs, daar ontstaat met de Nederlandse Burgers een leuk kontakt, deze mensen beleven ook angstige tijden, er is al vaak ingebroken en ook op straat voelen zij zich niet veilig meer. Met de Kerst wordt de M. T. in ploegjes bij verschillende familie’ s uitgenodigd, Jan kan zich daarbij de familie Bruinsma herinneren, de manieren moeten wel weer worden aangeleerd zoals de sigaretten peukjes netjes in de asbakken deponeren. Jan gaat af en toe met de echtgenote van de Direkteur der school boodschappen doen, die vrouw voelt zich dan veilig. Zo gaat Kees Verhey vaak met de echtgenote van de Direkteur der Landbouwschool boodschappen doen maar daaruit ontstaat een verhouding en dat wordt door iedereen als ongepast beschouwd. Het is zelfs zo dat Jan Baas van de Luit toestemming krijgt enkele Nederlandse burgers mee naar Soerabaya te nemen om daar hun familie te bezoeken voor overleg wat zij moeten gaan doen. Er wordt al over gedacht terug te gaan naar Holland want iedereen denkt dat de situatie onhoudbaar wordt als de Nederlandse militairen zijn verdwenen uit dit land. We naderen nu het eind van 1949, en voor de jaarwisseling komen er weer uitnodigingen, in dit geval kan Jan zich de familie Split (of Splat) herinneren. In de huiselijke kring, bij mensen die een onzekere toekomst tegemoet gaan, wordt dit jaar gezellig afgesloten met veel gelukwensen, na klokslag 12 worden er nog enkele andere adressen bezocht en de meeste keren terug in de school met een goed stuk in hun kraag. Voor Jan is er een korte nachtrust want om 08.00 uur moet hij de Luit. weer ophalen. Er komen nu steeds prettige berichten dat er in de maand Februari 12 troepentransport schepen naar Nederland vertrekken, t.w. 5 Nederlandse - en 7 Engelse schepen. Als Jan in Soerabaya rijdt wordt hij voor het eerst aangehouden door 2 jonge M. P. knapen, zij controleren de papieren, daar is niets tegen in te brengen maar wel aangaande de naam Sientje, die op de radiateur grille prijkt. Een uitleg dat al jaren met namen op de trucks wordt gereden helpt niets, deze figuren die waarschijnlijk nog nooit een stap buiten de stad hebben gezet zijn onverbiddelijk en verlangen dat die naam wordt verwijderd. Dat gebeurt dan ook met een stuk schuurpapier dat toevallig in de wagen ligt, als de naam wordt verwijderd gaat ook een deel van de lak verloren hetgeen ook weer commentaar oplevert. Wat die lak aangaat, de Dodge gaat eerdaags toch naar onze vroegere vijand. Op 15 Januari 1950 moeten de o.v.w. ers van het Bataljon naar Soerabaya worden gebracht want zij gaan huiswaarts, van de M. T. zijn dat : de sergeanten de Jager en Timmermans, de korporaals v. d. Horst, van Leeuwen en v. d. Stelt, verder de soldaten Hagen en Scheerder, er wordt geholpen met het aan boord van het m. s. van Riebeek brengen van de bagage en dan volgt er een hartelijk afscheid en wordt er een goede reis gewenst en hopen wij elkaar in Holland ooit weer te zien. Er worden ook nog vele foto’s gemaakt met de ouderwetse fototoestellen. De leeg gekomen plaatsen van het kader worden ingenomen door Ton Weterings, Ab Abbink en Dick Broekhuizen, de twee eerste krijgen de tijdelijke rang van sergeant en

 

 

 

Dick wordt korporaal. En zo wordt er in de komende tijd steeds meer gedaan aan het toekomstige vertrek.

Op 20 Januari gaat er een konvooi naar het eiland Madoera om een lading munitie weg te brengen. Daarvoor moet er bij Soerabaya met een landingsvaartuig worden over gevaren, er gaat ook een party Trotyl mee en omdat bij het vervoeren de kans bestaat er goed hoofdpijn van te krijgen vind men het beter dat spul te laten vervoeren met de Dodge Power Wagon, die heeft goede ventilatie. Het geeft geen prettig gevoel met deze spullen te rijden. Als mede passagier neemt Kapitein Adjudant Kreeftenberg plaats naast Jan, het is niet zijn beste vriend ! Op de terugweg moet Kapt. Kreeftenberg worden afgezet bij de Staf 4e Inf. Brigade en als hij later weer instapt vertelt hij dat het Bataljon waarschijnlijk op 27 Februari met het m. s. Grote Beer naar Batavia gaat. Bij het volgende bezoek aan Perak ligt daar het m. s. Johan van Oldenbarnevelt waarop zich 4 - 5 - R I , inscheept en dat zijn allemaal leuke beelden.

De materialen die gemist kunnen worden gaan allemaal naar een depot in Soerabaya, hierover weet Vic van Schijndel nog het volgende te vertellen: Ons wagenpark en andere spullen moesten worden overgedragen aan de T. N. I., dat was onze vroegere vijand, de wijze waarop het soms gebeurde was als volgt: Het gebeurde in een grote loods, langwerpig en met deuren aan weerszijden. Wij reden onze wagens achteruit tot in de deuropening, daarna stonden wij op de laadbak de goederen naar binnen te geven, buiten stonden T.N.I. mensen alles te noteren Onze mensen die binnen stonden gaven de spullen weer door aan onze mensen, die aan de andere kant de trucks weer stonden in te laden, zo zijn heel wat spullen meerdere malen ingeleverd.                                       

Op een bepaald moment staat er nog het zelf gebouwde  aggregaat en als aan de Luit. wordt gevraagd wat daarmee moet gebeuren is het antwoord:” Zet dat ding maar ergens langs de kant van de weg ! “ Jan Baas wist genoeg en een Chinees wou dat ding wel in ontvangst nemen, en was zo goed een vergoeding te geven om de kist met souvenirs te vullen, en die waren inmiddels al behoorlijk in prijs gestegen, de vraag werd immers groter en daar wisten de Chinezen wel raad mee.    Het restant van de motor fietsen moet ook naar het depot in Soerabaya, en Jan maakt voor het laatst een ritje op de Harley Davidson, een ritje om van te genieten. Voor dat dit voertuig verandert van beheerder wordt er nog even wat zand in de smeerolietank gedaan, en als laatste wordt de kontakt sleutel in de zak gestopt, deze sleutel zou later als herinnering terecht komen in het museum van de kazerne te Oirschot. Het is begrijpelijk dat er een vreselijke haat bestond tegenover die vroegere vijand, immers het Bataljon had 43 kameraden verloren, en er waren vele gewonden te betreuren, en ook was ons leven ondraaglijk gemaakt. Zo dachten de meesten er toen over, maar als er later in het burgerleven goed over wordt nagedacht moet toch worden gesteld dat de Nederlandse troepen daar niets hadden te maken, uitgezonderd die eerste golf voor de veiligheid van de burgers. Eigenlijk is de Nederlandse Regering de schuldige van al die 6400 gesneuvelde kameraden.

 

Het wordt in Malang steeds onrustiger, opstandige bendes veroorzaken schietpartijen, het gebeurt zelfs dat het vuur wordt geopend op het publiek dat een bioscoop verlaat.

In deze periode krijgt Tilly 5 jongen, 2 bruine - en 3 wit kleurige, dan komt de vraag wat te beginnen met deze beesten, maar als snel biedt een Nederlandse dame uitkomst, zij wil de zorg overnemen en dat wordt in dank afgenomen. Jan had voor die tijd al eens geïnformeerd wat het zou gaan kosten om Tilly in Holland te krijgen, maar is toen wel geschrokken van de prijs. Dit was dus een goede oplossing, het spijt Jan achteraf om niet naar het adres van die dame te hebben geïnformeerd, omdat hij wel nieuwsgierig is hoe het verder met Tilly is gegaan.

 

Er rust op de M. T. dan nog de plicht om de voertuigen in hun oorspronkelijke staat terug te brengen, zoals de gepantserde Weap van Jaap Gravesteijn, daar worden met behulp van de lier, die op de Power Wagon zit, de pantserplaten mee afgetrokken, er worden dan ook stukken van het eigenlijke plaatwerk meegetrokken, maar dat deert niet.

 

Iedereen heeft met de laatste briefwisseling al plannen beschreven over de thuiskomst, en ook het thuisfront laat zo het een en ander weten. Jan krijgt van zijn werkgever een brief waarin wordt vermeld dat men een Welkomstfeest wil geven ter ere van de thuiskomst, en er wordt ook al geschreven over de plaats in het bedrijf, Sientje laat weten dat zij in Amsterdam een baantje heeft gevonden bij de familie Schokking, een gezin met twee kinderen waar zij de verzorging van het huishouden zal krijgen, zij schrijft o.a.. Dan ben ik straks in jouw buurt en kunnen wij eerst samen vakantie houden. Het zijn allemaal mooie vooruitzichten.

 

En dan op 8 Februari wordt officieel bekend gemaakt dat het Bataljon op de 15e wordt ingescheept voor een reis naar Batavia alwaar per trein de reis naar Bandung wordt gemaakt, in Batavia zit alles overvol zodat wij daar niet kunnen worden ondergebracht.

 

Het worden nu erg drukke dagen en alle dagen zijn er ritten naar Soerabaya, vaak met Officieren en ook met de Bataljonsarts Dokter van Rossem. Als alles is ingeleverd zijn er alleen nog de voertuigen, en daarmee vertrekt de M. T. rond 08.00 uur uitgezwaaid door de Nederlandse bevolking, waarvan er vele hebben beloofd op de kade van Perak te zullen staan als de trossen worden losgegooid. Aangekomen op Perak ligt daar het m. s. Thedens, bijna het hele Bataljon is al aan boord, de bagage van de M. T. wordt aan boord gebracht waarna de voertuigen in het Depot worden ingeleverd en de M.T.O. zijn ontvangstbewijzen krijgt. Met A. A. T. trucks worden de mannen van de M. T. naar de boot gebracht, de kade ziet inmiddels zwart van het publiek. Om 17.00 uur gaat een militaire kapel spelen en maakt het schip zich los van de kade, de nablijvers zwaaien en iedereen voelt zich heel klein, maar gelukkig. Er wordt over de Javazee gevaren naar Tandjong Priok, de haven van Batavia. Na het debarkeren wordt het Bataljon naar de trein gebracht om naar Bandung te gaan, een stel chauffeurs gaan een truck ophalen. Jan Baas krijgt weer een Power Wagon, nu met een gesloten stalen cabine. Met de M. T. O. als medepassagier wordt een schitterende reis gemaakt via Buitenzorg en de Puncuk Pas om tenslotte in Tjimahi bij de voorlopige onderkomens aan te komen. Later wordt verteld dat de treinreizigers ook een prachtig reis hebben beleefd, ze hadden het op een gegeven moment wel benauwd gehad door de rook van de locomotief toen zij door een lange tunnel reden. Het Bataljon komt in het voormalige opleidingskamp van de parachutisten, de verblijven zijn redelijk en de keuken  is  prima, alleen  tracht  men  weer  model  soldaten  van  de

nieuwkomers te maken, en dat levert problemen op.

De volgende ochtend vroeg vertrekt er al een kleine colonne, met o.a.. Officieren die in Batavia zaken moeten afhandelen voor het a.s. vertrek naar Holland. Ook de Luit. gaat mee en het is even zoeken in die vreemde en drukke stad, maar alles wordt afgewerkt en tegen 22.00 uur rijdt de colonne het kamp weer binnen, het was voor de chauffeurs een zware dag geweest maar ook de passagiers die achterin zaten waren blij uit te kunnen stappen na alle haarspeld bochten in de Puncuk Pas. De dagen die volgen hebben voor enkele chauffeurs steeds het zelfde programma, alle dagen worden er ritten naar Batavia gemaakt, zo ook met de kwartiermeester die o.a.. de zorg heeft voor de Europesche uniformen die er straks weer gedragen moeten worden. Ook gaan er zakken vol post mee naar Tjimahi, het zijn de laatste brieven in Indië die de mannen van het Bataljon ontvangen. Bij elkaar genomen zijn het toch wel prettige dagen op West Java, er wordt ook niets gemerkt van enige vijandelijke handeling.

 

 

Een korte taalles Maleis

 

                        Goede morgen     /      Selamat pagi

                        Zonder sokken     /      Blote kaki

                        Makan                 /       Eten

                        Tida tahoe           /       Niet weten

                        Een roepia           /       Om mee te betalen

                        Ambil                  /        Iets halen

                        Klamboe              /       Tegen de muskieten

                        Enak                   /        Ergens van genieten.

                        Roemah               /      Een huis

                        Ben je “gila “       /        Dan ben je niet pluis.

                        Kerata api kepala /      Een locomotief.

                        Een rampokker              /        Is een dief.

                        Roti                     /        Brood

                        Mati                    /        Dood

                        Baboe                 /        Dienstmeid

                        Saté kambing       /      Gegrilde geit

                        Satoe kali             /      Een keer

                        Tuan                   /        Meneer

                        Djalan                 /        Lopen

                        Pasar                 /        Daar kan je wat kopen

                        Awas                  /        Kijk uit je doppen.

                        En hiermee gaan we / Deze les stoppen.

 

 

Oost - Java

 

In dit boek zijn verteld een aantal belevenissen, indrukken en avonturen van de soldaten van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene, een onderdeel van de 4e Infanterie Brigade, de enige Brigade van de 2e Divisie, voor welke het organieke verband bleef gehandhaafd.

Het vormt geen romantisch verhaal over de periode, die dit onderdeel van de Koninklijke Landmacht doorbracht, een korte periode tijdens de eerste politionele aktie op Midden Java, en daarna op Oost Java, het is evenmin een saai verslag over de jaren 1947 t/m 1950, waarin zij streden voor Orde en Vrede, maar het is een bundel herinneringen aan grote en kleine gebeurtenissen zoals de Nederlandse soldaat die beleefde, en zoals hij die ook vastlegde op het filmrolletje, dat hij uit het Vaderland kreeg toegezonden, en zoals hij die aan kameraden vertelde of later verwoordt in dit boek. Het zijn ook indrukken die hij probeerde te bewaren in een tekeningetje of een gedichtje. Het zijn de avonturen die hij steeds weer opnieuw zal vertellen aan ieder die maar luisteren wil.

Wat u in dit boek zult vinden is de geschiedenis van de soldaten in alle rangen, in alle functies en op alle posten waar zij gedetacheerd zijn geweest. Deze geschiedenis is door hen zelf gemaakt, verteld en opgeschreven in soms soldatenuitdrukkingen en slecht gebouwde volzinnen, vastgelegd op een filmpje in een amateur fototoestelletje, vaak zonder dat de gebruiker begrip had voor belichting en compositie, of getekend op een onbeschreven kantje van een Postbladformulier.

De een vertelde een aaneengesloten verhaal, de ander noteerde indrukken, een derde schreef voor hem belangrijke voorvallen op, maar ook uit de brieven die vanuit Indië naar Nederland werden gestuurd, en bewaard zijn gebleven, zijn vele herinneringen opgehaald.

Getracht is uit dit vele materiaal een keuze te doen die spreken tot hen die het mee beleefden, maar ook tot hen die geïnteresseerd zijn in hetgeen de militairen hebben beleefd in de jaren 1946 t/m 1950.

Wij hebben de wijze waarop alle kopij is beschreven zoveel mogelijk gehandhaafd, en ons slechts beperkt tot het schikken en aaneenrijgen, voor elk van de afzonderlijke gebeurtenissen.

Dit boek bevat dan ook geen Literair - verantwoord heldendicht, maar lees hoe de “Jongens over zee” met hun eigen woorden vertellen van het land en het volk, van hun zware werk en hun worstelingen, van hun moeilijkheden en hun verlangens, van hun angst en hun vreugde, hun wensen en hun teleurstellingen, daar in die jaren op Midden - en Oost Java. De gedachte was met de illustratie een klein beeld te geven waarover is geschreven, zoals reeds eerder gemeld zijn de foto’s afkomstig uit een tijd dat er vaak gebruik werd gemaakt van die vierkante fototoestellen, waarmee het onmogelijk was een belichting enz. in te stellen, ondanks dat kunnen wij stellen dat met de huidige techniek er aardige plaatjes zijn ontstaan.

 

Landkaart West Java

                       

Inhoud
Hoofdstuk 07

 

Thuisreis en aankomst in Holland, persoonlijke belevenissen en Demobilisatie

 

Op 3 Maart 1950 stappen de mannen van het Bataljon weer op de trein en maken de reis naar Batavia, en als de chauffeurs hun voertuigen hebben ingeleverd worden zij naar de haven van Tandjong Priok gebracht en daar aanschouwen ze de boot waarmee zij de thuisreis gaan maken, het is het Australische m. s. Georgic van 27.500 Brt. Het is een schitterend schip en niet te vergelijken met de Tabinta. Iedereen wordt in mooie hutten ondergebracht van verschillende afmetingen, zo komen in een bepaalde hut : Toon Baltus, Wim Boksem, Simon Beuving, Arie Jongenelen en Jan Baas. Het is wel erg warm op dit schip, zoals men verteld eigenlijk niet geschikt voor de tropen.                                    

De verzorging is echter prima, er wordt in ploegen gegeten aan keurig gedekte tafels en de bediening is een luxe welke men niet gewend was. Het is alleen een Engels georiënteerde keuken die in het begin enige problemen oplevert maar men past zich snel aan. Zo weet Vic nog dat wij o.a. het volgende te eten kregen:

Als ontbijt fresh rolls, gestoofde niertjes, gebakken lever en meer van dat English food.

Er was ook gelegenheid tot het aankopen van bepaalde behoeften, zoals sigaretten. Zo wordt er door Ton Weterings met zijn overgebleven soldy geld een paar mooie nylons gekocht die hij aan zijn meisje Riny cadeau wil geven bij thuiskomst, hij liet zijn maatjes dan ook weten haar die nylons persoonlijk aan te doen. Het is ook heel wat elkaar na drie jaar terug te zien.

 

Er wordt gevaren in omgekeerde route van de heenreis die drie jaar geleden plaats vond, echter zonder het aanlopen van Sabang. Het aantal passagiers dat aan boord is bedraagt 2018 personen, terwijl de bemanning bestaat uit 493 personen. Jaren later blijkt dat zich ook de ploeg aan boord bevond van de L.T.D. mobiele werkplaats, die destijds ook in Blitar was gelegerd, en ons Bataljon zoveel diensten had bewezen. Er kunnen nog brieven worden geschreven die bij de volgende aanloophaven Aden op de post gaan. Er wordt onderling veel gepraat over de thuiskomst en ieder heeft zo zijn eigen voorstelling daarover.

Een ding is zeker, de makkers aan boord van dit schip hebben het er heelhuids ( tussen haakjes) van afgebracht, dat kunnen de anderen niet zeggen, zij blijven achter op de Erevelden van Java en dat mag ook nooit worden vergeten !

 

Op 13 Maart, na de eerste 3930 zeemijlen, wordt de haven van Aden aangedaan en er is gelegenheid van boord te gaan en in korte tijd de stad te bezichtigen, die zelfde avond worden de trossen weer los gegooid en begint de reis van vier dagen via Rode Zee en het Suez kanaal naar Port Said.

 

Als het schip op volle zee is wordt door de omroepinstallatie de naam van Jan Baas genoemd, hij wordt verzocht zich te melden in een bepaalde hut waar de Veldprediker zich bevind, de M. T. ploeg vraagt zich af wat dit te betekenen heeft. Als Jan bij de Dominee komt wordt hem verteld dat zijn moeder 3 dagen geleden was overleden, en dat verneemt hij 10 dagen voor zijn thuiskomst na een afwezigheid van drie jaar. Jan schrijft hierover het volgende : Op dit moment ging er alles door mijn hoofd, wat is er gebeurd met mijn moeder, arme Sientje die met zoveel vreugde verlangde naar mijn thuis komst, mijn vader, was mijn moeder ziek geweest, ik zou haar nooit meer terug zien kortom ik heb niet veel meer gemerkt van het verdere verloop van die reis. Later hoorde ik dat mijn makkers het verzoek hadden gekregen een oogje in het zeil te houden omdat ik volledig van de kaart was.

 

Het volgende stuk tot Suez bedraagt 1306 zeemijlen, na het Suez kanaal komt Port Said, en deze afstand is 85 zeemijlen. Als daar weer het nodige is ingenomen komen wij op de Middellandse zee waar het een stuk koeler wordt en kunnen de Europesche uniformen worden aangetrokken, dat is weer een vreemd gevoel. Tot aan Gibraltar zijn het dan 1912 zeemijlen en dan komt uiteraard de Noordzee, het laatste stuk tot Rotterdam dat zijn 1386 zeemijlen. Als dan de Nederlandse kust in zicht komt staat iedereen zich te vergapen, op 27 Maart 1950 is het grote moment aangebroken want dan komt het m. s. Georgic aan te Rotterdam, er zijn nog eerst wat problemen wegens de grote diepgang van het schip maar dat wordt opgelost, met drie sleepboten wordt het schip dwars tegen de kade aan geduwd. Iedereen neemt al vast afscheid van elkaar, zo ook de M. T. makkers die meer dan drie jaar met elkaar hebben opgetrokken, en zij beloven elkaar ooit nog eens te zullen ontmoeten, wanneer dat zal zijn is voorlopig een vraagteken..

Ook is Lt. v.d. Veen bij dit afscheid aanwezig, en mede dank zij hem hebben wij het er goed van afgebracht, dat mag zeker wel gezegd worden.

Over en weer wordt elkaar het beste voor de toekomst toegewenst, en Jan Baas wordt veel sterkte toegewenst bij de droevige thuiskomst.         

De militaire kapel op de kade gaat spelen en er wordt nog een toespraak gehouden en daarna verlaten de manschappen het schip via de loopplank en wordt er weer voet op Nederlandse bodem gezet, het is even wennen aan de temperatuur. In een grote loods wordt iedereen opgevangen en ingedeeld om met de juiste bus naar huis te worden gebracht.

Jan Baas stapt in een bus van Lindberg en de chauffeur krijgt de opdracht hem als laatste af te leveren, want bij iedere busstop als er iemand wordt thuis gebracht worden er juichkreten geuit en geintjes gemaakt, en bij een droevige thuiskomst is dat niet gepast.                                                                                                         

Zo beleefd Ton Weterings het dat bij zijn thuiskomst vele buren uit de straat waar hij woont komen aandragen met een cadeau, het huis was versierd, en vele familieleden en vrienden waren aanwezig. Maar natuurlijk ook zijn Riny, na even met haar apart te zijn geweest hebben zij hun verloving bekend gemaakt en werd daarop het glas geheven. In hun verlovingsringen werd de datum 27-3-50 gegraveerd.

Nadat Ton zijn verloofde in de nachtelijke uren op de fiets naar huis had gebracht, reed hij zoals de afgelopen jaren was gebeurd links van de weg. Zijn moeder stond hem op te wachten in haar nachtpon, zij wou nog wat woorden met hem wisselen. En zo zijn moeders, zij blijven altijd bezorgd om hun kinderen, en hebben er gelukkig geen weet van wat er zich allemaal in dat Indië heeft afgespeeld.

Als Ton de volgende ochtend heerlijk uitgeslapen is, en daarna weer de heerlijke verzorging door zijn moeder beleeft, ervaart hij het weer heerlijk om thuis te zijn. Zijn verloofde Riny is kleuterjuf, en als zij middagpauze heeft staat Ton haar tegen 12.00 uur al op te wachten en gaan zij samen de lunch bij Riny’s moeder gebruiken, daarna moet Riny weer op school zijn van 13.30 - tot 16.00 uur. Daarna gaat het pas verloofde stel naar de ouders van Ton, waar de rest van de dag wordt doorgebracht, het is weer een heel ander leven, en wegens gebrek aan wat anders loopt Ton ook nog steeds in zijn militaire uniform.

De volgende dag brengt Ton een bezoek aan zijn oude werkgever, de firma Blansjaar, en  moet veel uit de doeken doen over zijn verblijf in Indië, en natuurlijk wordt er gesproken over de terugkomst in de garage, maar dat was snel geregeld. Met de somma van f. 170.- kledinggeld,  als tegemoetkoming van Defensie, werd passende burgerkleding aangeschaft.

En zo gaat ook Ton de eerste jaren van de burgermaatschappij tegemoet, daarover schrijft hij in hoofdstuk 8.                                                                

Voor Jan Baas liggen de zaken wel even anders, de bus komt met hem als laatste passagier aan op de Wittekade te Amsterdam, daar woont de broer van Jan, en zijn gezin, zelf schrijft hij hierover het volgende:

Als ik met mijn bagage in het huis van mijn broer kom zie ik als eerste mijn vader en Sientje, ik weet eigenlijk niet meer hoe de begroeting is verlopen maar wel dat er veel gehuild is. Ik houdt Sientje lange tijd in mijn armen en als ik dan mijn vader condoleer komt daarna onherroepelijk de vraag: Hoe is mijn moeder overleden ? Dat antwoord zorgt ervoor dat ik aan de grond genageld sta want dat luidt:         “Zij heeft zelf een eind aan haar leven gemaakt !”

Ik wist dat mijn moeder al die jaren dat ik in Indië zat in de zorgen had gezeten over mijn verblijf zo ver van huis. In haar laatste brieven had zij geschreven hoe blij zij was dat ik weer naar huis kwam, en waarom maak je dan een eind aan je leven?

Natuurlijk was er met de overige leden van de familie een begroeting geweest waarna er nog veel wordt nagepraat over het verloop van de afgelopen dagen. Het blijkt dat men heeft geprobeerd mij vroegtijdig voor de begrafenis thuis te krijgen, Sientje was nl. in dienst bij de broer van de toenmalige Minister van oorlog Schokking, en hij heeft getracht mij via een vliegtuig thuis te laten komen, maar omdat ons schip al op volle zee was kon dat niet plaats vinden. De begrafenis had plaats gevonden op de Oosterbegraafplaats en daar breng ik met Sientje de volgende dag een bezoek. Aan Sientje heb ik heel veel steun gehad, maar natuurlijk had zij het ook moeilijk, in een vreemde stad en in huis bij vreemde mensen en dan al die narigheid te beleven. Maar ondanks alle ellende moeten er de komende dagen toch bezoeken worden afgelegd en een delegatie worden ontvangen van de firma waar ik weer zou gaan werken. Ik kreeg een horloge aangeboden met de inscriptie :

 

Welkom thuis, aangeboden door personeel en direktie Fa. D. P. de Rond.

           

Ik betuig mijn dank, ook voor alle brieven en pakjes die door hun waren toegestuurd en het is begrijpelijk dat mij wordt verteld dat het Welkomstfeest niet doorgaat. Daarna volgen bezoeken aan o. a.  mijn werkgever en medewerkers en natuurlijk wordt daar ook veel gesproken over mijn droevige thuiskomst.                                                            

Er was afgesproken dat ik voorlopig op de Wittekade zou slapen, Sientje zou dat bij haar werkgever doen en vader ging naar zijn huis in de Zaanstraat. Wij hebben allemaal een maand ontschepingsverlof gekregen, Sientje heeft ook vrij gekregen en met haar maak ik de reis per trein naar Stadskanaal. Ik maak daar kennis met het gezin Oosting, vader werkt op een Strokartonfabriek en zoon Roelof is als monteur in dienst bij het busbedrijf G A D O. Het woonhuis staat in de Spoorstraat en daar ben ik snel ingeburgerd, Sientje heeft ook erg lieve ouders die er alles aan doen het ons naar de zin te maken. Die vakantie daar heeft ons ook goed gedaan, en de komende dagen maak ik kennis met vrienden en kennissen. Ik moet wel erg wennen aan het Groningse dialect. Omdat ik nog geen burgerkleding heb wordt steeds het militaire uniform gedragen, maar dat was ook gangbaar in die tijd. Het was wel zo dat ik bij de debarkatie een bedrag van f. 70.= hebben ontvangen, waarbij een z.g. voorrangskaart, met de opdracht bij de demobilisatie in burgerkleding te verschijnen. Met die voorrangskaart zou men in de winkels ook met voorrang worden geholpen, en indien dat niet mogelijk zou zijn bij de aankoop van een herenkostuum dan kon men zich met de genoemde bon vervoegen bij het Burger Kleding Depot te Utrecht.

Zo zouden er ook in de meeste plaatsen in Nederland zaken zijn die kenbaar zijn met een plaat in de etalage waarop staat:  “Wij werken mee voor de jongens overzee” en daar kon men ook met die voorrangsbon terecht, de prijzen zouden ook daarvoor vastgesteld zijn.                      

Om nog even terug te komen op het verhaal van Jan Baas, wat betreft zijn vriendschap met Sientje dat wordt al gauw een hechte verkering en hij krijgt er geen spijt van die correspondentie met haar te zijn begonnen, het is een lieverd.

Na enkele weken in Stadskanaal en omgeving te hebben doorgebracht vertrekken zij weer naar Amsterdam en worden er enkele bezoeken gebracht aan zijn werkgever, daar wordt gesproken over de functie die hij moet gaan bekleden.

Op 27 April 1950 moet iedereen zich melden in een kazerne te Amersfoort om daar de militairen spullen in te leveren, er wordt daar een tegoed aan soldij ontvangen plus een Demobilisatie uitkering en een Groot verlofpas die per 9 Mei ingaat.

Velen zijn spullen kwijt, zoals een handdoek of een deel van het uniform en daar weet men goed raad mee, er moest flink voor worden betaald, dat was dank voor de bewezen diensten aan het Vaderland.

 

Het is goed om onze Indië tijd nooit te vergeten,

En wat daar gebeurde ook aan anderen te laten weten.

Wat waren wij voor knapen van amper twintig jaren,

Die bij het gevaar dat dreigde hun kalmte moesten bewaren.

Dat viel niet altijd mee, soms had je het wel eens te kwaad,

Vooral als er tijdens een transport weer één het leven laat.

Als je s’ morgens weer achter het stuur ging zitten,

Wist je nooit of je s’ avonds weer op eigen bed kon pitten.

Ook de nachten wanneer je op de wachtpost zat te turen,

Je hoorde vele geluiden, zag niets, dat waren zware uren.

Hoe meer de tijd verstreek, hoe sterker werd onze band,

Met de kameraden, in dit voor ons zo vreemde land.

Op één na hebben wij van de M.T. groep het overleefd,

Dat is ook de reden dat men nog zoveel om elkaar geeft.

 

 

            

 

 

 

Koninklijke Landmacht  Orde en Vrede

 

Inhoud
Hoofdstuk 08

De terugkeer in de burgermaatschappij, en de jaren die volgen.

 

Het verhaal van - en over - Ab Abbink

 

Persoonlijk stelt Ab geen belang in het boek, zoals hij laat weten wil hij die periode achter zich laten maar heeft wel enige inlichtingen verschaft die hij heeft verkregen door zijn werk op het bureau van de M.T. 

Zo stuurde hij o.a. lijsten op met de kentekens van de voertuigen van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene, en zoals de trucks, jeeps, motoren en ook de carriers, met vermelding van de staat der voertuigen.

Het heeft echter weinig zin al deze gegevens te vermelden in dit boek.

Hij weet ook te vertellen dat het aantal kilometers dat er tijdens ons verblijf in Indië zijn verreden zeker de drie miljoen is gepasseerd.

Verder laat Ab weten dat het een opvallend stel was, als de Luit. en zijn chauffeur Jaap Gravesteijn op weg waren in die gepantserde Weap.

Zij hadden beide een rode baard, dat is ook beschreven in het gedenkboek dat wij na onze thuiskomst hebben gekregen, maar de Luit. was er niet van gediend als zijn naam er bij zou worden vermeld.

Toen het materieel moest worden ingeleverd, om te worden overgedragen aan “onze vroegere vijand “, was de opdracht het archief, voor zover daar sprake van was, gedeeltelijk op het Bataljons bureau in te leveren, want het was beter dat wij het zelf vernietigden door verbranding zodat derden daar nooit inzage van konden krijgen

 

Het verhaal van - en over - Jan Baas

 

Na alle débakels bij mijn dienstplicht is er dank zij de kameraadschap in die M.T. gemeenschap toch nog iets leuks ontstaan, ik ben vele van mijn kameraden gaan waarderen en eigenlijk hebben wij het aan elkaar te danken er zo goed van af te zijn gekomen, want het was wel eens poepie link.

Het valt voor velen niet mee te wennen in het proces van de burgermaatschappij, maar in mijn geval had ik een werkgever die alle begrip had en er niets geforceerd werd.                                                  

En zo is er een tijd gekomen om weer te wennen aan het burgerleven.

Het lijkt mij als schrijven van dit boek niet goed teveel over mij zelf te gaan schrijven, en laat wat dat betreft de anderen aan het woord.

Ik heb wel een persoonlijke Autobiografie geschreven, dat een boekwerk is geworden van 560 pagina’s, incl. een Stamboom overzicht, daar is mijn hele leven in beschreven tot het jaar 2000, maar omdat allemaal in dit boek te gaan vermelden, dat wil ik een “ buitenstaander ”niet aan doen.

 

Of wij nog niet genoeg hebben gedaan voor het “Vaderland” komt er een brief van het Ministerie van Defensie waarin wordt gesteld te moeten verschijnen in Oirschot op 3 Augustus 1951, voor een Herhaling oefening ! Begrijpelijk is dat mijn werkgever daar helemaal geen belang bij heeft en daarvoor een schrijven naar den Haag gaat, maar het haalt niets uit want Jan moet deel nemen aan die oefening, achteraf blijkt het de grootste kolder te zijn.

Men heeft ook de stommiteit uitgehaald een stel bij elkaar te plaatsen die elkaar goed kennen uit de tijd dat zijn in Indië waren, al snel blijkt dat het de bedoeling is weer model militairen van dit stel te maken, maar dat had men verkeert gezien. Zo had men aan de gebouwen grote speakers gehangen en de eerste de beste ochtend begonnen die dingen vreselijk lawaai uit te stoten met de bedoeling iedereen te wekken, de daarop volgende ochtend gebeurde dat niet meer want toen waren de kabels doorgesneden.

Die herhaling oefening zou drieweken moeten duren en dat hebben ze ook geweten, zo stond er een prachtige Amerikaanse auto op het kazerne terrein en het bleek dat het een eigendom was van de Garnizoen Commandant, het ding ging in vlammen op en er bleef een hoop schroot over. Er zijn s’ avonds grote rellen geweest in het naburige Eindhoven waar een grote macht aan Marechaussee moest aanrukken om de orde te handhaven, en de Militaire Politie kwam er niet zonder kleerscheuren af. Er werd ook nog weekend verlof gegeven en dat leverde veldslagen op bij- en in het N.S. station. Men heeft de domme fout ook wel ingezien want later gebeurde  het  niet  meer dat de “oude jongens” in grote getale

bij elkaar werden opgeroepen.

Er waren de afgelopen jaren al brieven gekomen van de Gemeente Amsterdam waarmee werd verzocht deel te willen nemen aan de B.B. zoals bekend de Burger Bescherming. Ik vond genoeg te hebben gedaan voor het vaderland en gaf daar geen antwoord op, er kwamen zelfs brieven met het verzoek deel te nemen aan het Korps Vrijwillige Politie !
Maar als er dan weer een schrijven komt uit den Haag met een oproep voor de 2e Herhaling oefening ontkom ik er niet meer aan, en op 11 Augustus 1956 moet ik er weer aan geloven voor de tijd van drie weken.

Het begint in het grote materiaalpark van Soesterberg, daar krijgen we eerst een rijexamen, het bewijs dat ik geslaagd ben vermeld ook dat ik soldaat 1e klas ben, ik laat het maar zo maar het levert geen enkele extra cent op ! De chauffeurs krijgen ieder hun eigen truck, maar mij wordt een z.g. Tool-Set uitgereikt, dat blijkt een grote aanhanger te zijn waarin zich een complete werkplaats uitrusting bevind. Mijn maatje, ook een Amsterdammer, mag het ding meenemen aan zijn trekhaak en ik neem naast hem plaats in de cabine en zo gaan we eerst naar de legerplaats Oldenbroek waar schietoefeningen worden gehouden waar ik weinig van terecht breng. Na een weekend verlof gaat het in colonne naar Zeeland. Bij Vlissingen wordt over gevaren naar Zeeuws Vlaanderen en een kamp opgeslagen bij Axel. De chauffeurs gaan weer ritten uitvoeren in dat gebied, en in die tijd is er ook wat te repareren. Daarna gaat het via Antwerpen en komen uiteindelijk in de Harskamp waar een batterij geschut naar de schietbaan moet worden gebracht, en we zijn blij als het geknal ten einde is. Daarna moeten de chauffeurs weer op stap voor het beoefenen van colonne rijden. Met opzet hebben we enkele jeeps onklaar gemaakt en krijgen de opdracht deze weer mobiel te maken terwijl de colonne de poort uit gaat. Niet lang daarna gaan wij met die Jeeps een proefrit maken op de hei, persoonlijk heb ik plaats genomen achter het stuur van één Jeep, en als ik het me goed kan herinneren werd de tweede bestuurd door Luck Paardekooper. Als we op de hei aan het crossen zijn, en ik voorop rijd, zien we in de verte tussen de struiken een stel witte helmen.

Ik maak een gebaar naar de achter ons rijdende Jeep, zij begrijpen het en maken rechtsomkeert terwijl wij worden aangehouden door twee M.P. ers. We kunnen geen enkel dokument tonen dus ook geen rijopdracht en daarom achten de heren het beter achter ons aan terug te rijden naar de kazerne. Bij de wacht wordt de wachtcommandant op het matje geroepen en gevraagd waarom men ons heeft doorgelaten zonder geldige papieren, en natuurlijk weet die wachtcommandant van niets, de wachtposten krijgen nog een uitbrander, kortom het is een heel feest maar het loopt allemaal met een sisser af.

Voor alle goede diensten krijg ik een weekloon van tachtig gulden hetgeen veel minder is dan het loon wat bij de werkgever wordt verdiend, dat lag rond de f. 120.-

 

Later komt er weer een brief uit den Haag om te verschijnen in Assen, wij hadden nog steeds ons vuurwapen thuis en dat moet nu worden ingeleverd, maar onze plunje moeten we nog thuis houden.

 

                                                                                               

Het verhaal van - en over - Toon Baltus.

 

Toon werd thuis aangesproken met Antoon, zodat wij deze naam maar gebruiken in dit boek. Antoon komt na zijn demobilisatie terug in zijn woonplaats Castricum.

Hij komt terug bij zijn vroegere werkgever het expeditie bedrijf “ de Stad Alkmaar “, daarna komt hij in dienst bij de firma Nelis, een bouwbedrijf. Tenslotte komt hij te werken op een vuilnisstort belt waar hij een Buldozer bedient tot hij met pensioen gaat. In de jaren 1988 krijgt hij de ziekte van Parkinson, dat openbaart zich met o.a.. het minder goed overweg kunnen bij het autorijden zoals het bedienen van het koppelingspedaal. Eerst werd gedacht aan een mankement van de koppeling van zijn Ford Escort waarvoor Jan er een nieuwe koppeling set in had gebouwd, maar daarna pas bleek dat de koppeling niet de oorzaak was maar de opkomende ziekte van Antoon. Hij begon toen langzaam aan een lijdens weg waarbij Truus het zeer moeilijk heeft gehad. Het leek hun toen beter het woonhuis op de Lindenlaan te verkopen en een huurappartement te betrekken in een ouden van dagen complex ook in Castricum. Dat werd betrokken in 1993. Als Wim Uitentuis in Holland is brengt hij met Sien en Jan daar nog een bezoek. Antoon en Truus zijn dat jaar voor het laatste op een M.T. reünie, dat was bij  Gravesteijn.

Tenslotte overlijdt Antoon op 18 November 1996, op de zelfde avond dat zijn dienstmakker Luck Paardekooper overlijdt. Zie daarover ook

Inhoud
Hoofdstuk 09

 

M. T. Reünies                                                                                                       

De M. T. heeft zijn eigen reünies om beurten gehouden, bij ieder thuis of in een gelegenheid.       

 

1          1977    Gravesteijn                  Uithoorn

2          1978    Weterings                   den Haag

3          1979    Baas                            Amsterdam

4          1980    Paardekooper             Arnhem

5          1981    Jongenelen                  Hoofddorp

6          1982    Baltus                          Castricum

7          1983    Abbink                         Enschede

8          1984    Tol                               Katwoude

9          1985    Vermeulen                   Huissen

10        1986    Meinderts                    Warga                        

11        1987    v. d. Veen                    Amersfoort

12        1988    Broekhuizen                Zaandam

13        1989    Hagen                          Arnhem

14        1990    de Jager                      Stadskanaal

15        1991    de Bont                        den Bosch

16        1992    van Alst                       Zevenaar

17        1993    Gravesteijn                  Wormerveer      2e keer

18        1994    Weterings                   Rijswijk              2e keer

19        1995    Baas                            Heerhugowaard   2e keer

20        1996    Timmermans                          Oudenkerk a/d IJssel

21        1997    Strack v Schijndel       Veldhoven

22        1998    van Alst                       Zevenaar            2e keer

23        1999    Derksen                      Arnhem

24        2000    Tol / Honingh               Katwoude            2e keer

25        2001    Vermeulen                   Huissen Gld        2e keer

 

 

239

 

 

1e

 

Van deze jaarlijks terug kerende M. T. reünies was Jaap Gravesteijn de aanstichter, in het begin waren nog niet alle adressen achterhaald, en van hen die wel bekend zijn geeft nog niet iedereen gehoor aan de oproep.

Zo zijn op 5 November 1977 in Uithoorn op de eerste reünie aanwezig de volgende personen:

 

Sien en Jan Baas, Truus en Toon Baltus, Annie en Dick Broekhuizen, Familie Dijkman, Arie Jongenelen, Cor en Henk Meinderts, Truus en Luck Paardekooper, Jenny en Tom Tol, Annie en Gijs Vermeulen, Riny en Ton Weterings en uiteraard Ma en Jaap Gravesteijn.

 

 

2e

 

De tweede reünie wordt georganiseerd door de familie Weterings en vind ook plaats bij hun thuis in den Haag                           

Het gaat dus een jaarlijkse gewoonte worden bij een ieder thuis, of later in een gelegenheid, en aan het eind van de dag wordt bij een Chinees de maaltijd gebruikt waarvoor een ieder zijn deel betaald. Later wordt de regel zo dat er een vast bedrag per persoon wordt vastgesteld voor de hele dag.

 

 

3e

 

Deze M. T. reünies gaan zich later ook kenmerken door uitstapjes die worden gemaakt, als in 1979 de 3e reünie bij Sien en Jan te Amsterdam wordt gehouden ligt hun motortjalk Vrouwe Elsiena voor de deur en wordt er een kleine tocht op het Nieuwe meer gemaakt, helaas is dan de regen spelbreker. Er was een poging gedaan de familie v.d. Veen uit te nodigen, zij waren nog nooit op onze reünie’ s geweest, maar zij lieten weten geen gebruik van de uitnodiging te kunnen maken omdat zij op dat moment in het buitenland waren

 

 

4e

 

Voor 1980 hebben Truus en Luck Paardekooper zich aangeboden een reünie te houden, deze vind plaats in Arnhem zuid. Enkele maken de rit vanaf Amsterdam per camper en aan boord zijn: Sien en Jan Baas, hun zoon is de chauffeur, Truus en Toon Baltus, Annie en Dick Broekhuizen, Arie Jongenelen, en Jenny en Tommy Tol, het is een gezellige boel en onderweg kan er ook een drankje worden genuttigd. Truus en Luck Paardekooper hebben er voor gezorgd dat op een bepaald tijdstip een Gemeente vervoerbedrijf bus voor de deur staat die het gezelschap door Arnhem rijdt en zien o.a. resten van de Coehoornkazerne, de Saksen Weimarkazerne en bezoeken Bronbeek, bij de Chinees wordt de dag afgesloten.

 

 

5e

 

De volgende 5e M. T. reünie is in 1981 bij Arie Jongenelen. Arie is ongehuwd en woont samen met ongehuwde zusters en broers, en met dit gezin beleven wij een onvergetelijke dag in Hoofddorp. Het is schitterend weer en iedereen zit heerlijk buiten. Zoals beschreven in dit boek hebben enkele in 1979 een reis gemaakt naar Indonesië en de film die daarvan is gemaakt wordt in een speciaal zaaltje vertoond en komen er bekende beelden op het filmdoek Zoals reeds eerder beschreven, overlijdt Arie Jongenelen November 1981, Jan Baas is nog aanwezig bij dat overlijden. Iedereen zal hem erg missen bij de volgende reünies. Het was ook een man waar je niet omheen kon.

Als de familie Jongenelen, waarvan er inmiddels nog twee van zijn overleden, in het jaar 1998 hun opstallen hebben verkocht komen zij te wonen in een schitterend huis te Alkmaar - Daalmeer Noord. In het jaar 2000 overlijdt Bets, en wonen er nog drie personen in het mooie grote huis. Omdat dan ook het herinnering’s bord Arie uit de tuin in Hoofddorp is gehaald, en het koperen bord met gravering geen doel meer heeft wordt het aan Jan Baas overgedragen, hij wil trachten het bord over te dragen aan het museum te Oirschot met ook de andere erfstukken, zoals enkele foto’s.

 

 

6e

 

In 1982 hebben wij de 6e M. T. reünie bij Truus en Toon Baltus in Castricum, thuis is er een gezellig samenzijn, het uitstapje is deze keer een leuke wandeling op het strand aan de Noordzee, we waaien even lekker uit. En ook deze dag is het sluitstuk bij de Chinees.

 

 

Een tussentijdse ontmoeting

 

Als in 1983 bekend wordt dat Gerard van Leeuwen met zijn vrouw Nelly overkomen uit Canada, waar zij wonen, wordt die gelegenheid aangegrepen om de familie v. d. Veen uit te nodigen onder het voorwendsel: Jullie kunnen ook van deze bijzondere gelegenheid gebruik maken Gerard van Leeuwen te ontmoeten nu hij met zijn vrouw in Holland is. Jaap Gravesteijn en Jan Baas willen beiden deze gebeurtenis bij hun thuis laten plaats vinden, maar om een keus te maken wordt er getost en Jaap wint. Als Nel en Gerard aankomen op Schiphol is er een delegatie van onze M. T. aanwezig om hen te verwelkomen. Gerard had al eens aan Jan Baas gevraagd of er misschien een auto voor hen beschikbaar was om hun te kunnen verplaatsen tijdens het verblijf in Nederland. Er was een Renault 5 inruilauto beschikbaar en deze is op de dag voor de reünie geplaatst bij het huis van Jaap Gravesteijn, zodat de familie van Leeuwen daarmee kon vertrekken aan het einde van de dag, het was misschien voor de begrippen van Gerard een kleine auto maar toch groot genoeg voor twee personen, voor alle zekerheid was deze auto verzekerd op basis van een bestuurder die buiten Europa woonde.

De familie v. d. Veen geven gehoor aan ons verzoek en het wordt een leuke dag die op 7 Mei 1983 plaats vind te Uithoorn, aanwezig zijn gast- vrouw en heer Ma en Jaap Gravesteijn, de families Abbink, Baas, Broekhuizen, Tol en Weterings en uiteraard Nel en Gerard van Leeuwen. Jan had nog een uitnodiging gestuurd aan Boekestijn maar die liet weten een andere afspraak te hebben op deze datum Er zijn fotoalbums meegebracht en vele herinneringen worden opgehaald, en vanaf die dag is er een leuk kontakt ontstaan met de familie v. d. Veen en ze zijn ook bijna bij iedere M. T. reünie aanwezig geweest. 

Het is wel jammer dat hulpvaardigheid vaak zo slecht wordt beloond, in dit geval overkomt het Jan Baas dat hij door Gerard van Leeuwen vanaf Schiphol wordt opgebeld met het verzoek:  Even de geleende Renault op te halen in Driebergen, want de aldaar wonende familie had hun met eigen vervoer naar Schiphol gebracht !

 

 

7e

 

In het jaar 1983 wordt de 7e M. T. reünie gehouden bij Riek en Ab Abbink, zij wonen in Enschede. Van deze gelegenheid maken gebruik de volgende families:  Baas, Baltus, Broekhuizen, Bruggink, Gravesteijn, Hagen, v. d. Horst, Paardekooper, Rooks ( hij was kok van de Staf. Cie) Vermeulen, en Weterings. Zij onderhouden een goed kontakt met de familie van Leeuwen die in Canada wonen, en zoals eerder beschreven was Gerard van Leeuwen ook een M. T. man, en nu hij met zijn vrouw toch in het land is,  komen zij ook deze reünie bijwonen.

Zoals altijd maakt Jan Baas video opnamen’ s en foto’s, van de foto’s worden nabestellingen gedaan die aan een ieder worden toegestuurd, aan sommige wordt ook een kopie van de video gestuurd.

 

 

Een tussentijdse ontmoeting

 

Oktober 1983 is er nog een speciale kleine reünie bij Jenny en Tommy

Tol te Katwoude. Enkele M. T. makkers worden nl. gebeld met het bericht dat Wim Uitentuis, die in Nieuw Zeeland woont, met verlof in Holland is en hij graag zijn vroegere maatjes wil zien. Er wordt een avond afgesproken in Katwoude en dan komen de familie’ s Baas, Baltus, Broekhuizen, Gravesteijn en Weterings. Samen met Wim en de familie Tol bestaat het gezelschap uit 13 personen, en zij hebben elkaar veel te vertellen. Wim was in feite niet veel veranderd en nog altijd de zelfde sportieve vent. Het is al eens eerder geschreven in dit boek dat Wim weinig geluk met zijn levenspartners heeft gehad, twee waren er overleden aan kanker en nu is hij voor de derde keer gehuwd met een jongere vrouw met de naam Mary.

Er wordt veel gelachen die avond en we beloven Wim voortaan regelmatig te zullen schrijven. Met Jan Baas ontstaat er een correspondentie waarbij Wim in Juli 2001 de 269 e brief ontvangt, en Wim zijn 279 e brief heeft geschreven.

 

 

8e

 

We komen dan in het jaar 1984, en nu zijn Jenny en Tommy Tol aan de beurt voor de 8e reünie, zij wonen te Katwoude en zoals al eerder beschreven, naast hun huis wonen de ouders van Jenny. Zij hebben daar een uitspanning waar o.a. ook eigen gemaakt ijs wordt verkocht. Jenny en Tom hebben  twee getrouwde zonen. De schoondochters doen er alles aan om het ons naar de zin te maken, helaas werkt het weer niet mee op deze dag. Bij de Chinees in Volendam wordt de dag afgesloten.

 

 

9e

 

In 1985 zijn wij bij elkaar in Huissen en zijn we te gast bij Annie en Gijs Vermeulen. Zij hebben een boerderij met een grote veestapel en het is voor ons, vooral voor de stedelingen, interessant dat allemaal te kunnen bewonderen en te zien hoe hard deze mensen moeten werken. Deze keer eindigt de dag bij de Chinees in Arnhem.

 

 

10e

 

De volgende reünie van 1986 wordt een aparte belevenis. We gaan naar Friesland want Cor en Henk Meinderts hebben ons uitgenodigd, en wonen in Warga. Voor die gelegenheid hebben wij een plannetje bedacht, dat is als volgt: Wij hadden reeds bij de familie Jongenelen gereden met een uit Indonesië afkomstige Betja. Deze wordt door Jan Baas opgehaald en opgeknapt. Op de reünie dag wordt deze Betja meegenomen op een aanhangwagen en op afstand van het woonhuis van familie Meinderts wordt de Betja afgeladen. Op de voorbank nemen plaats Riny en Ton Weterings verkleed als Indon. echtpaar. De Betja zal worden bestuurd door Jaap Gravesteijn ook verkleed als Indonesiër, en als dit bijzondere schouwspel zich op weg begeeft is er grote hilariteit in het dorp. Als de M.T. ploeg dan naar buiten komt en de Betja komt aanrijden staat iedereen te brullen van het lachen. Helaas is Sien wegens een operatie aan haar enkel niet aanwezig. Na een gezellig samenzijn, stappen wij in onze auto’s en rijden naar een passagiersschip welke ons over de mooie Friese meren voert. Het is erg gezellig aan boord, de bediening is perfect, en dan wordt er afgemeerd bij een restaurant. Na het borreluurtje wordt er een prima maaltijd geserveerd, alles klinkt als een klok. Het was jammer dat Sien dat allemaal heeft moeten missen.

 

 

De 10e M.T. reünie 1986, die werd gehouden in Warga bij de

familie Meinderts, werd aan het begin opgevrolijkt door een

meegenomen Betja, met als passagier Riny en Ton Weterings

verkleed als Javaan, het zelfde was gekleed Jaap Gravesteijn,

die op het zadel plaats had genomen.

 

 

 

11e

 

Wij komen  bij de M. T. reünie van 1987 van de familie v. d. Veen. Zoals reeds eerder beschreven mochten wij geen cent betalen voor deze dag zodat wij van deze gelegenheid gebruik wilde maken deze vrijgekomen centen te besteden aan een passend geschenk. Na overleg wordt er besloten iets te kopen als dank dat v.d. Veen. ons door de moeilijke tijd in Indië heeft weten te loodsen. Het wordt een Barometer uitgevoerd in gepolijst messing. Boven en onder van massief mahonie, rondom glas, en met een koperen plaat met de volgende inscriptie:                                                                                     

Met respect en waardering voor onze M. T. O. de reserve         

1 e Luitenant A. v.d. Veen -     1946 / 1950 - M. T. leden  

van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene

 

De totaalprijs bedraagt f. 600.=, hetgeen per persoon op f. 20.=   komt en dat is best te doen en iedereen is het er mee eens.

De reünie vindt plaats op 25 April in Amersfoort. In die periode zijn Nel en Gerard van Leeuwen ook weer in ons land, echter voor de familie v.d. Veen moet het een verassing worden.

We spreken met Gerard af dat we namens hen een bloemetje meenemen en aanbieden aan de familie v.d. Veen. Als Nel en Gerard in Amersfoort zijn bellen zij in een nabijgelegen telefooncel z.g. vanuit Canada en doen zij iedereen de groeten. Even later zouden zij dan als verassing bij ons binnen komen. Dat was een leuk idee maar er zijn altijd mensen die er prijs opstellen iets te moeten verklappen, nl. een Sobat van de M. T. die wij nooit meer zien had ons geheimpje verklapt door Albert v. d. Veen te bellen en het te vertellen. Toen Gerard opbelde en Albert v.d. Veen Gerard aan de lijn kreeg begon Albert smuilend te lachen, en als even later de familie van Leeuwen in ons midden is laat Albert weten al op de hoogte te zijn.

 

We genieten eerst van de koffie met gebak en dan is het Jaap Gravesteijn die een woordje spreekt, en het cadeau aanbiedt.  Het wordt in grote dank aangenomen en allen bewonderen het cadeau, want bijna niemand had het nog gezien.

De barometer krijgt een vaste plaats op het dressoir en zal jaren een blijvend aandenken zijn. Er komen nog vele consumpties en dan stappen wij in onze auto’s en begeven ons naar de mooie Dierentuin van Amersfoort. Daar brengen wij ook op een prettige wijze de rest van de dag door. Eerst worden op het terras consumpties geserveerd. Daarna de dierentuin, het is schitterend weer en verders brengen we vele uurtjes door tussen al die beesten Het leent zich ook uitstekend voor het maken van foto’s en het maken van videobeelden

 

 

Dan wordt er plaats genomen in het restaurant waar een heerlijke maaltijd op tafel komt, als dessert komt er een heerlijk ijsje, en dan is onverbiddelijk de tijd van afscheid aangebroken. We danken hartelijk voor deze dag, en hopen elkaar allemaal over een jaar terug te mogen zien. Zoals opgemerkt zal zijn tutoyeren wij ons met de familie v. d. Veen, deze lieve mensen willen dat wij hen aanspreken met Henny en Albert, dat hadden wij tijdens onze diensttijd ook niet kunnen voorstellen om later zo met onze commandant om te gaan.

 

 

12e

 

We komen dan bij de 12e M. T. reünie die wordt gehouden in Zaandam bij Annie en Dick Broekhuizen, het is dan 1988. Zij hebben een leuk zaaltje van de kerk kunnen huren en de dochters hebben de verzorging op zich genomen. Het uitstapje op deze dag is een bezoek aan de bekende Zaanse Schans, een unieke gelegenheid om samen rustig door te zwalken. In het restaurant genieten we van’n consumptie en we krijgen met een rondvaartboot een leuke tocht over de Zaan. Albert v d. Veen wil dan beslist de consumpties aan boord betalen. Het einde van de dag wordt afgesloten bij de Chinees die is gevestigd bij de sluis.

 

 

13e

 

Arie en Corrie Hagen had zich al eerder gemeld voor een reünie. Door omstandigheden is dat opgeschoven, maar nu in 1989 zijn zij aan de beurt voor de 13e reünie. Zij wonen in een nieuwe buurt van Arnhem zuid. Het is een fijne ontspannende dag en deze wordt ook gebruikt om een plan tot uitvoer te brengen. Dick Broekhuizen heeft het idee opgevat om samen een verzorgde busreis te maken. Na een wandeling wordt besproken voor een reis naar Altenahr. Zoals altijd wordt de dag besloten bij de Chinees waarna wij afscheid nemen en zich het volgende echtpaar meld voor de reünie in 1990.

 

 

14e

 

Het is de 14e M. T. reünie die in Stadskanaal zal worden gehouden bij Geertje en Egbert de Jager. In deze periode is Wim Uitentuis ook samen met zijn vrouw Mary en dochter Coby in Holland. Zij komen bij Sien en Jan Baas logeren en gezamenlijk rijden zij naar Stadskanaal. Het is de plaats waar Sien gewoond heeft. In een zaaltje van de kerk kan deze dag gehouden worden. Wim Uitentuis houdt nog een voordracht, dat is hem wel toevertrouwd. Na de gezellige eerste uurtjes, en een lichte maaltijd begeven wij ons naar een plaats in Drenthe waar twee huifkarren klaar staan, deze wagens zijn speciaal uitgerust voor het vervoer van personen en bezorgen ons een prachtige rit door dit mooie deel van Drenthe. Wij bezoeken ook nog de hunebedden. Onderweg wordt ook nog een uitspanning aangedaan en bij de Chinees eindigt deze leuke dag, het was ook fijn de familie Uitentuis daar in ons midden te hebben. Mary en Coby spreken wel geen Nederlands maar wij kunnen ons wel redden met een vreemde taal, zodat aan communicatie geen gebrek is.

 

 

15e

 

Onze makker Tiny de Bont is met zijn vrouw Dora ook al enige keren vertegenwoordigd geweest op onze reünies en zij bieden de volgende gelegenheid in het jaar 1991.

Het is de 15e M. T. reünie die wordt gehouden in den Bosch. Van een vereniging hebben zij een zaaltje gehuurd waar de ochtend wordt doorgebracht, daarna begeven wij ons naar het oude centrum waar met enkele bootjes, met electrische motor aangedreven, een leuke tocht wordt gemaakt door de onderaardse kanalen die door gewelven lopen. Het is erg interessant. Daarna bezoeken wij een café en tenslotte de Chinees. Het was weer een zeer geslaagde dag en bij ons afscheid meld zich de volgende gastvrouw en gastheer, het zijn Mia en Theo van Alst die de volgende M. T. reünie willen verzorgen.

 

 

16e

 

Mia en Theo van Alst hebben al veel M.T. reünies bijgewoond en zij hebben aangeboden de 16 e M.T. reünie te organiseren. Zij hebben de beschikking over een zaaltje van een Kegelclub, het is al weer de 16e reünie. Zoals al eerder beschreven is Theo eigenlijk geen      M. T. er maar heeft met een groepje van ons als sinds de opkomst in militaire dienst een zekere vriendschap, zij kwamen samen op bij het Artillerie meetregiment te Amersfoort. Theo is daarna ingedeeld bij de 2e Compagnie infanterie en als zodanig heeft hij ook zijn avonturen beleefd in Indië. We worden leuk ontvangen en na de koffie wordt er gekegeld. Na een lichte maaltijd stappen wij in een klein model touringcar en Theo neemt plaats naast de chauffeur, met de microfoon in zijn hand. Hij vertelt ons in geuren kleuren waar wij ons bevinden. We bezoeken nog een oude steenfabriek en komen ook nog door Duitsland en rijden o.a.. door Elten. De tijd vliegt voorbij en we stappen weer uit bij de kegelclub waar nog wat wordt gekegeld en de behaalde prijzen worden uitgereikt. Dick Broekhuizen heeft op deze dag weer een Busreis aangekaart, en de keus valt nu op Olsberg, maar Theo van Alst stelt voor dat hij de reis wil laten verzorgen door een kennis, omdat we daar korting konden krijgen. Dit plan wordt met algemene stemmen aanvaard. Achteraf blijkt dat er geen voordeel is bij de boeking via die kennis. Bij de Chinees volgt het sluitstuk van deze dag. Voor het volgend jaar 1993 meld zich Jaap Gravesteijn, en hebben we allemaal een beurt gehad en beginnen aan de tweede ronde.                                                              

 

 

17e

 

Het is de 17e M. T. reünie. Jaap is inmiddels gescheiden, en heeft kennis gekregen aan een nieuwe levenspartner, haar naam is Bep. Jaap heeft een leuk zaaltje ter beschikking in Wormerveer, en wij ontmoeten thans kameraden die wij lang niet hebben gezien. Het zijn Victor Strack van Schijndel en Harry Timmermans, zij komen met resp. hun echtgenotes Joly en Hennie. We zijn hun op het spoor gekomen doordat Jan de Burgerlijke stand heeft ingeschakeld. Het aantal deelnemers is thans 34 personen. Onder hen is Toon Baltus die lijdt aan de ziekte van Parkinson. Het is zielig om te zien, maar we vinden het toch fijn dat hij met zijn vrouw Truus in ons midden is.

Er valt veel te praten met hen die voor de eerste keer deelnemen, en al gauw komt de tijd voor het uitstapje dat deze keer een tocht is per rondvaartboot. Het is een speciale boot met weinig diepgang want we gaan door een ondiepe grote plas die de naam draagt van het Zwet, daarna komen wij via een kleine sluis. Na deze leuke tocht komen we  bij de Chinees voor het sluitstuk van deze dag. Vermeld moet nog worden dat Ma, de echtgenote waar Jaap van gescheiden is, inmiddels is overleden.                        

 

 

 

18e

 

Voor de 18e M. T. reünie biedt zich de volgende aan. Het zijn Riny en Ton Weterings die ook al voor de tweede keer aan de beurt zijn.

Zij wonen niet meer in den Haag maar nu in Rijswijk en kunnen de hele ploeg in huis hebben. Na de gezellige eerste uurtjes staat er een touringcar voor de deur die het gezelschap door het Westland voert en laat uitstappen bij Madurodam.

Daar worden leuke uurtjes beleefd, want er is veel te zien. De bus staat daarna weer te wachten en via een deel van oud Den Haag wordt de reis beëindigd bij de Chinees. Zoals altijd is het erg gezellig samen aan tafel en het smaakt ook prima. Bij het afscheid meld zich het volgende echtpaar, dat wordt de 19e M. T. reünie die in 1995 zal worden gehouden bij Sien en Jan Baas.

 

 

19e

 

Zij zijn Amsterdam ontvlucht en wonen nu in Heerhugowaard. De hele M. T. ploeg past precies in de huiskamer, we zijn deze keer met 30 personen. Het uitstapje van de deze dag begint tegen 13.00 uur. Voor de familie v.d. Veen wordt het te vermoeiend en zij vertrekken naar huis Er komt een touringcar voor de deur en deze brengt ons naar Broek op Langedijk en daar bezoeken wij de Broeker veiling. Aan de veiling kan iedereen deelnemen en per boot wordt alles aangevoerd. We bezoeken het restaurant waar een Broekerbol met koffie wordt geserveerd. Daarna nemen wij plaats in een rondvaartboot die ons door het omliggende eilandenrijk voert.

Vervolgens stappen wij weer in de touringcar en maken een mooie tocht door een deel van Noord Holland. Via Schagen komen wij te Callantsoog alwaar wij even uitstappen om vanaf de Hondsbosse Zeewering een kijkje op de Noordzee nemen. Vervolgens gaat het via Bergen en Egmond naar Castricum waar we voor de deur bij de Chinees uitstappen. Toon Baltus is inmiddels overleden en met Truus Baltus hadden wij afgesproken dat zij even langs kwam, dat werd door iedereen in dank afgenomen. Na de maaltijd stappen wij weer in de bus en rijden langs het Noord Hollandskanaal naar Heerhugowaard, waar ieder in zijn eigen vervoermiddel stapt om huiswaarts te keren.                                    

 

 

20e

 

De familie Timmermans, die sinds kort bij ons gezelschap is gaan horen, melden zich dan voor de 20e M. T. reünie die in 1996 zal worden gehouden in Oudenkerk a/d IJssel. Ook zij weten er een leuke dag van te maken. Het uitstapje is deze keer een boottocht, dat geschied per rondvaartboot op de Hollandse IJssel. We varen eerst tot aan Gouda en terug via Ouderkerk naar Krimpen a/d IJssel. Er valt veel te zien en als we afmeren in Ouderkerk stappen wij in onze auto en rijden naar de Chinees in Krimpen a/d IJssel. Na de maaltijd wordt de volgende reünie besproken voor 1997, en dat zal zijn bij Joly en Vic Strack van Schijndel in Veldhoven.

 

 

21e

 

De familie Strack van Schijndel is al aardig ingeburgerd en heeft ook weer iets in petto. Joly heeft een artistieke inslag en exposeert haar kunst in een gebouw in het centrum. Een deel van ons wil dat bezichtigen.

Als wij terug zijn is het tijd om weer op te stappen en gaan we in onze auto’s naar Luijkgestel, dat is gelegen aan de Belgische grens. We bezoeken daar het huis van Cecile Moerdijk, al zingende speelt zij ook op de piano.

Tussentijds wordt er koffie geserveerd dat bij het mooie weer in de tuin wordt genuttigd, en daarna gaan we weer gezamenlijk terug naar Veldhoven voor een bezoek aan de Chinees.

Voor het afscheid krijgen wij van Joly een zelf gemaakt kunststuk en wordt tevens de volgende reünie besproken.                                    

 

                                                                       

22e

 

In 1998 zal de 22e reünie voor de 2e keer bij Theo en Mia van Alst worden gehouden. De ontvangst vind plaats in het zaaltje, er wordt weer gekegeld en na een broodje met koffie lopen wij naar de Turmac sigaretten fabriek waar Theo heeft gewerkt. Na de ontvangst met toespraak worden wij in ploegjes door de fabriek geleid, en wat wij daar zien overtreft onze stoutste verwachtingen. Het produkt dat wordt vervaardigd is dan wel vernietigend voor onze gezondheid maar het machinepark is een wonder. Het maakt een diepe indruk op ons allen. Daarna wandelen wij door het gezellige Zevenaar naar het Kegelhuis en wordt er nog even gespeeld. Na de puntentelling worden de prijzen uitgereikt en Jan Baas krijgt de eerste prijs, dat is meer geluk dan wijsheid. En zo eindigt ook deze dag weer bij de Chinees            

 

                                                                       

23e

 

In het jaar 1999 zal Sjaan en Jan Derksen thuis ons ontvangen voor de 23e M.T. reünie te Arnhem. Zij wonen in de nabijheid van de ons bekende Saksen Weimarkazerne, die dan helaas dienst doet als Asiel centrum. Wat eigenlijk een gewoonte is geworden bij de reünies vanaf 1990 is dat Wim Uitentuis ons even belt vanuit Nieuw Zeeland. Er wordt op deze dag ook een geluidsbandje ingesproken door ons allen waarmee wij onze groeten doen aan de familie Uitentuis in N. Z.

Het uitstapje van deze dag is een bezoek aan een bunker buiten Arnhem en daar bevond zich tijdens de 2e Wereldoorlog het luchtvaartcommando van de Duitsers. De bunker heeft meters dikke muren maar van het oorlogsgebeuren is niets meer te zien, er liggen nu vele dossiers opgeslagen van verschillende instellingen. Er valt niet veel te zien aan al die rekken met papier, maar interessant is deze bunker toch wel. Daarna stappen wij weer in onze auto’s en rijden naar het bekende Bronbeek, waar vroeger de gepensioneerde kolonialen hun oude dag  doorbrachten, en sinds kort ook militairen van de K. L. Er is ook een museum dat bezoeken wij en dat is altijd weer interessant. Er wordt nog wat genuttigd in het restaurant en dan wordt de dag afgesloten bij de Chinees. Bij het afscheid wordt besproken dat de 24e reünie, in het volgende millennium dus in het jaar 2000 zal worden gehouden in Katwoude.

 

 

24e

 

Tommy Tol in 1987 overleden en Jenny is ons altijd trouw gebleven en zij wil ons de laatste reünie bezorgen welke in dit boek wordt beschreven. Er is nog iets te melden, nl. in dit jaar herdenken wij dat het 50 jaar geleden is dat wij uit Indië terug kwamen, en mede daardoor is er getracht via de Stichting Dienstverlening Veteranen een reis voor Wim Uitentuis vergoed te krijgen, en dat is ook gelukt. Er wordt ons f. 3000.= toegezegd onder voorwaarde dat achteraf de vliegticket wordt getoond. Wim komt, na een vermoeiende lange vliegreis, te Schiphol aan op 2 Mei en zijn terugvlucht vind plaats op 15 Juni.  

De eerste dagen brengt hij door in Heerhugowaard om uit te rusten van de reis. Op 5 mei gaat hij met Sien en Jan mee naar Doorn voor zijn dank over te brengen aan de Stichting Dienstverlening Veteranen, en daarna gaan ze naar Wageningen voor het bijwonen van de bevrijdingsdag. Bij die veteranen die meelopen in de parade zijn vele bekenden van Wim, en deze kans benut hij dan ook om met hen een praatje te houden. Het is ook ieder jaar weer een belevenis dit mee te maken.

 

Op 7 Mei brengen wij Wim naar zijn geboorteplaats Edam alwaar hij bij zijn schoonzuster een poosje kan logeren, om van daaruit verschillende bezoeken te gaan brengen in het land.

Als we dan aankomen voor de reünie op 31 Mei zien wij Wim weer terug die het verkeer bij Jenny in Katwoude staat te regelen en zorgt er voor dat wij met onze auto’s geen overlast bezorgen voor de naast Jenny gelegen uitspanning van haar kinderen. Het is mooi weer en het aantal deelnemers op deze dag is 22 personen. De kamer van Jenny is niet groot maar ze kan ons kwijt, zelfs is er ook nog plaats voor Geertje, de zuster van Jenny, en haar man Henk Stas.

Na de eerste gezellige uurtjes, en het weerzien tussen Wim Uitentuis en de andere leden van de M. T. kameraden, is het moment aangebroken voor het uitstapje, en daarvoor heeft Jenny beslag weten te leggen op een antieke Zwitserse Postbus van het merk Saurer,op zich zelf al een belevenis.

We worden eerst naar de begraafplaats van Monnickendam gebracht alwaar Tommy Tol zijn laatste rust heeft gevonden. Het graf ziet er keurig uit en na onze groet te hebben gebracht wordt ook nog even stil gestaan bij het graf van de ouders van Jenny, het is bedoeling dat de bus ons weer verder brengt, maar het oudje weigert te starten zodat er een sleepwagen moet komen. Dan volgt een mooie rondrit door de Purmer en op een leuk plekje wordt er een consumptie genuttigd, Wim Uitentuis geniet van de omgeving waar hij vroeger woonde en werkte.

Na Corrie en Henk Meinderts te hebben afgezet die wegens de vermoeienissen van Henk vroegtijding huiswaarts keren ( Henk was n.l. zwaar ziek geweest ) wordt het gezelschap tenslotte naar een restaurant gebracht bij een jachthaven in Monnickendam, en na een borrel begeven we ons aan tafel voor het diner. Alles is keurig geregeld door Jenny, en tijdens ons afscheid geeft Jenny ons allemaal nog een herinnering mee in de vorm van een beschilderd houten klompje. Rond 20.00 uur stappen wij weer in de antieke bus die ons tenslotte afzet bij Jenny’s woonhuis en wij nemen afscheid van elkaar. Er is afgesproken dat in het jaar 2001 de 25e M. T. reünie bij Annie en Gijs Vermeulen zal worden gehouden in Huissen.

Natuurlijk was het voor Wim ook moeilijk om weer afscheid van zijn vrienden te nemen. Op 12 Juni wordt Wim opgehaald in Edam en brengt de rest van zijn tijd door in Heerhugowaard. Sien en Jan brengen hem op 15 Juni naar Schiphol voor de terugreis naar Nieuw Zeeland. Op 17 Juni belt Wim en verteld weer thuis te zijn na een goede, maar vermoeiende reis. Of hij ooit nog eens naar Holland komt is een vraagteken.

 

 

25e

 

En dan in het jaar 2001, op 23 Mei, wordt de 25e M.T. reünie gehouden in Huissen, georganiseerd door An en Gijs Vermeulen, zij hebben daarvoor een zaaltje gehuurd van de plaatselijke Handbal vereniging. De opkomst wordt steeds kleiner, wij worden ouder en dan komen de gebreken, de volgende personen zijn thans aanwezig:

Mia en Theo van Alst, Sien en Jan Baas, Annie en Dick Broekhuizen, Dora en Tiny de Bont, Sjaan en Jan Derksen, Geertje de Jager, Corrie en Henk Meinderts, Truus Paardekooper, Jenny Tol, Hennie en Harry Timmermans,  Riny en Ton Weterings, en uiteraard de gastvrouw - en gastheer.

Henk Meinderts was pas weer zwaar ziek geweest, en ondanks dat komt hij maar gaat voor de maaltijd bij de Chinees naar huis. Zijn makkers vinden het geweldig dat hij toch de moed heeft weten op te brengen. Jenny Tol logeert tijdelijk bij Sien en Jan en komen samen met de trein naar Arnhem, en vandaar met de bus naar Huissen. Het zelfde doen Annie en Dick Broekhuizen, om samen met het eerst genoemde drietal huiswaarts te reizen.

Na aankomst bij Gijs is Wim Uitentuis aan de telefoon en spreekt met enkelen, dat was even leuk. De ochtend gaat snel voorbij, eigenlijk veel te snel, er wordt weer veel bijgepraat en vele hebben iets te vertellen over de kwaaltjes die ze zo zoetjes aan krijgen. Het M.T. boek komt ook nog even ter sprake want lang niet iedereen heeft zijn copy ingestuurd.

Na de borrel en een broodje stappen we samen in de auto’s en rijden naar Gendt, een plaatsje nabij Huissen. Daar staat een paarden traktie op ons te wachten die ons een mooie rondrit bezorgd, o.a. langs de Rijn, en langs het Pannerden kanaal waar halt wordt gehouden voor een consumptie. Daarna wordt een bezoek gebracht aan Kasteel Doornenburg en tenslotte komen wij in Gendt om bij de Chinees van een heerlijke maaltijd te genieten. Truus Paardekooper laat weten volgend jaar op 8 Mei de 26e M.T. reünie te willen houden, en wij hopen daar allemaal weer getuige van te mogen zijn.

 

En zo hebben we ook alle M. T. Reünies doorlopen, maar er zijn ook nog andere momenten geweest dat wij elkaar hebben gezien zoals bij georganiseerde busreizen, zie daarvoor het volgende hoofdstuk

Inhoud
Hoofdstuk 10                                                                                         

De M. T. busreizen

 

Busreis Nr. 1.

 

Zoals beschreven is tijdens de 13e M. T. reünie bij de familie Hagen het voorstel gedaan samen een busreis te gaan maken in 1990 , Dick Broekhuizen had al het een en ander op papier staan en de keuze viel op een reis naar Altenahr in Duitsland voor de prijs van f. 380.= per persoon. De reis wordt door ARKE verzorgd, onze ploeg bestaat uit 26 personen en er zijn geen andere medereizigers. Over de chauffeur / reisleider Harry Olthof zijn we uiterst tevreden en ook het hotel is prima.

 

 

 

MT reisgezelschap

 

1990 - 6 dagen verzorgde busreis met de M.T. naar Duitsland.

De chauffeur Harry heeft bij het begin van de reis in Boxmeer al gauw door dat hij een gezelschap bij zich heeft die op elkaar zijn ingesteld en dat maakt het voor hem eenvoudiger iets vrijer met zijn publiek om te gaan, zoals in de avond uren als hij leuke spelletjes organiseert en er veel wordt gelachen. Tijdens de excursies geeft hij ook vakkundig en breedvoerig uitleg over hetgeen er te zien is, kortom uit tevredenheid wordt er aan ARKE na thuiskomst een briefje gestuurd waarmee erkentelijkheid jegens deze chauffeur wordt omschreven. Er was van deze reis buiten de vele foto’s ook een video film gemaakt en de laatste avond is deze vertoond door Jan op een T. V. toestel, dat werd in dank afgenomen door de M. T. groep, men kon precies zien wat er zich die dagen had afgespeeld. Uit respect en dank is de videoband ook aan Harry de chauffeur toegestuurd, en natuurlijk hebben ook een deel van de M. T. groep de band later gekregen. Het was erg leuk om met oude makkers op te trekken en ook de dames gingen elkaar beter leren kennen. Gezegd mag ook wel worden dat Dick Broekhuizen deze reis goed had georganiseerd, in samenwerking met ARKE in Enschede.

 

 

Busreis Nr. 2

 

De busreis is zo goed verlopen dat er wordt besloten een 2e M. T. busreis te gaan maken, daar wordt over gesproken op de M. T. reünie bij de familie van Alst in Zevenaar. Omdat Theo van Alst een bekende heeft in de reiswereld waar hij korting zou kunnen krijgen draagt Dick Broekhuizen de verzorging over aan Theo. De reis vind plaats in Mei 1993 en het is weer een verzorgde busreis, deze keer 8 dagen naar Olsberg, ook in Duitsland. Deze keer krijgen we medepassagiers, en dat is ook een leuke ploeg. Sinds kort is onze makker Jan Derksen ook bij ons gezelschap gaan horen, hij en zijn echtgenoot Sjaan maken deze reis ook mee. Bovendien is Wim Uitentuis ook weer in ons land, hij gaat ook mee en het mag zeker gezegd worden dat hij de boel aardig opvrolijkt. Zoals bij de vorige busreis wordt alles op foto en video vastgelegd en op een na de laatste avond wordt de video via een T. V. toestel vertoond en zien wat wij deze dagen hebben gedaaan, dat valt in goede smaak, ook bij de anderen medereizigers. Om even een klein overzicht van deze reis te geven het volgende:

Na het overstappunt te Boxmeer gaat de reis via Sauerland langs de Möhnetalsperre naar Olsberg en daar vind een leuke begroeting plaats door de hotelier van Hotel Am See.

De volgende dag is iedereen vrij en wordt er in Olsberg gewandeld, de avond wordt gevuld met een spelletje. De derde dag vindt er een mooie tocht plaats door het Waldecker land o.a. de Edersee In de plaats Korbach wordt een wandeling gemaakt, en in Waldeck - Pyrmont wordt een bezoek gebracht. Daar in de buurt wordt ook de lunch gebruikt. De vierde dag is er een middagtocht door Hoch Sauerland, en s’ avonds is er een barbecue maaltijd in het plaatsje Züschen.        De vijfde dag wordt er een rit gemaakt door het Rothaar - gebergte, daarna door het stroom gebied van de Lenn, en in de omgeving van Lennestadt wordt de lunch gebruikt. Daarna gaat het over de Hohe Hessel ( 743 meter ) naar Bad Berleburg waar het kasteel Berleburg wordt bezichtigd. Daarna gaat het via de bekende Kahler Asten naar de wintersport plaats Winterberg. Bij het andere gezelschap bevind zich een dame die verteld vroeger als Non in een klooster te zijn geweest en zij blijkt veel interesse te hebben in Wim Uitentuis, waar veel geintjes over worden gemaakt. Terug gekomen

in Olsberg wordt er zoals iedere avond even een borrel gedronken en geniet iedereen van de goede keuken. De 6e dag, Donderdag, wordt in de ochtend het plaatsje Willingen bezocht, en daar is gelegenheid tot winkelen. In het hotel wordt de lunch gebruikt, daarna volgt er een tocht door het natuurpark Diemelsee en wordt er een boottocht gemaakt.

De 7e dag is er in de middag een bezoek aan Brilon en wordt o.a. de Nicolai kerk bezocht en de gotische Pfarrkirche, ook wordt een wandeling gemaakt langs de mooie vakwerk huizen. s’ Avonds is er een dansavond.

Dan de laatste en 8e dag begint na het ontbijt de thuisreis, onderweg is er nog een lunch en in Boxmeer is de koffietafel gereed. Na een hartelijk afscheid van elkaar stapt ieder weer in de bus die hem, of haar, naar huis brengt. En zoals ook de vorige georganiseerde busreizen heeft iedereen weer een tevreden gevoel, dat blijkt uit de vele brieven en telefoontjes.

 

 

Busreis Nr. 3

 

Zo wordt er ook aan een derde M. T. busreis gewerkt, ditmaal neemt Jan Baas de taak op zich voor de boekingen enz. De keuze valt op een 6 daagse busreis naar Malente, dat ligt in Schleswig Holstein en vind plaats September 1996. Ons gezelschap bestaat uit 24 personen, welke wordt aangevuld door een ander gezelschap, helaas moesten Truus en Luck Paardekooper de reis annuleren wegens ziekte van Luck. Wie wel aan deze reis deelnemen zijn:

de familie’ s Baas, Abbink, Haukes ( Jan Haukes was chauffeur van de 4e Compagnie ) Timmermans, Weterings, Derksen, Vermeulen, v. d. Berge ( zoals al eerder gemeld was Tom van de Ost. Comp. ) en verder Hinny Swaagman - v. d. Woude ( zij was de levenspartner van Cor v. d. Horst ) Geertje de Jager, Jenny Tol en haar zuster Geertje Stas en tenslotte de schoonzuster van Abbink, Arfman - Abbink   Buiten deze 24 personen van de eigen groep nemen er ook andere personen deel aan deze reis, en met hen ontstaat ook een leuk kontakt. Het wordt weer een fantastische reis, er zijn uitstapjes naar Laboe a/d Oostzee alwaar wij een Marine museum bezoeken, waar ook nog een kijkje wordt genomen in een Duitse onderzeeboot uit de tweede Wereld oorlog en Tom v.d. Berge, die vele jaren op zee heeft gevaren bij het loodswezen, er veel over weet te vertellen. Er wordt een bezoek gebracht aan het eiland Sylt waarvoor het laatste stuk alleen per spoortreintje kan worden gereden, en verder is er een bezoek aan Friedrichstadt en Neumunster. Op deze dag viert Jan Baas zijn 69 e verjaardag en wordt hij s’ morgens tijdens het ontbijt al in de bloemetjes gezet. Zijn stoel is versierd en van iedereen kreeg hij een cadeautje, n.m. ingepakte fotorolletjes, en bij het bezoek aan Neumunster is ons hele gezelschap, incl. de chauffeur, op koffie met gebak getrakteerd. Er worden dan nog bezoeken gebracht aan Eutin, er wordt een vijf meren tocht gemaakt nabij Plön, er wordt een glasblazerij bezocht en als laatste zijn er bezoeken aan Sierksdorf, Travemunde en Lubeck. Zoals altijd wordt op de laatste dag afscheid van elkaar genomen in Boxmeer alwaar iedereen in een touringcar plaats neemt welke naar zijn of haar woonplaats rijdt. En iedereen was het er over eens dat het weer een geslaagde reis was.

 

 

Busreis Nr. 4

 

Onze 4e en laatste busreis is in 1997, het is een 7 daagse reis naar Clervaux in Luxemburg en vind plaats in September. Deze wordt weer door ARKE verzorgd, de boeking geschied door Jan Baas bij D. Reizen. Er zijn ook weer verschillende uitstapjes zoals naar Bastogne waar het oorlogsmuseum en het War Memoriaal zich bevinden. We bezoeken verder o.a. de stad Luxemburg, een Electr. Waterkracht Centrale, en de stad Trier. Deze reis verloopt niet zo als wij gewend waren, ten eerste treffen wij het niet met onze chauffeur, hij heeft nl. een scharreltje meegenomen hetgeen al bij vertrek uit Boxmeer iedereen opviel.

Zij onttrok zich uit het gezichtsveld zodat het personeel van ARKE haar niet kon zien en zo wij later begrepen was het een “Blinde passagier”.

Op zich niet erg als het ons geen schade zou berokkenen, maar de chauffeur had de hele reis meer aandacht voor genoemde persoon dan voor zijn gezelschap, als wij de omgeving gaan verkennen blijkt hij ergens op een terrasje te zitten met zijn scharrel. Zo gebeurden er meer dingen die irritatie opwekken en een stempel drukken op deze hele reis. De hoteleigenaar is niet soepel en worden de avonden dan met een groot deel van het gezelschap doorgebracht in een lokatie waar de bediening geschied door een ober die de Portugese nationaliteit heeft en er een feest van maakt. Aangaande deze reis wordt er na onze thuiskomst een klacht overgebracht aan het kantoor van ARKE, een simpel excuus briefje is het antwoord. Het heeft ook op het vervolg van onze reislust geen goed gedaan en na deze 4e busreis is er niemand geweest die nog een poging heeft gedaan een 5e busreis te organiseren. Maar terug kijkend op die vorige reizen mogen wij toch wel zeggen dat deze een groot succes waren, en al die vriendschap met elkaar is een overblijfsel uit onze Indië tijd.

 

                       

Inhoud
Hoofdstuk 11

 

Het terugzien van Indië, waar we nooit meer op hadden gerekend

                                                                                   

Aangaande die Indië tijd leefde onder velen van ons altijd de wens dat mooie land ooit eens terug te zien, en toen in September 1978 reisbureau van Vulpen in Zaandam bekend maakte speciale reizen te organiseren voor oud Indië gangers en daarvoor bijeenkomsten organiseerde zijn een stel van ons Bataljon op zo’n bijeenkomst verschenen in Driebergen.

Dat waren van de M. T.  familie Broekhuizen en familie Baas, Arie Jongenelen en verder de familie v.d. Berge en nog anderen van verschillende compagnieën. Zoals alle anderen, had Dick Broekhuizen er van gedroomd nog eens terug te gaan naar dat prachtige land, waar wij vóór 1947 zo weinig van wisten. Het was dan ook voor hem een volkomen verrassing, en liepen de rillingen over zijn lijf toen er van reisbureau “van Vulpen”  een brief kwam voor een speciale reis naar de Gordel van Smaragd, speciaal gericht aan de mannen van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene, met bezoeken aan plaatsen waar wij 3 jaar waren geweest. In de reisbeschrijving stonden namen als Soerabaya, Malang, Modjokerto en Blitar, alsof het Texel was of op de Veluwe.  Dick had ook nooit gedacht een dergelijke reis te kunnen betalen, de prijzen waren in tegenstelling van de jaren 2000 nog niet zo hoog, maar in 1979 was  f. 7600.= voor hun beiden toch wel veel geld. Nu wilde het toeval dat Dick op de Auto R.A.I. had gestaan als autoverkoper, en dat was zo goed verlopen dat er in die 10 dagen genoeg was verdiend voor de reis van 1 persoon. Dick heeft in het volgende verhaal ook veel zijn steentje bijgedragen.                     

Het betreft de volgende reis: Een vlucht die 20 uur zal duren, per K L M- 747 naar Jakarta, dat in tegenstelling tot onze bootreis met de Tabinta die een maand duurde. Aangekomen in het vroegere Batavia is er een overnachting in hotel Sahid Jaja, en de volgende dag een stadstoer door het grote Jakarta, waar ook nog een wandeling wordt gemaakt.        

 De vierde dag gaat het per touringcar naar Bogor, waar o.a. een bezoek wordt gebracht aan de prachtige plantentuin, het vroegere Meester Cornelis, daar groeien de orchideeën zomaar in het wild, daarna gaat de reis via de bekende Puncak naar Bandung alwaar wordt overnacht. De vijfde dag is er een bezoek aan de krater Tangkuban Prahu ( de omgekeerde Prauw ) en bezichtiging van een theeplantage, vervolgens wordt er een Angklung voorstelling bijgewoond, het zijn een twintigtal kinderen die met bamboepijpen verschillende geluiden voortbrengen, waardoor er liedjes ontstaan. De volgende ochtend moeten wij vroeg opstaan want 5 uur vertrekt onze trein, zoals wij nog allemaal weten met de naam Karete Api. Het wordt een schitterende trein reis naar Jogyakarta, wij zaten in het eerste rijtuig en konden onderweg zo op de locomotief stappen, daar had je een heerlijke frisse wind, en kon er ook goed worden gefilmd en gefotografeerd. De snelheid van die trein was niet hoog, en er werd veel gestopt, dan kwamen er veel kinderen bij de trein en vroegen ze bonbon, of een pen. Ook kwamen er meisjes met manden met fruit en koekjes, dat op hun hoofd werd gedragen, en te koop werd aangeboden. In de trein kon je drinken kopen, Dick bestelde koude thee, dat was wel lekker, maar volgens hem kwam het water uit de locomotief, want nadat hij in Jogyakarta was aangekomen was hij flink aan de diaree, gelukkig was er een Chinese Arts die hem een injectie gaf met het resultaat dat het leed snel was geleden. Dick was echter vergeten dat er tegen de avond een korte schemering is in dit land, toen hij zijn fototoestel had opgehaald om van Annie, die in het zwembad lag, een plaatje te schieten was het in die korte tijd al te donker om te fotograferen. De volgende dagen zijn er bezoeken aan het Paleis van de Sultan, het is een soort dorp in een stad, alle bedienden wonen ook op dat terrein, de mannen werken in het paleis, in de tuinen en op de wegen, de vrouwen zijn bezig met mooi opgemaakte offers van bloemen en fruit, die ze in processie naar de binnenplaats brengen om de Goden gunstig te stemmen, er worden bezoeken gebracht aan een batik - en een zilver bedrijf, en aan de wereldberoemde Borobudur. Aan alles komt een eind, zo ook het verblijf in Jogyakarta. Op de tiende reisdag volgt een vliegreis, naar Surabaya en vandaar per touringcar naar een bloemen pasar waar er voor ons een prachtig bloemstuk wordt gemaakt. Daarmee rijden we naar het Ereveld Kembang Kuning waar vele van onze makkers hun laatste rustplaats hebben gekregen. De beheerder is een voormalig KNIL man en hij heeft er voor gezorgd dat bij de graven van hen die bij ons Bataljon behoorde - rood - wit - blauwe vlaggetjes zijn geplaatst zodat we met een oogopslag al die 42 kruizen kunnen vinden. Wij hadden nog een 43 ste slachtoffer, dat was Luitenant Janssen Schmidt, maar hij bleek in Semarang op het Ereveld te liggen. Het bloemstuk wordt bij het monument geplaatst en er wordt 3 minuten stilte gehouden. Daarna begeeft een ieder zich naar de kruizen en staan stil bij herinneringen van vroeger, de gezichten van die gesneuvelde makkers komen weer in onze gedachten, en vooral die makkers waar wij mee op hebben getrokken. Wij krijgen allemaal een brok in de keel, wij hebben het overleefd en zij moesten hier achter blijven, en weer vraagt men zich af “ Waarvoor dit alles ? “ Vooral Dick Broekhuizen heeft het erg moeilijk met zich zelf als hij lange tijd bij het graf van Goudappel staat. Deze kameraad had een ritje van Dick overgenomen zodat hij een klusje aan een truck kon afmaken, waardoor Henk Goudappel het slachtoffer werd, hij kreeg een granaatscherf in zijn hals.

Wij plaatsen nog onze naam in het bezoekersboek en danken de beheerder voor zijn goede zorgen. Vanuit dit hete Surabaya rijden wij dan naar het ons bekende Tretes, dat hoog in de bergen ligt. De touringcar die ons moest vervoeren was geen sukses, ze waren waarschijnlijk nog trots op de bekleding en hadden plastic over de zittingen gespannen, als je daar met die tropen temperatuur een poosje op had gezeten was het alsof je in je broek had geplast, je werd drijfnat. Ook waren de banden niet best, waardoor er af en toe een wiel moest worden gewisseld. Zo gebeurde het ook dat op een bergweg met haarspeldbochten er plotseling een tegenligger tegenover ons stond en de chauffeur uit alle macht moest proberen te stoppen, dat lukte ook maar de handrem werkte niet, zodat een groot deel van ons gezelschap moest uitstappen en achter de bus moest gaan staan om te voorkomen dat deze achteruit ging. De chauffeur kon onmogelijk zijn voet van de rem afhalen terwijl hij ook nog gas moest geven, en ook nog het koppelingspedaal moest bedienen. Daarom kreeg hij hulp van Arie Jongenelen, die op zijn buik over de motorkap ging liggen en met zijn hand het gaspedaal ging bedienen, terwijl er ook nog een van ons aan de handrem stond te trekken, ondanks de paniek moest er toch wel gelachen worden. Bij het terug zien van Tretes overkomt het ons dat er veel is veranderd, maar het koele klimaat is uiteraard nog ideaal, ons verblijf is in hotel Bath, het zijn grote simpele kamers. Wat ons allemaal aanspreekt is het zwembad, waarbij de hele ploeg een plekje vind, en sommigen ook een duik nemen. Wij krijgen ook de belangstelling van een stel apen. Het is tijdens de dagen in Tretes ook 30 Juni, dat is de dag dat Annie en Dick 25 jaar geleden in het huwelijksbootje zijn gestapt en voor die gelegenheid hadden zij 2 flessen Bokma van Schiphol meegenomen, voor de dames werd er heerlijk vruchtensap besteld en zo werd er ook een feestje gehouden, echter het feestje werd verstoord doordat het licht uit viel, maar toen er kaarsen waren rond gedeeld werd de stemming toch intiemer. Er wordt vanuit Tretes nog een excursie gemaakt via kleine 8 persoonsbusjes naar Modjokerto en omgeving. In Modjokerto is al gauw ons vroegere woonhuis terug gevonden met aan de overkant de werkplaats en parkeerterrein. Als wij bij ons vroegere woonhuis staan te kijken komt er een T. N. I. Officier naar buiten en vraagt ons waarom wij belangstelling hebben voor dat huis. Als hij verneemt dat wij hier in 1948 hebben gewoond begrijpt hij wie wij zijn en verzoekt ons na het maken van een foto weg te gaan. Ons is wel opgevallen dat voor het woonhuis nog steeds de ijzeren palen staan waar vroeger ons volleybalnet aan heeft gehangen. We rijden naar de Melirip sluizen waar alles is vernieuwd, maar vinden toch wel aanknopings punten terug, zoals een grote steen die bij een kleine boom ligt daarvan heeft Jan een foto van uit de tijd dat hij hier een maand voor straf was gedetacheerd. Er loopt nu een tolweg over de Kali Brantas, we zien Perning terug, waar wij een vijandige houding constateren, en uit sommige bronnen vernemen dat de Mariniers hier schuld aan hebben, het is dan ook raadzaam om hier niet lang te blijven. We rijden een stukje terug en stoppen bij een nabijgelegen Kampong voor het bezoek aan een woonhuis. Desgevraagd klimt een bewoner in een klapperboom en plukt een paar cocosnoten waaruit wij de melk drinken, dat is erg interessant voor de dames. Wij hebben dan nog de herinnering dat als je teveel van dat spul drinkt je daar knikkende knieën van krijgt. Natuurlijk wordt alles op film en foto vastgelegd. De mensen zijn blij als wij hun wat roepia’ s toestoppen en we nemen hartelijk afscheid. In Tretes hadden wij inmiddels ook al gezien dat het ons bekende zwembad “De Oase” was veranderd in een grote puinhoop, en ondanks het een paar fijne dagen waren in Tretes, verlangden wij toch wel naar de dagen die gingen komen, want het volgende bezoek was aan Malang, omdat vandaar uit onze 2e politionele aktie was begonnen in 1948. In deze stad worden wij onder gebracht in een hotel gelegen aan het Aloon - Aloon. Het was een belevenis weer in Malang te zijn waar wij met onze M.T. makkers zo vaak waren geweest, en ook een poosje ons garnizoen was. Er werden bezoeken gebracht aan het centrum, de Kerk, Toko Oen en niet te vergeten de Idjen Boulevard, waar eens de Apendans was van Pater Baeten, het is nu de Jalan Idjen Besar. Annie en Dick brengen nog samen met Toon Seegers, van de 1e Cie. , en zijn vrouw Katrien, een bezoek aan een grote Pasar, er zijn twee etages en het is er ontzettend druk. Na enige dagen verblijf in het redelijk koele Malang komt onze                    “ Touringcar” weer aanrijden en wordt de reis vervolgd. Er moet nog even worden vermeld dat de bagage tijdens de Oost Java tour niet steeds meegaat in onze bus, maar daarvoor is een kleine truck beschikbaar gesteld. De plaatsen die nu worden bezocht zijn Kepandjan, daar wordt nog even gestopt bij de bekende suikerfabriek, die nu in vol bedrijf is. Via de onze bekende weg, die natuurlijk erg veranderd is, komen we nu in Wlingi, en ook daar is er in 30 jaar veel veranderd, wel zien we de oude spoorbrug terug, en er ligt een nieuwe brug over de kali.

Het volgende doel is Blitar,  wij rijden nu via de bekende dodenweg Blitar - Wlingi, maar eerst wordt er onderweg nog gestopt om ons lunchpakket te nuttigen. Dat gebeurt zittend op een stel boomstammen langs de weg. Jan kijkt nog uit naar een bekende plek, waar hij eens op een mijn was gereden, maar alles is zo veranderd en volgebouwd dat het onbegonnen werk is. In Blitar worden wij onder gebracht in Hotel Sri Lestari, en die naam doet ons denken aan ons vroegere onderkomen in Blitar, maar het is toch niet hetzelfde gebouw. Het hotel heeft deels een vernieuwing ondergaan en er zijn 5 moderne kamers met Air Co, daardoor krijgt een deel van ons een moderne kamer toegewezen en het andere deel komt in verouderde en soms krakkemikkige kamers, maar men doet er alles aan om het naar onze zin te maken.

Dick beschrijft het als volgt: De helft van het gezelschap kreeg een mooie kamer met douche toegewezen, een ander deel een kamer met straattegels op de vloer, een stalen bed met matras en lakens, en twee koepings, dat zijn ronde lange kussens die je tussen de benen kan leggen, hetgeen met die warmte wel aangenaam is. De kamers werden op alfabetische naamvolgorde toegewezen, zodat o.a. de familie’ s Baas en Broekhuizen in een gemoderniseerde kamer kwamen. Het gevolg was dat de dames, die een minder riante kamer krijgen, in onze mooie kamers kwamen douchen, want anders moesten zij buiten mandiën bij grote mandiebak. Voor hen die nog nooit iets dergelijks hadden beleefd, zij gooiden de steelpan waarmee het water over het lichaam moest worden geworpen weg, en kropen in de mandiebak, en dat was natuurlijk niet de bedoeling.

Het hotel was gelegen aan de Jalan Merdeka, een drukke winkelstraat, maar niemand kon zich eigenlijk concentreren waar onze garnizoenen vroeger waren geweest, er was ook teveel bijgebouwd.

De eigenaar van het hotel was een prima kerel, die later met zijn vrouw bevriend raken met Sien en Jan. In het hotel was het niet mogelijk de warme maaltijd te gebruiken, die moesten ergens anders worden genuttigd, we vonden daarvoor een net restaurant. Als Jan bij de ingang van het hotel staat te luisteren naar de mooie muziek die wordt afgespeeld van een bandje in een autoradio vraagt de eigenaar van het hotel of Jan deze muziek mooi vindt, en als dit wordt bevestigd wordt spontaan het bandje aan Jan overhandigt na er eerst een handtekening op te hebben gezet. In de Maleise taal, voor zover mogelijk, ontstaat er een gesprek en wordt hij verzocht even mee te gaan in het nabijgelegen woonhuis. Daar aangekomen wordt een oude dame aangetroffen die goed Nederlands spreekt en de volgende vraag stelt :  Kent U meneer van Besouw ?   Het is vreemd dat na bijna 30 jaar deze vraag wordt gesteld, maar natuurlijk wordt er bevestigend geantwoord en vraagt de oude dame of Jan vooral de groeten wil overbrengen aan meneer van Besouw, en dat wordt beloofd. De dame vertelt dan dat zij veel hebben te danken aan van Besouw, later blijkt het dat van Besouw bij dit gezin was ingekwartierd, in de tijd toen wij daar waren gelegerd. De persoon die Jan dat bandje had gegeven was een zoon van die dame, zijn naam is Yono en is gehuwd met Kim, zij zijn van Chinese afkomst maar hebben allemaal ten tijde van het bewind van Sukarno hun namen moeten veranderen en zij dragen thans de naam van Adhuyono. Inmiddels is er een leuk kontakt ontstaan en Yono is vooral nieuwsgierig naar de tijd dat wij in Blitar waren gelegerd. Hij biedt ook aan ons te helpen naar het terug vinden van bepaalde oude herinneringen. Zo nemen wij met enkele plaats in zijn auto en brengt hij ons naar een kampong waar voormalig President Sukarno ligt begraven. Die Sukarno was geen vriend van ons maar uit beleefdheid bezoeken wij dit praalgraf, dat door militairen wordt bewaakt. Blitar is nl. de geboorteplaats van Sukarno en zijn nog in leven zijnde zuster woont hier, en ook daar worden wij naar toe gebracht. We drinken thee bij haar en bewonderen het huis dat vol staat met foto’s van Sukarno en zijn familie. Verteld moet worden dat deze zuster ook in Blitar aanwezig was ten tijde dat wij daar waren gelegerd en zij zelfs een zekere bescherming genoot van onze troepen. In hotel Sri Lestari is ook een zuster van Yono aanwezig, Nani genaamd, zij heeft de zorg over de keuken en verzorgt het ontbijt en de lunches.

Wij maken een excursie naar Toeloengagoeng en zien dat er een nieuwe verkeersbrug ligt bij Ngantroe, we stoppen bij het bekende kerkhof dat vol zit met apen. In Toeloengagoeng vinden wij ons vroegere woonhuis en werkplaats terug, van de beheerder mogen wij alles bezichtigen en dan zien wij onze slaapkamers terug, en alle herinneringen komen weer tevoorschijn. Arie Jongenelen ontmoet nog enkele bekende Chinezen.

We rijden verder via Trengalek, en komen dan in een gebied waar wij vroeger niet konden komen omdat daar de vijand zat. Tenslotte komen wij aan de kust van de Indische Oceaan waar het vissersplaatsje Popoh ligt, en daar verblijven wij een tijdje, er zijn ook souvenirs te koop. De mannen redden zich aardig met de taal, al pratende komen er steeds meer woorden tevoorschijn. Als wij weer terug zijn in het hotel lessen wij de dorst, een koud biertje van het merk Bintang smaakt dan heerlijk. En weer doen Kim en Yono alles om het ons naar de zin te maken.

Bij onze groep is ook Jo van Gerwen aanwezig met zijn echtgenoot Joke, en zij hebben een handnaaimachine meegenomen uit Holland waarvan wij samen de kosten hebben betaald en deze machine bieden wij aan in het klooster van Blitar. De 4e Compagnie van ons Bataljon heeft hier vroeger als bewaking gefungeerd en bij die Compagnie was van Gerwen S. M. A. (Sergeant Majoor Administrateur) Ook enkele anderen van die Compagnie zijn bij ons zoals Jan Koertshuis en hij ontmoet enkele bekenden in dat klooster, zoals Nederlandse nonnen en een baboe. Die naaimachine is bedoeld voor de Indonesische meisjes die in dat klooster worden geschoold. Zij kunnen met die machine leren hoe kleren worden gemaakt en hersteld. Als die machine met veel blijdschap in ontvangst is genomen worden wij uitgenodigd een kopje thee te drinken en komt er een blik met koekjes op tafel. Er worden herinneringen opgehaald uit de tijd dat men in het klooster zich veilig voelde door de bescherming van onze troepen. Als wij weer terug zijn in het hotel krijgen wij bezoek van een Pater, zijn naam is Jan Bartels en hij belooft ons met de touringcar mee te gaan als wij weer vertrekken. Wij wandelen ook nog door Blitar en op het Aloon Aloon zien wij de gevangenis weer waar toen alle gevangen genomen Rampokkers werden vast gehouden onder het toeziend oog van Wachtmeester Joop van Ewijk. Wij gaan nog op zoek naar het gebouw waar de M. T. zijn onderkomen had, we zijn er vrijwel zeker van dat het gebouw er niet meer is. Op de plek staat volgens ons een nieuw gebouw.

Waarschijnlijk door toedoen van de oude dame ontstaat er tussen Nani en Jan een leuk kontakt en als de dag van vertrek is aangebroken geeft Nani een tas vol met koekjes, nootjes en ook flessen drank aan Jan, ze zegt dat dit voor onderweg is bedoeld. Het vertrek wordt even uitgesteld want voor de zoveelste keer heeft de bus een lekke band, het zijn n.l allemaal gevulcaniseerde banden, en door de hitte gaat het loopvlak los zitten. Maar als dan het moment is aangebroken van vertrek komt er een hartelijk afscheid waarbij veel word gezoend. Kim vraagt aan Jan Baas vooral te schrijven als we weer in Holland zijn, en zij allen hopen ons nog eens terug te zien, en weer zien wij hoe lief dat Indonesische volk is. De pater heeft een route uitgestippeld die gaat via een o